Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Vennootschap onder firma. Rekening-courantovereenkomst. Artt. 17, 18, 29 WvK, 3:61, 3:69, 6:198, 6:201, 7A:1681 BW. Hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten van de vof voor de schuld uit de rekening-courantovereenkomst die twee vennoten namens de vof zijn aangegaan met de bank? Bevoegdheidsbeperkende bepaling in Handelsregister. Voor zover deze bepaling bij totstandkoming overeenkomst niet was ingeschreven is er gebondenheid ex art. 29 WvK; voor zover toen reeds wel, geldt dat niet de door de bank beoogde beschikking van de vof over deze geldlening van belang is maar vereist is dat de door de geldlening verkregen baten op een voor de vof voordelige wijze moeten zijn besteed (vgl. HR 13 juni 1958, NJ 1958, 352). Aangezien de handelende vennoot bedrijfsmatig optrad, rustte op de bank niet vanzelfsprekend de plicht deze vennoot– zoals bij particulieren wel het geval is – meer dan gebruikelijk te wijzen op de risico’s van de overeenkomst en hem daarmee (extra) te beschermen tegen eigen lichtvaardigheid of ondeskundigheid. Bovendien strekt de zorgplicht van de bank niet zodanig ver dat zij ook alert had moeten zijn op de bevoegdheidsbeperking van de vennoot. Uit artikel 7A:1681 BW volgt immers dat een vennoot die namens de vennootschap handelt altijd – en dus ook bij overschrijding van zijn bevoegdheid – in ieder geval zelf gebonden is aan de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien. Gelet daarop ligt de verantwoordelijkheid om binnen de grenzen van zijn bevoegdheid te handelen bij de vennoot zelf en niet bij de derde met wie die vennoot een overeenkomst sluit.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 339567 / HA ZA 09-2727

Vonnis van 8 juni 2011

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE Rabobank AMSTERDAM EN OMSTREKEN U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. A.L. van Beugen,

tegen

1. [gedaagde 1]

wonende te Schiedam,

gedaagde sub 1,

2. [gedaagde 2],

wonende te Schiedam,

gedaagde sub 2,

3. [gedaagde 3]

wonende te Schiedam,

gedaagde sub 3,

advocaat voor de gedaagden sub 1 t/m 3: mr. M.N.R. Nasrullah,

4. [gedaagde 4]

wonende te Schiedam,

gedaagde sub 4,

niet verschenen.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Rabobank”.

De gedaagden sub 1 tot en met 3 worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de gedaagden” en – voor zover nodig – afzonderlijk aangeduid als “[gedaagde 1]”, “[gedaagde 2]” en [gedaagde 3]”.

De gedaagde sub 4 wordt hierna aangeduid als “[gedaagde 4]”.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 21 september 2009;

- de conclusie van antwoord zijdens de gedaagden d.d. 7 april 2010, met producties;

- de conclusie van repliek d.d. 16 juni 2010;

- de conclusie van dupliek zijdens de gedaagden d.d. 22 september 2010, met productie.

1.2. Tegen [gedaagde 4] is verstek verleend.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. De vennootschap onder firma [bedrijf 1] (verder te noemen: de vennootschap) is op 20 mei 2000 opgericht. Op dat moment zijn onder meer [perso[persoon 1] (verder te noemen: [persoon 1]) en [gedaagde 1] als firmanten (vennoten) tot de vennootschap toegetreden.

2.2. Op 1 januari 2002 zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als firmanten tot de vennootschap toegetreden.

2.3. Op 29 januari 2002 heeft Rabobank met de vennootschap, in de personen van [persoon 1] en [gedaagde 1], een rekening-courantovereenkomst met een kredietfaciliteit van € 45.000,- op de rekening met nummer 30.34.54.172 gesloten (verder te noemen: de rekening-courantovereenkomst).

2.4. Op 1 augustus 2002 is [gedaagde 4] als firmant tot de vennootschap toegetreden.

2.5. Op 16 december 2002 is [persoon 1] geroyeerd als firmant.

2.6. Op 25 november 2004 is [gedaagde 4] uit de vennootschap getreden.

2.7. De vennootschap is op 7 december 2004 in staat van faillissement verklaard.

2.8. Het faillissement van de vennootschap is op 10 juni 2008 opgeheven wegens gebrek aan baten.

2.9. Op de onder 2.3. vermelde rekening is een ongeoorloofde debetstand ontstaan van € 43.959,95.

3. De vordering

De vordering luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gedaagden en [gedaagde 4] hoofdelijk te veroordelen aan Rabobank te voldoen een bedrag van € 45.747,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 juni 2008 over een bedrag van € 43.959,95, en met veroordeling van de gedaagden en [gedaagde 4] in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Rabobank aan deze vordering de volgende stellingen – verkort weergegeven – ten grondslag gelegd:

3.1. De gedaagden en [gedaagde 4] zijn als vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap en dus ook voor de schuld betreffende de onder 2.9. vermelde debetstand (tevens hoofdsom) ad € 43.959,95 die voortvloeit uit de rekening-courantovereenkomst die Rabobank met de vennootschap is aangegaan.

3.2. Indien komt vast te staan dat er ten tijde van de ondertekening van de rekening-courantovereenkomst een bevoegdheidsbeperking in het handelsregister was opgenomen, dan zijn de gedaagden en [gedaagde 4] alsnog hoofdelijk aansprakelijk omdat de lening ten voordele van de vennootschap heeft gestrekt. De kredietfaciliteit werd immers gesloten op de rekening van de vennootschap waardoor de lening ten bate van de vennootschap is gekomen.

3.3. De gedaagden en [gedaagde 4] weigeren de voormelde debetstand aan te zuiveren.

3.4. Rabobank heeft buiten rechte kosten moeten maken. Deze kosten worden conform het Rapport Voorwerk II begroot op € 1.788,-. Tevens maakt Rabobank aanspraak op wettelijke handelsrente.

4. Het verweer

Het verweer van de gedaagden strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad. De gedaagden hebben daartoe het volgende – verkort weergegeven – aangevoerd:

4.1. De gedaagden betwisten dat tussen de vennootschap en Rabobank een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens hen is Rabobank bij de totstandkoming mogelijkerwijs door [persoon 1] verkeerd geïnformeerd.

4.2. De gedaagden betwisten daarnaast dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.

4.2.1. Ten aanzien van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] is hierbij aangevoerd dat de rekening-courantovereenkomst tot stand is gekomen in strijd met een op dat moment in het handelsregister opgenomen beperkende bepaling ten aanzien van de handelingsbevoegdheid van de (toenmalige) vennoten [gedaagde 1] en [persoon 1]. Deze bepaling houdt in dat bij het aangaan van verbintenissen tot een belang of waarde van meer dan € 12.000,- de medewerking van alle vennoten noodzakelijk is. [gedaagde 3] en [gedaagde 2], zijnde de andere vennoten, hebben indertijd medewerking noch volmacht aan [gedaagde 1] en [persoon 1] verleend voor de totstandkoming van de rekening-courantovereenkomst. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] hebben bovendien nimmer de beschikking gehad over de rekening-courant en het betreffende geldbedrag is evenmin – ondanks dat dit geld op de bankrekening van de vennootschap was gestort – ten voordele van de vennootschap gekomen, aangezien [persoon 1] dit heeft verduisterd. Rabobank is daarnaast in verzuim ten aanzien van een bijzondere zorg- en onderzoeksplicht tijdens het sluiten van de rekening-courantovereenkomst met de vennootschap. Rabobank heeft toen immers niet gevraagd naar de volmacht van de vennoten [gedaagde 3] en [gedaagde 2], terwijl zij wel van de beperkte handelingsbevoegdheid van de vennoten op de hoogte moet zijn geweest en zij daarop toen ook niet heeft gewezen.

4.2.2. Ten aanzien van [gedaagde 1] is hierbij aangevoerd dat Rabobank ook jegens hem een bijzondere zorg- en onderzoeksplicht heeft geschonden. Rabobank had gelet op de voornoemde beperkende bepaling en de inschrijving daarvan in het handelsregister kunnen weten dat de handelingsbevoegdheid van [gedaagde 1] aan beperkingen onderhevig was en zij heeft desondanks de overeenkomst met [gedaagde 1], die te goeder trouw was, gesloten. Daarnaast heeft zij verzuimd [gedaagde 1] te informeren omtrent de risico’s van de overeenkomst.

5. De beoordeling

5.1. Het verweer van de gedaagden dat geen rechtsgeldige overeenkomst tussen Rabobank en de vennootschap tot stand is gekomen, wordt verworpen. De gedaagden hebben alleen in algemene bewoordingen de suggestie gedaan dat [persoon 1] Rabobank tijdens het aangaan van de rekening-courantovereenkomst verkeerd heeft geïnformeerd zonder deze stelling nader uit te werken en te onderbouwen. Hiermee hebben zij niet voldaan aan hun stelplicht.

5.2. In geschil is of de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld uit de rekening-courantovereenkomst die [persoon 1] en [gedaagde 1] namens de vennootschap met Rabobank hebben gesloten.

5.2.1. Voorop wordt gesteld dat elke vennoot van een vennootschap onder firma ingevolge artikel 18 van het Wetboek van Koophandel (verder te noemen: WvK) in beginsel hoofdelijk aansprakelijk is voor de verbintenissen van die vennootschap. Verder geldt ingevolge artikel 17 WvK dat elk der vennoten die daarvan niet is uitgesloten, bevoegd is om ten name van de vennootschap te handelen alsook de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden, tenzij sprake is van een handeling tot welke de vennoten volgens de vennootschapsovereenkomst onbevoegd dan wel beperkt bevoegd zijn. In het geval dat de handelende vennoot een overeenkomst aangaat en daarbij zijn bevoegdheid overschrijdt dan is ingevolge artikel 7A:1681 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) in beginsel noch de vennootschap noch de andere vennoten afzonderlijk doch uitsluitend de handelende vennoot daaraan gebonden. Uitzonderingen daarop zijn het geval waarbij de onbevoegdelijk verrichte handeling uiteindelijk voordelig voor de vennootschap blijkt te zijn geweest (vgl. artikel 7A:1681 BW en HR 13 juni 1958, NJ 1958, 352 ), het geval waarbij die handeling wordt bekrachtigd door de vennoten wier medewerking was voorgeschreven of wanneer die vennoten de schijn daartoe hebben gewekt (vgl. artikel 3:69 BW jo. 3:61 lid 2 BW), het geval waarbij de betreffende handeling kan gelden als behoorlijke zaakwaarneming (vgl. artikel 6:198 jo. 6:201 BW ) en het geval waarbij de bevoegdheidsbeperking tijdens het aangaan van de overeenkomst niet blijkt uit het handelsregister (vgl. artikel 29 WvK).

5.2.2. Ter onderbouwing van hun verweer dat de rekening-courantovereenkomst tot stand is gekomen in strijd met een op dat moment in het handelsregister bevoegdheidsbeperkende bepaling (zie 4.2.1.) hebben de gedaagden bij dupliek een overzicht d.d. 20 september 2010 van de sinds 1 oktober 1993 vastgelegde handelsregisterhistorie van de vennootschap in het geding gebracht. Volgens de gedaagden blijkt daaruit dat de bevoegdheidsbeperkende bepaling tijdens de totstandkoming van de rekening-courantovereenkomst in het handelsregister stond vermeld. Rabobank heeft hierop niet kunnen reageren en zal daartoe alsnog bij akte de gelegenheid krijgen.

5.2.3. De rechtbank overweegt reeds nu voor het geval dat de bevoegdheidsbeperkende bepaling op het moment van de totstandkoming van de rekening-courantovereenkomst niet in het handelsregister stond vermeld, dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] in dat geval ingevolge artikel 29 WvK wel aan die overeenkomst gebonden zijn. De vordering jegens hen is dan in beginsel toewijsbaar.

5.2.4. Voor het geval dat de bevoegdheidsbeperkende bepaling op het moment van de totstandkoming van de rekening-courantovereenkomst wel in het handelsregister stond vermeld, overweegt de rechtbank reeds nu dat de subsidiair gevoerde stelling van Rabobank ter onderbouwing van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] (zie 3.2.) geen doel treft. Niet de hierbij door Rabobank betoogde beschikking van de vennootschap over deze geldlening is voor hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten van belang, doch vereist is dat de door de geldlening verkregen baten op een voor de vennootschap voordelige wijze moeten zijn besteed (vgl. HR 13 juni 1958, NJ 1958, 352). Een dergelijke besteding van het krediet door de vennootschap dan wel door diens vennoten is echter niet door Rabobank gesteld en ook niet gebleken. De vordering jegens [gedaagde 3] en [gedaagde 2] moet in dat geval dan ook worden afgewezen.

5.2.5. De rechtbank overweegt daarnaast reeds nu dat [gedaagde 1] ingevolge artikel 7A:1681 BW in ieder geval wel gebonden is aan de rekening- courantovereenkomst met Rabobank, aangezien hij één van de vennoten is geweest die namens de vennootschap heeft gehandeld bij het sluiten van deze overeenkomst. [gedaagde 1] is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de vennootschapsschuld die daaruit is ontstaan, zodat de jegens hem gerichte vordering voor wat betreft de hoofdsom in beginsel voor toewijzing gereed is.

5.2.6. Het daartegen gevoerde verweer van [gedaagde 1] (zie 4.2.2.) is tevergeefs gedaan. [gedaagde 1] handelde bij het sluiten van de rekening-courantovereenkomst immers bedrijfsmatig zodat op Rabobank niet vanzelfsprekend de plicht rustte hem – zoals bij particulieren wel het geval is – meer dan gebruikelijk te wijzen op de risico’s van de overeenkomst en hem daarmee (extra) te beschermen tegen eigen lichtvaardigheid of ondeskundigheid. Bovendien strekt de zorgplicht van Rabobank niet zodanig ver dat zij ook alert had moeten zijn op de bevoegdheidsbeperking van de vennoot. Uit artikel 7A:1681 BW volgt immers dat een vennoot die namens de vennootschap handelt altijd – en dus ook bij overschrijding van zijn bevoegdheid – in ieder geval zelf gebonden is aan de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien. Gelet daarop ligt de verantwoordelijkheid om binnen de grenzen van zijn bevoegdheid te handelen bij de vennoot zelf en niet bij de derde met wie die vennoot een overeenkomst sluit. Het had dus juist op de weg van [gedaagde 1] gelegen stil te staan bij de reikwijdte van zijn bevoegdheid tot handelen en ook daarnaar te handelen bij het namens de vennootschap aangaan van rechtsbetrekkingen met Rabobank.

5.3. Aangezien de gedaagden geen verweer hebben gevoerd tegen de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten, is dat gedeelte van de vordering jegens hen

voor toewijzing vatbaar.

5.4. De gevorderde rente is in zoverre toewijsbaar dat over de hoofdsom alleen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW kan worden toegewezen, nu in casu geen sprake is van een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW .

5.5. De vordering ingesteld jegens [gedaagde 4] komt niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

5.6. De rechtbank zal, gelet op wat zij onder 5.2.2. heeft overwogen, iedere verdere beslissing aanhouden.

6. De beslissing

De rechtbank

alvorens verder te beslissen,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 juli 2011 voor het nemen van een akte door Rabobank als hiervoor bedoeld onder 5.2.2.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.?

2234/204?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature