Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Agent veroordeeld voor artikel 6 WVW wegens het veroorzaken van een dodelijk ongeval tijdens de uitoefening van zijn politietaak.

Vrijspraak van doodslag in het verkeer. Bewezenverklaring zeer onvoorzichtig rijgedrag."

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.702359-10 (P)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

domicilie kiezende op het Politiebureau Bergen, Joost Ivanghlaan 2, 1862 GJ Bergen (NH).

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 juni 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R.A.A. Kool, advocaat te Alkmaar, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

Primair hij op of omstreeks 19 mei 2010 in de gemeente Alkmaar opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet (in een poging om die [slachtoffer] niet te laten ontsnappen) met een door hem, verdachte, bestuurde politieauto ingereden op die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] aangereden (die op dat moment uit, voor verdachte, tegenovergestelde richting naderde op een snorfiets), waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (uiteindelijk) is gedood;

Subsidiair hij op of omstreeks 19 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een politieauto, daarmede rijdende over de weg, te weten de Honthorstlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, het volgende te doen en/of na te laten:

Verdachte is ter assistentie bij een aanhouding van verschillende personen ter zake van de verdenking van openlijke geweldpleging aan komen rijden over de Van Ostadelaan. Ter plaatse aangekomen is de bijrijder, agent [verbalisant], uitgestapt ten einde een vluchtende persoon staande- dan wel aan te houden. Verdachte is met zijn auto omgereden. Op enig moment kreeg verdachte de melding dat een persoon op een bromfiets (naar later bleek het slachtoffer [slachtoffer] op een snorfiets) er vandoor ging. Verdachte heeft met zijn auto een omtrekkende beweging gemaakt ten einde die [slachtoffer] staande dan wel aan te kunnen houden. Kort hierop kreeg verdachte via de mobilofoon te horen dat die [slachtoffer] was gesignaleerd nabij de brug bij de kruising tussen de Van Ostadelaan en de Bloemaertlaan. Verdachte kreeg over de mobilofoon te horen dat [slachtoffer] zijn collega stond uit te dagen. Tevens werd een waarschuwing gegeven: "maak er geen spelletje van, je ziet hoe gek hij doet". Op het moment dat [slachtoffer] zijn weg vervolgde bevond verdachte zich op of nabij de kruising van de Terborchlaan met de Honthorstlaan. [slachtoffer] vervolgde zijn weg en reed met hoge snelheid de Honthorstlaan in. Verdachte reed op zijn beurt vanaf de andere zijde ook de Honthorstlaan in, [slachtoffer] tegemoet. Verdachte trok op tot een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Verdachte voerde geen optische en/of geluidssignalen noch het rode stoptransparant. Verdachte en [slachtoffer] bleven elkaar naderen met hoge snelheid, althans met een snelheid die (ver) boven de ter plaatse maximaal toegestane snelheid lag. Verdachte heeft toen niet zijn politieauto (tijdig) (duidelijk zichtbaar als politieauto) tot stilstand gebracht en/of gepositioneerd als een stilstaande blokkade op de weg. In plaats van zijn voertuig tot stilstand te (kunnen) brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was en in plaats van zoveel mogelijk rechts te houden heeft verdachte, op het moment dat zijn voertuig en [slachtoffer] elkaar (zeer) dicht genaderd waren en/of ten einde [slachtoffer] tot stoppen te dwingen en/of (kennelijk) in een poging om een aanrijding te voorkomen, zijn voertuig naar links gestuurd, de stoep op waarna hij met zijn voertuig is op- dan wel aangereden tegen [slachtoffer], waardoor deze ten val kwam en (uiteindelijk) tegen een boom tot stilstand kwam, waardoor [slachtoffer] (uiteindelijk) werd gedood.

Door zich zo te gedragen heeft verdachte (bovendien) gehandeld in strijd met de Beschikking houdende vrijstelling van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, nr RVR172392, d.d. 31 maart 1994, inhoudende dat een politieagent dusdanig moet rijden dat de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. Meer subsidiair hij op of omstreeks 19 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als bestuurder van een politieauto daarmee rijdende op de weg, te weten de Honthorstlaan, het volgende heeft gedaan en/of heeft nagelaten:

Verdachte is ter assistentie bij een aanhouding van verschillende personen ter zake van de verdenking van openlijke geweldpleging aan komen rijden over de Van Ostadelaan. Ter plaatse aangekomen is de bijrijder, agent [verbalisant], uitgestapt ten einde een vluchtende persoon staande- dan wel aan te houden. Verdachte is met zijn auto omgereden. Op enig moment kreeg verdachte de melding dat een persoon op een bromfiets (naar later bleek het slachtoffer [slachtoffer] op een snorfiets) er vandoor ging. Verdachte heeft met zijn auto een omtrekkende beweging gemaakt ten einde die [slachtoffer] staande dan wel aan te kunnen houden. Kort hierop kreeg verdachte via de mobilofoon te horen dat die [slachtoffer] was gesignaleerd nabij de brug bij de kruising tussen de Van Ostadelaan en de Bloemaertlaan. Verdachte kreeg over de mobilofoon te horen dat [slachtoffer] zijn collega stond uit te dagen. Tevens werd een waarschuwing gegeven: "maak er geen spelletje van, je ziet hoe gek hij doet". Op het moment dat [slachtoffer] zijn weg vervolgde bevond verdachte zich op of nabij de kruising van de Terborchlaan met de Honthorstlaan. [slachtoffer] vervolgde zijn weg en reed met hoge snelheid de Honthorstlaan in. Verdachte reed op zijn beurt vanaf de andere zijde ook de Honthorstlaan in, [slachtoffer] tegemoet. Verdachte trok op tot een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Verdachte voerde geen optische en/of geluidssignalen noch het rode stoptransparant. Verdachte en [slachtoffer] bleven elkaar naderen met hoge snelheid, althans met een snelheid die (ver) boven de ter plaatse maximaal toegestane snelheid lag. Verdachte heeft toen niet zijn politieauto (tijdig) (duidelijk zichtbaar als politieauto) tot stilstand gebracht en/of gepositioneerd als een stilstaande blokkade op de weg. In plaats van zijn voertuig tot stilstand te (kunnen) brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij was en in plaats van zoveel mogelijk rechts te houden heeft verdachte, op het moment dat zijn voertuig en [slachtoffer] elkaar (zeer) dicht genaderd waren en/of ten einde [slachtoffer] tot stoppen te dwingen en/of (kennelijk) in een poging om een aanrijding te voorkomen, zijn voertuig naar links gestuurd, de stoep op waarna hij met zijn voertuig is op- dan wel aangereden tegen [slachtoffer], waardoor deze ten val kwam en (uiteindelijk) tegen een boom tot stilstand kwam, waardoor [slachtoffer] (uiteindelijk) werd gedood.

Door zich zo te gedragen heeft verdachte (bovendien) gehandeld in strijd met de Beschikking houdende vrijstelling van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, nr RVR172392, d.d. 31 maart 1994, inhoudende dat een politieagent dusdanig moet rijden dat de veiligheid van het verkeer zoveel mogelijk wordt gewaarborgd.

Door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 19 mei 2010 krijgen verdachte en zijn collega [verbalisant], rijdend in een politieauto gedurende de uitoefening van hun functie als politieagent, de opdracht te gaan naar de Bergerweg te Alkmaar, alwaar een groep van ongeveer tien personen vernielingen aan het plegen zou zijn. Nadat zijn collega [verbalisant] is uitgestapt om een verdacht persoon te voet te volgen, ziet verdachte een persoon op een scooter (hierna ook te noemen: snorfiets) over de Frans Mentonstraat in zijn richting rijden. Verdachte heeft verklaard op dat moment via de portofoon te hebben gehoord ‘dat de bestuurder van de scooter er ook bij hoort’. Nadat verdachte kort daarop via de portofoon van zijn collega [verbalisant] hoort dat de snorfietser bij de Molen staat, begeeft verdachte zich naar de kruising van de Terborchlaan en de Honthorstlaan. Verdachte ziet de snorfietser, naar later blijkt [slachtoffer] (hierna ook te noemen: [slachtoffer]), aan de andere zijde de Honthorstlaan inrijden. Op dat moment trekt verdachte met zijn politieauto op. Op de Honthorstlaan rijden [slachtoffer] en verdachte op elkaar af. Op enig moment sturen beiden, ter hoogte van het parkeerterrein van het flatgebouw Hoeverzicht, hun voertuigen hetzelfde trottoir op. Aldaar is [slachtoffer] in aanraking gekomen met de auto van verdachte. Als uiteindelijk gevolg van de aanrijding is [slachtoffer] op 2 juni 2010 overleden.

De rechtbank zal dienen te beoordelen of verdachte [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke vorm, van het leven heeft beroofd door met zijn voertuig tegen die [slachtoffer] aan te rijden.

Indien de rechtbank tot de slotsom komt dat dit niet het geval is, zal de rechtbank moeten beoordelen of bewezen kan worden verklaard dat een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is overleden.

Indien de rechtbank niet tot een zodanige bewezenverklaring komt, staat ten slotte ter beoordeling of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in gevaar brengen van het verkeer als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 .

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] in die zin dat hij het slachtoffer moedwillig, met gebruikmaking van zijn dienstvoertuig, van zijn snorfiets heeft gereden. De officier van justitie acht evenmin bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de snorfietser zou aanrijden, zodat ook van voorwaardelijk opzet in de visie van de officier van justitie geen sprake is. De officier van justitie stelt daartoe dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij naar links heeft gestuurd juist om een aanrijding te voorkomen, niet met bewijsmiddelen kan worden weerlegd. Gelet daarop vraagt de officier van justitie de rechtbank verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat wel kan worden bewezen dat een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft kort voor de botsing 52 km/u gereden waar 30 km/u was toegestaan. Uitgangspunt is weliswaar dat voor een politieagent de vrijstellingsregeling van de bepalingen van het RVV geldt, maar daarbij dient de veiligheid van het verkeer altijd zoveel mogelijk te worden gewaarborgd. Dat laatste is niet gebeurd. Verdachte heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht en is voorts uitgeweken naar links, hetgeen een verkeerde inschatting blijkt te zijn geweest nu ook het slachtoffer naar die kant uitweek.

De officier van justitie meent dat verdachte kan worden verweten dat hij zich in een zodanige positie heeft gemanoeuvreerd dat het verkeerd is afgelopen. Daar komt bij dat verdachte niet heeft gekozen voor een proportioneel middel om [slachtoffer] staande te houden. De officier van justitie merkt daarbij op dat op een politieagent een extra zorgplicht rust om met dit soort moeilijke situaties om te gaan, hetgeen bijdraagt aan de verwijtbaarheid van verdachte.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de aaneenschakeling van de door verdachte gemaakte verkeersfouten en inschattingsfouten dient te worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig handelen.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de uit de feitelijke gedragingen blijkende wil van verdachte om een aanrijding te voorkomen, lijnrecht staat tegenover het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer bij een aanrijding zou komen te overlijden. Voorts voert de raadsman aan dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop.

Ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

De raadsman betwist de uitkomsten van het door het NFI uitgevoerde onderzoek, voor zover inhoudende dat verdachte optrok tot een snelheid van ongeveer 50 km/u. Hij wijst daarbij op pagina 21 van het rapport van het NFI waarin wordt aangegeven dat het tachosignaal bij snelheden van onder de 50 km/u wat te hoog kan zijn. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de gereden snelheid waarschijnlijk lager heeft gelegen dan waartoe op basis van het onderzoek van het NFI wordt geconcludeerd en dat overigens slechts een seconde met die snelheid is gereden. Tevens is de raadsman van mening dat de gereden snelheid onder genoemde omstandigheden op zichzelf genomen niet als gevaarzettend kan worden aangemerkt en evenmin in strijd is met de voor de politie geldende vrijstelling van de RVV-bepalingen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat artikel 19 RVV in het onderhavige geval niet ter zake doet. De regel die voorschrijft dat voldoende afstand moet worden gehouden tot het verkeer dat voor je rijdt, heeft geen betrekking op de situatie dat een tegenligger met een snelheid van ongeveer 50 km/u tegemoet komt rijden. Dat verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden is evenmin redengevend voor het bewijs, nu verdachte rekening had te houden met de aan de rechterzijde van de weg geparkeerde auto’s en hij bovendien gebruik maakte van de hem verleende vrijstelling.

Gelet op het voorgaande is de raadsman van mening dat niet is gebleken van zodanig roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag, dat een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval is ontstaan.

Tot slot stelt de raadsman zich op het standpunt dat het overlijden van het slachtoffer niet aan de schuld van verdachte te wijten is. Aangenomen kan worden dat - wanneer het slachtoffer wel een helm zou hebben gedragen, hij zou hebben geremd en/of een snelheid zou hebben gehad niet hoger dan de toegestane constructiesnelheid van de snorfiets - het ongeval niet zou zijn gebeurd of in elk geval niet een zo tragische afloop zou hebben gehad, aldus de raadsman van verdachte.

Onder verwijzing naar hetgeen over de schuld is opgemerkt, bepleit de verdediging ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde met een beroep op afwezigheid van alle schuld dat verdachte van dit feit wordt vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 19 mei 2010 rijdt een snorfietser, naar later blijkt: [slachtoffer], de Honthorstlaan in. Als verdachte, die op dat moment aan de andere zijde van de Honthorstlaan op de kruising met de Terborchlaan in zijn dienstauto staat te wachten, de snorfietser op de Honthorstlaan ziet rijden, trekt hij zeer krachtig op. Verdachte en [slachtoffer] rijden elkaar op de Honthorstlaan tegemoet waarbij zij beiden op enig moment een snelheid van ongeveer 50 km/u bereiken. Bijna twee seconden voor de botsing, zet verdachte bij een snelheid van circa 52 km/u een zeer krachtige remming in en stuurt zijn voertuig naar links het trottoir op. Zijn snelheid is op het moment van het oprijden van de trottoirband circa 32 km/u. [slachtoffer] stuurt met zijn snorfiets – vanuit zijn rijrichting gezien – naar rechts. Ter hoogte van de flat Hoeverzicht komt de politieauto van verdachte op het trottoir in aanraking met [slachtoffer]. Als gevolg van deze aanrijding komt [slachtoffer] ten val tegen een boom. Op 2 juni 2010 overlijdt [slachtoffer] aan zijn verwondingen.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Gelet op de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden acht de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsman – niet bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Verdachte heeft verklaard dat hij de snorfietser tegemoet reed op de Honthorstlaan en dat hij zich op enig moment realiseerde dat de snorfietser niet zou stoppen. De beslissing die verdachte op dat moment en onder de hierboven weergegeven omstandigheden heeft genomen om zeer krachtig te remmen en naar links te sturen in de richting van het trottoir, ongeacht of het tweede deel van die beslissing is genomen om uit te wijken of om dat deel van de weg voor de snorfietser te blokkeren, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de slotsom te rechtvaardigen dat verdachte bewust heeft aanvaard de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door het insturen naar links zou komen te overlijden.

Gelet op het voorgaande beantwoordt de rechtbank de eerst gestelde vraag, namelijk of verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, ontkennend, en zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde doodslag.

Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

De volgende door de rechtbank te beoordelen vraag is of een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verdachte is, na hard optrekken, met een snelheid van ongeveer 50 km/u, aanzienlijk hoger dan ter plaatse is toegestaan , rijdend op het midden van de weg op de snorfietser afgereden. Verdachte heeft, toen hem duidelijk werd dat [slachtoffer] niet stopte, een krachtige remming ingezet en vervolgens is verdachte tijdens dit afremmen plotseling van richting veranderd door sterk naar links te sturen, het trottoir op. De rechtbank stelt vast dat de rijbaan van de Honthorstlaan ter plaatse een breedte heeft van 6,80 meter en dat de snorfietser en de politieauto elkaar derhalve over de weg konden passeren, ook indien verdachte op het midden van de weg zou rijden. De rechtbank constateert op grond daarvan dat het voor verdachte niet noodzakelijk was uit te wijken naar het trottoir om de snorfietser te kunnen laten passeren. Hieraan doet niet af de aanwezigheid van een geparkeerde auto, aangezien de parkeervakken zich naast bedoelde rijbaan bevinden.

Verdachte heeft verklaard dat de snorfietser een beweging (vanuit het oogpunt van verdachte) naar rechts maakte en dat hij daarom besloot naar links te sturen. De rechtbank constateert dat verdachte er niet voor heeft gekozen om zijn auto enigszins naar links te sturen teneinde de snorfietser beter gelegenheid te geven om te passeren, maar dat verdachte door zijn handelen feitelijk de eigen weghelft voor de snorfietser volledig heeft geblokkeerd. Door aldus te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zeer onvoorzichtig gehandeld.

De rechtbank neemt bij het voorgaande in aanmerking dat op verdachte, juist omdat hij politieagent is, een verhoogde zorgplicht rust om de veiligheid in het verkeer te waarborgen.

Vrijstelling RVV-bepalingen

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte in zijn hoedanigheid van politieagent in beginsel gerechtigd is om bepalingen van het RVV te overtreden in de uitoefening van zijn dienst, zodat de overschrijding van de maximumsnelheid en de beschuldiging dat verdachte onvoldoende afstand heeft gehouden niet redengevend zijn voor de vaststelling van schuld.

De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Aan politieagenten is in de Beschikking houdende vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVR172392) van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 maart 1994 vrijstelling verleend van de bepalingen van het RVV 1990. Daarbij zijn echter aan de uitoefening van bevoegdheden, ontleend aan deze vrijstelling, de volgende voorschriften verbonden:

a. de veiligheid van het verkeer dient zoveel mogelijk te worden gewaarborgd;

b. van de vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de uitvoering van de opgedragen taken noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het voor verdachte in het kader van de uitvoering van de hem opgedragen taken noodzakelijk was gebruik te maken van de hiervoor genoemde vrijstelling. Verdachte is met een onverantwoord hoge snelheid – ter plaatse gold een maximumsnelheid van 30 km/u – rijdend op het midden van de weg op [slachtoffer] afgereden. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op die manier wilde laten zien en horen dat hij, verdachte, er aan kwam. Verdachte ging ervan uit, dat [slachtoffer] wel zou stoppen, waarna een aanhouding zou kunnen volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door zo te handelen, op onverantwoorde wijze zijn dienstvoertuig ingezet als instrument om een verkeersdeelnemer tot stoppen te bewegen.

Verdachte heeft zich bovendien in een situatie gebracht waarin hij, zeer kort voorafgaand aan de aanrijding, een inschattingsfout heeft gemaakt bij zijn plotselinge stuurcorrectie. Gelet op de door verdachte genoemde grondslag voor zijn voornemen om de bestuurder van de snorfiets staande te houden kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat het handelen van verdachte in overeenstemming was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze beginselen dienen, bij het beoordelen van de noodzaak om van de vrijstelling van de RVV bepalingen gebruik te maken, in ogenschouw te worden genomen. Verdachte heeft dat naar het oordeel van de rechtbank nagelaten. Voor zover hij meende dat hij de bepalingen van het RVV, waaronder de snelheidsbepalingen, niet in acht hoefde te nemen, is dat derhalve ten onrechte.

Het kan verdachte worden aangerekend dat hij zich door zijn wijze van rijden in een situatie heeft gebracht waarin hij, zeer kort voorafgaand aan de aanrijding, een inschattingsfout heeft gemaakt bij zijn plotselinge stuurcorrectie.

De rechtbank gaat uit van de door het NFI vastgestelde snelheid van de dienstauto. Wat betreft de betwisting van de door het NFI vastgestelde snelheid ziet de raadsman naar het oordeel van de rechtbank over het hoofd, dat de door het NFI bedoelde waarneming optrad bij de krachtige remming en niet van toepassing is bij de voordien gemeten snelheden.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij het standpunt van de raadsman, inhoudende dat artikel 19 RVV niet van toepassing is in de onderhavige situatie waarin verdachte en [slachtoffer] op elkaar afreden, onderschrijft. Overigens doet dit niet af aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden.

Causaliteit

Uit de feiten en omstandigheden is gebleken dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval aan verdachte kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van dat de door de raadsman genoemde gedragingen van het slachtoffer – waaronder diens snelheid, alcoholgebruik en het niet dragen van een helm – het causale verband tussen het handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer zouden doorbreken.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Subsidiair hij op 19 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een politieauto, daarmede rijdende over de weg, de Honthorstlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig, het volgende te doen:

[slachtoffer] reed met hoge snelheid de Honthorstlaan in. Verdachte reed vanaf de andere zijde ook de Honthorstlaan in, [slachtoffer] tegemoet. Verdachte trok op tot een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Verdachte en [slachtoffer] bleven elkaar naderen met hoge snelheid. Verdachte heeft toen niet zijn politieauto tijdig tot stilstand gebracht. Verdachte heeft, op het moment dat zijn voertuig en [slachtoffer] elkaar dicht genaderd waren en ten einde [slachtoffer] tot stoppen te dwingen of in een poging om een aanrijding te voorkomen, zijn voertuig naar links gestuurd, de stoep op, waarna hij met zijn voertuig is aangereden tegen [slachtoffer], waardoor deze ten val kwam en tegen een boom tot stilstand kwam, waardoor [slachtoffer] (uiteindelijk) is overleden.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

Overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – uitgaande van een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde in een lagere schuldvariant – gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd, daartoe stellende dat verdachte niet kan worden beschouwd als een verkeerscrimineel die voorlopig niet aan het verkeer zou mogen deelnemen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

Oordeel van de rechtbank

Door zeer onvoorzichtig te handelen heeft een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Verdachte moet ernstig worden aangerekend dat hij, tijdens de uitoefening van zijn politietaak, zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers onvoldoende in acht heeft genomen.

Door het handelen van verdachte en de daardoor ontstane gevolgen is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, die hun zoon en broer op jonge leeftijd hebben verloren. Ter terechtzitting hebben de nabestaanden kenbaar gemaakt hoezeer de gevolgen hiervan blijven doorwerken in het gezin. De rechtbank beseft dan ook dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden vermoedelijk hun leven lang nog zullen ervaren.

De rechtbank grondt de op te leggen straf op de ernst van het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitieel Documentatieregister, gedateerd 11 april 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een verkeersdelict en evenmin voor enig ander strafbaar feit;

- het over de verdachte uitgebrachte rapport, gedateerd 8 juni 2011, van A. Belhadj als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, waaruit onder meer is gebleken dat verdachte door de gebeurtenis lijdt aan een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) en de dramatische gebeurtenis ook thans nog niet heeft kunnen verwerken.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het ongeval ook voor verdachte reeds ingrijpende gevolgen heeft gehad. Sinds het ongeval werkt verdachte niet langer op straat als politieagent, wat voor verdachte ook in financieel opzicht gevolgen heeft. Daarbij komt dat verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat door zijn toedoen een persoon om het leven is gekomen. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte daar grote moeite mee heeft, hetgeen ook in zijn privéleven doorwerkt.

Alles in overweging nemende oordeelt de rechtbank dat een werkstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de hoogte van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf geen recht aan de ernst van het aan verdachte te maken verwijt en acht de oplegging van een werkstraf van nader te noemen duur passend en geboden.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank, reeds gelet op de bewezenverklaring van een hogere schuldvariant zijnde een grove verkeersfout, van oordeel dat een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te worden opgelegd.

De rechtbank heeft daarbij als uitgangspunt genomen de oriëntatiepunten straftoemeting, zoals deze zijn vastgesteld in het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken.

Daarnaast acht de rechtbank deze bijkomende straf ook in deze zaak passend en geboden om de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersovertredingen te benadrukken. De rechtbank tekent daarbij aan dat zij het zorgwekkend acht dat verdachte, ondanks het gegeven dat hij naar het oordeel van de rechtbank zeer onvoorzichtig heeft gereden met noodlottige gevolgen voor het slachtoffer, zelf (ook achteraf) van mening is dat hem geen blaam treft en dat hij niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om de duur van de ontzegging te beperken tot een jaar.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [ouders slachtoffer], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding, welke vordering op de terechtzitting door de raadsman van de benadeelde partij, mr. M.I.A. Witlox, is bijgesteld tot een bedrag van € 13.411,70 wegens materiële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd deze vordering toe te wijzen tot een bedrag van

€ 9.271,70 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige, zijnde de geleden schade met betrekking tot de omzetderving als gevolg van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair voert de raadsman aan dat de vordering dient te worden afgewezen gelet op de eigen schuld van het slachtoffer.

Beoordeling door de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Gelet op het bepaalde in artikel 51a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in samenhang met artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (B.W.) komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Ten aanzien van de omvang van deze kosten is uit het onderzoek ter terechtzitting van het volgende gebleken.

De kosten van lijkbezorging belopen blijkens een aan het voegingsformulier gehechte brief van de Islamitische Stichting Nederland, d.d. 6 juni 2011: € 3.909,52. De raadsman van de benadeelde partij, mr. M.I.A. Witlox, heeft bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting te kennen gegeven dat de kosten niet door een verzekering zijn vergoed, maar dat deze kosten bij wijze van tijdelijke hulpverlening door de Islamitische Stichting Nederland zijn voorgeschoten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de vordering tot vergoeding van deze kosten voor toewijzing vatbaar.

Daarnaast is vergoeding van de kosten van de vliegtickets naar Turkije gevorderd voor een bedrag van € 1.400,-. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten een rechtstreeks gevolg van de omstandigheid dat de overledene in het land van herkomst is begraven. Deze kosten merkt de rechtbank aan als te zijn in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene.

Ook de kosten van de overlijdensadvertentie, te weten € 1.058,58, rekent de rechtbank tot de kosten voor lijkbezorging.

De benadeelde partij heeft tevens een bedrag van € 4.140,- gevorderd, wegens omzetderving als gevolg van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet behoren tot de kosten van lijkbezorging en ook overigens – gelet op artikel 51a, tweede lid, Sv in samenhang met artikel 6:108 B.W. – niet voor vergoeding in aanmerking komen. Nu een wettelijke basis voor toewijzing van deze kosten ontbreekt, zal de rechtbank dit gedeelte van de vordering afwijzen.

Tot slot heeft de benadeelde partij de gemaakte kosten ten behoeve van rechtsbijstand gevorderd. Gelet op de aan het voegingsformulier gehechte declaratiestaten van mr. Witlox begroot de rechtbank de kosten voor de rechtsbijstand tot op heden op € 2.903,60.

Nu gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.368,10, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken, tot op heden begroot op € 2.903,60

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de mate van eigen schuld van het slachtoffer reden is om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

Vast staat dat het slachtoffer ten tijde van het ongeval geen helm droeg, terwijl hij met de snorfiets aanzienlijk harder reed dan 25 km/u. Het is een feit van algemene bekendheid dat het rijden met een dergelijke snelheid zonder helm op de kans op (ernstig) hoofdletsel bij een ongeval aanzienlijk vergroot. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van de gevolgen van het aan verdachte toe te rekenen ongeval het achterwege laten van de toepassing van een billijkheidscorrectie op de vordering van de nabestaanden rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelt dat verdachte de hierboven vastgestelde schade volledig dient te vergoeden.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de nabestaanden van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde [ouders slachtoffer]. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 70 (zeventig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

• Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [ouder slachtoffer] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 6.368,10 (zesduizend driehonderdachtenzestig euro en tien cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot op heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op € 2.903,60 (tweeduizend negenhonderddrie euro en zestig cent).

Wijst de vordering voor het overige af.

• Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [ouder slachtoffer] te betalen een som geld ten bedrage van € 6.368,10 (zesduizend driehonderdachtenzestig euro en tien cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 66 (zesenzestig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Lolkema, voorzitter,

mr. S.M. Jongkind-Jonker en mr. P.H.B. Littooy, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2011.

Mr. P.H.B. Littooy is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature