Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de periodieke salariskosten van de bewindvoerder. De boedel van betrokkene bood ten tijde hier in geding onvoldoende ruimte voor de maandelijkse betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder. De Raad is dan ook met het College en anders dan de rechtbank van oordeel dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich bij betrokkene niet hebben voorgedaan. De onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand is derhalve terecht afgewezen.

Uitspraak



10/572 WWB

10/5493 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 december 2009, (onder meer) 09/242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en anderen,

en

appellant

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader besluit van 12 augustus 2010 ingezonden.

Namens betrokkenen heeft A. Saris (hierna: Saris), bewindvoerder te Venlo, een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft Saris een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2009 ten aanzien van de overige beroepen waarop die uitspraak ziet, plaatsgevonden op 15 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. Voor betrokkene is verschenen Saris.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij vonnis van de rechtbank Roermond van 25 mei 2005 is ten aanzien van betrokkene de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is, voor zover in dit geding van belang, aan de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling, bij toereikend actief, een voorschot op het salaris toegekend ter hoogte van het in het Besluit salaris bewindvoerder (hierna: Salarisbesluit) aangegeven minimum salaris.

1.2. Betrokkene heeft op 26 juni 2008 bij appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de salariskosten van de bewindvoerder tot een bedrag van € 46,41 per maand gedurende de loop van de schuldsaneringsregeling, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat de salariskosten van de bewindvoerder niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen worden aangemerkt, omdat de salariskosten volledig uit de boedel kunnen worden voldaan. Bij besluit van 22 januari 2009 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 januari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 oktober 2008 te beslissen, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Indien en voor zover de schuldenaar (maandelijks) inkomen heeft boven de beslagvrije voet, is afdracht aan de boedel in elk geval verplicht tot het bedrag van het bewindvoerdersalaris. Hieruit volgt dat er voor de afdracht aan de boedel ten bedrage van het bewindvoerdersalaris een betalingsverplichting geldt. Dat op grond van het toelatingsvonnis het bewindvoerdersalaris slechts is verschuldigd bij toereikend actief in de boedel wil zeggen dat dit salaris is verschuldigd indien er inkomsten zijn boven de beslagvrije voet. Het Salarisbesluit in samenhang met het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering gaat overigens ook uit van een bestaande betalingsverplichting. Dit betekent dat betrokkene de salariskosten van bewindvoering verschuldigd is, zodat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich voordoen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op betrokkene.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 12 augustus 2010 de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit dient met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij het geding in hoger beroep te worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de aangevallen uitspraak.

5.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient, voor zover in dit geding van belang, bij de toepassing van deze bepaling eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

5.3. In zijn uitspraken van 29 juni 2010, LJN BM9799 en LJN BM9804, heeft de Raad tot uitdrukking gebracht, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 10 juni 2008, LJN BD4040, dat in het kader van de toepassing van de WWB de noodzaak van de schuldsaneringsregeling uitgangspunt voor het College van burgemeester en wethouders dient te zijn en dat daarmee tevens vaststaat dat de salariskosten van de door de rechtbank benoemde bewindvoerder moeten worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan van degenen die onder de schuldsaneringsregeling vallen. Dit betekent echter nog niet dat in alle gevallen zonder meer tot verlening van bijzondere bijstand moet worden overgegaan, omdat - in ieder geval - steeds zal moeten worden beoordeeld of de kosten van de bewindvoerder zich voor de betrokkene ook daadwerkelijk voordoen.

5.4. De Raad heeft in de hiervoor vermelde uitspraken overwogen - samengevat - dat, indien de boedel geen ruimte biedt voor de betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder, de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich niet voordoen, en dat, indien toch een boedelbijdrage ter hoogte van het voorschot op het salaris is afgedragen, deze kosten dan zonder noodzaak zijn betaald.

5.5. Met appellant is de Raad van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voldoende boedelactief was voor het opnemen van voorschotten op het bewindvoerderssalaris. Uit het door betrokkene overgelegde vonnis van de rechtbank Roermond van 28 mei 2008 blijkt immers dat betrokkene een boedelachterstand had van ruim € 1.100,-- en dat hij bovenmatig nieuwe schulden heeft laten ontstaan. De schuldsaneringsregeling is vervolgens weliswaar voortgezet tot uiterlijk 25 mei 2010, maar bij vonnis van de rechtbank Roermond van 10 december 2008 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van betrokkene beëindigd, omdat betrokkene zijn verplichtingen niet is nagekomen. Hiervan uitgaande, moet naar het oordeel van de Raad worden aangenomen dat de boedel van betrokkene ten tijde hier in geding onvoldoende ruimte bood voor de maandelijkse betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder. De Raad is dan ook met appellant en anders dan de rechtbank van oordeel dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich bij betrokkene niet hebben voorgedaan. De onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand is derhalve terecht afgewezen.

5.6. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op betrokkene, dient te worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond moeten worden verklaard.

Ten aanzien van het besluit van 12 augustus 2010

5.7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6 komt aan dit besluit de grondslag te ontvallen, zodat het besluit van 12 augustus 2010 moet worden vernietigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep van betrokkene;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 januari 2009 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 12 augustus 2010.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature