Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

AWBZ. (Na 6 maanden) hoge eigen bijdrage verschuldigd door TBS'er in Pompekliniek. Onvoldoende concreet zicht op terugkeer in de maatschappij. AWBZ - Besluit zorgaanspraken AWBZ - Bijdragebesluit zorg - art. 37e WvStr.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 10/3389

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 april 2011.

inzake

[Eiser], eiser, wonende te Nijmegen, vertegenwoordigd door mr. K.D. Regter, advocaat te Heerlen,

tegen

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 augustus 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 1 januari 2010 in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) de hoge eigen bijdrage verschuldigd is.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 16 februari 2011. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn bovengenoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F. Boone, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen.

3. Overwegingen

Eiser is in augustus 2002 veroordeeld tot terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging en is daartoe in 2003 geplaatst in het Forensisch Psychiatrisch Centrum te Eindhoven en vervolgens in de Prof. Mr. W.P.J. Pompekliniek te Nijmegen (de Pompekliniek). Vanaf de aanvang werd aan eiser op grond van de AWBZ de zogeheten lage eigen bijdrage opgelegd.

Met het nu bestreden besluit heeft verweerder dit - behoudens de eerste zes maanden - als een abuis aangemerkt en aan eiser per 1 januari 2010 de hoge eigen bijdrage opgelegd.

In beroep daartegen heeft eiser doen aanvoeren dat hij geen eigen bijdrage verschuldigd is, omdat een gedwongen TBS behandeling op grond van artikel 37e Wetboek van Strafrecht voor rekening en verantwoordelijkheid van de overheid komt en de kosten ervan niet via de AWBZ op eiser mogen worden verhaald. Daarnaast meent eiser dat de Pompekliniek niet een (zorg)instelling is waarvoor op grond van het Bijdragebesluit Zorg een eigen bijdrage opgelegd kan worden. Verder heeft eiser naar voren laten brengen dat in geval hij toch een eigen bijdrage verschuldigd is, het de lage bijdrage betreft, omdat de TBS behandeling is gericht op terugkeer in de maatschappij en omdat het met terugwerkende kracht opleggen van de hoge eigen bijdrage strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vraag of een eigen bijdrage ingevolge de AWBZ verschuldigd is in het geval van een gedwongen verpleging in het kader van een TBS - voorheen TBR - is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevestigend beantwoord in onder meer de uitspraak van 9 november 1984, Rechtspraak ZFW en AWBZ nr. 85 133, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. Dat standpunt is sindsdien niet gewijzigd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid onder d, ten eerste, van de AWBZ wordt onder instelling verstaan een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen. Ingevolge artikel 1, eerste lid onder f, juncto artikel 5, van die Wet is daartoe een toelating vereist. De Pompekliniek is een toegelaten AWBZ instelling.

Gezien de aard van de zorgfuncties en gezien de duur van het verblijf in de instelling gaat het voorts om zorg, verleend door een instelling als bedoeld in de artikelen 9, 13 en 14 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ , zodat eiser dient bij te dragen in de kosten van deze zorg.

Het vorenstaande leidt ertoe dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn gronden met betrekking tot verweerders (on)bevoegdheid tot het opleggen van een eigen bijdrage AWBZ.

Ingevolge artikel 4 van het Bijdragebesluit zorg (het Besluit) geldt voor eiser - die gedurende het etmaal in de instelling verblijft - in beginsel de hoge eigen bijdrage. Ingevolge artikel 14 van het Besluit geldt in afwijking daarvan de lage bijdrage onder meer gedurende de eerste zes maanden van verblijf in een instelling en indien de zorgverzekeraar het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd.

Eiser beroept zich op de laatst genoemde bepaling en voert aan dat een TBS behandeling per definitie op terugkeer naar de maatschappij is gericht. In dat kader wijst eiser er voorts op dat zijn behandeling in een zodanig stadium verkeert dat die terugkeer ook daadwerkelijk in zicht is.

Verweerder heeft met betrekking tot de bedoelde terugkeerverwachting een termijn gehanteerd van zes maanden. Verweerder haakt daarmee aan bij artikel 14, eerste lid, onder b, van het Besluit waarin is bepaald dat gedurende de eerste zes maanden van het verblijf de lagere eigen bijdrage geldt. Verweerder heeft daarbij overwogen dat die termijn is gesteld met het oog op de omstandigheid dat betrokkene gedurende die periode buiten de inrichting nog vaste lasten heeft (woning) of deze weer moet gaan maken en dat dit laatste ook in het geval van terugkeer geldt. De rechtbank is van oordeel dat de invulling die verweerder heeft gegeven aan deze bepaling niet onredelijk of rechtens onjuist is te achten.

Gelet op de gedingstukken heeft verweerder op goede gronden gesteld dat per de nu in geding zijnde datum (1 januari 2010) er nog onvoldoende concreet zicht was op eisers terugkeer naar de maatschappij binnen zes maanden.

Met betrekking tot de stelling van eiser dat het opleggen van de eigen bijdrage met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 strijdig is met het rechtszekerheid- en/of het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals hiervoor al werd vastgesteld is eiser voor zijn behandeling na de eerste zes maanden de hoge bijdrage AWBZ verschuldigd. Die bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt ingevolge artikel 5 van het Besluit jaarlijks opnieuw berekend op basis van de inkomensgegevens van het peiljaar. Daaruit volgt al dat betrokkenen er steeds rekening mee moeten houden dat de verschuldigde bijdrage voor enig jaar anders kan zijn dan die voor het voorgaande jaar.

Dat de door eiser verschuldigde eigen bijdrage per 1 januari 2010 eerst in de maand april van dat zorgjaar definitief is vastgesteld, kan de rechtmatigheid van die vaststelling, gezien het imperatieve karakter van de toepasselijke voorschriften, niet aantasten. Enkel dit tijdsverloop leidt niet tot de conclusie dat die vaststelling in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Desondanks zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd (onjuiste of onvolledige) inlichtingen zijn verschaft die bij die betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is hier niet gebleken. Dat verweerder aan eiser eerder ten onrechte de lage bijdrage heeft opgelegd kan daaraan niet afdoen, verweerder is namelijk niet gehouden om deze onjuistheid in de toekomst voort te zetten.

Uit het vorenstaande volgt dat eiser ook in zijn gronden tegen het opleggen van de hoge bijdrage niet kan worden gevolgd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb .

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 12 april 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature