Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing bijstand. Geen rechtmatig verblijf in Nederland.

Geen strijd met artikel 8 EVRM en (niet een ieder verbindende) artikelen 13 ESH en 11 en 13 IVESCR. Geen verboden onderscheid naar nationaliteit als bedoeld in artikel 14 EVRM. Terugkeerrichtlijn niet van toepassing. Geen sprake van terugkeerbesluit. Geen willekeur.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5813 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J. Klaas,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.H.M. Diderich.

Procesverloop

Bij primair besluit van 23 juni 2010 heeft verweerder de van 29 maart 2010 daterende aanvraag van eiseres om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Bij besluit van 3 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2011.

Eiseres is vertegenwoordigd door mr. J. Klaas, voornoemd. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

Vaststelling van de feiten

1.1. Eiseres verblijft sinds 2001 zonder verblijfstitel in Nederland. Zij stelt in het bezit te zijn geweest van de Oekraïense nationaliteit. Deze zou zij in 1991, toen zij nog woonachtig was in Estland, hebben verloren. Eiseres is niet in het bezit van de Estse nationaliteit.

1.2. Eiseres heeft drie kinderen. Dochter [dochter], geboren in 2002, heeft een ernstige, zeldzame ziekte. Sinds 2007 wonen eiseres en [dochter] in Amsterdam. Verschillende procedures om een verblijfsvergunning hebben geen voor eiseres gunstig resultaat gehad.

Tot 1 september 2010 verbleven eiseres en [dochter] in het Jeannette Noël huis, waarbij zij leefgeld ontvingen uit de ondertoezichtstelling van [dochter]. Per 1 september 2010 is eiseres en [dochter] opvang en leefgeld geboden. Eiseres heeft op 29 maart 2010 voor haarzelf en [dochter] een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wwb.

1.3. In beroep stelt eiseres dat zij en [dochter] niet kunnen bestaan van € 60,- leefgeld per week. Dit is evident minder dan de in Nederland maatschappelijk aanvaardbare minimumnorm (90% van de bijstand). Verweerder moet aan eiseres normbijstand toekennen. Daarbij heeft eiseres verwezen naar artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres beroept zich tevens op het Europees Sociaal Handvest (ESH), het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR), alsmede op de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn). Ter zitting is benadrukt dat aan eiseres een bijstandsuitkering dient te worden toegekend, zoals aan anderen die in behoeftige omstandigheden verkeren. Het ontbreken van een verblijfstitel mag daaraan niet in de weg staan.

Beoordeling van het geschil

2.1. Volgens vaste rechtspraak bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. De te beoordelen periode is in dit geding dan ook de periode van 29 maart 2010 tot en met 23 juni 2010.

2.2. Niet in geschil is dat eiseres in de periode in geding geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de Wwb en dat haar naar nationaal recht om die reden geen bijstand kan worden verleend.

2.3. In het geval van eiseres is schending van artikel 8 van het EVRM door het bestreden besluit niet aan de orde, ook niet indien de kwetsbare positie van [dochter] in ogenschouw wordt genomen. De Centrale Raad van Beroep (Raad) heeft in zijn uitspraak van 19 april 2010 (te vinden op www.rechtspraak.nl, onder LJN BM1992) geoordeeld dat - ook - indien een betrokkene geacht wordt te behoren tot de categorie van kwetsbare personen die gelet op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven, hij geen aanleiding ziet artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing te laten.

De rechtbank voegt daar nog aan toe dat eiseres en [dochter] in de periode hier in geschil overigens feitelijk over opvang en leefgeld beschikten.

2.4. Wat betreft het (overigens niet verder onderbouwde) beroep van eiseres op het ESH en het IVESCR verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Raad van 18 juni 2004 (te vinden op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer AP4680). Daarin is geoordeeld dat artikel 13 van het ESH en de artikelen 11 en 13 van het IVESCR niet een ieder verbindende bepalingen zijn in de zin van artikel 94 van de Grondwet . Eiseres kan daarop in dit geding dan ook geen succesvol beroep doen.

2.5. Ter zitting is namens eiseres benadrukt dat zij aanspraak wenst te maken op normbijstand als andere bijstandsgerechtigden. De rechtbank vat dit op als een beroep op (ook) artikel 14 van het EVRM dan wel artikel 1 van het twaalfde Protocol bij het EVRM.

2.6. De artikelen 11, tweede en derde lid, en 16, tweede lid, van de Wwb vinden hun oorsprong in de Koppelingswet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder andere de uitspraak van 26 juni 2001, LJN: AB2276, en van 11 juni 2009, LJN: BI9325) is bij wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend, welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde.

2.7. Naar vaste rechtspraak van het EHRM dient voor een onderscheid naar nationaliteit sprake te zijn van “very weighty reasons” wil dat onderscheid gerechtvaardigd zijn.

Eveneens naar vaste rechtspraak van het EHRM komt echter waar het betreft de toepassing van artikel 8 van het EVRM bij de besteding van publieke middelen (zoals het al dan niet verlenen van een bijstandsuitkering) aan de individuele staat (zoals Nederland) een extra ruime “margin of appreciation” toe.

Juist bij aanspraken als hier in geding zal een afwijzing die is gegrond op een (wettelijk verankerd) onderscheid naar nationaliteit, ondanks de algemene eis van het bestaan van ”very weighty reasons” voor het gemaakte onderscheid, dan ook minder snel tot het oordeel van schending van artikel 14 (jo. artikel 8) van het EVRM , dan wel van artikel 1 van het twaalfde Protocol bij het EVRM kunnen leiden dan wanneer het gaat om de uitoefening van klassieke vrijheidsrechten.

2.8. In de onder 2.6 genoemde rechtspraak heeft de Raad overwogen dat een staat, binnen internationaalrechtelijke grenzen, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Naar het oordeel van de Raad is evenzeer aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt om aanspraak te kunnen maken op uitkering ingevolge de Abw (thans: de Wwb). Hierbij sluit aan de doelstelling van de koppelingswetgeving, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen. Een dergelijke aanspraak kan immers een aanzet vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft. Het uitgangspunt van de koppelingswetgeving stuit wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op bedenkingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover in dit geval anders te oordelen.

2.9. De rechtbank voegt daar nog aan toe, dat ook andere leden van de Raad van Europa bepalingen binnen de sociale zekerheid kennen die vergelijkbaar zijn met de Koppelingswet en de daarop gebaseerde bijzondere wetsbepalingen. De hier aan de orde zijnde wettelijke uitsluiting maakt dus deel uit van een binnen Europa meer gebruikelijke praktijk.

Daaraan voegt de rechtbank nog toe, dat de al dan niet legale status van betrokkene ook binnen het EVRM door het EHRM relevantie wordt toegekend (zie het EHRM-arrest van 27 mei 2008 (N. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRC 2008/91).

2.10. Van een ongeoorloofd onderscheid naar nationaliteit is volgens de rechtbank dan ook geen sprake.

2.11. Eiseres stelt tot slot dat het aan eiseres verstrekte leefgeld en de verschafte opvang niet (rechtstreeks) zijn gebaseerd op nationale wetgeving. Dat kan ertoe leiden dat sprake is van willekeur, en dat is onrechtmatig. Eiseres beroept zich hiertoe op de Terugkeerrichtlijn.

2.12. De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit niet ziet op de verstrekking van leefgeld en opvang aan eiseres, maar de weigering van bijstand tot onderwerp heeft.

2.13. Voorts overweegt de rechtbank dat in dit geding niet een terugkeerbesluit (als genoemd in de Terugkeerrichtlijn) voorligt. Het beroep op de Terugkeerrichtlijn en de gestelde gebrekkige of ontbrekende implementatie daarvan kan eiseres in dit geding dan ook niet baten, nog daargelaten of (zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft gesteld) met de term “nationale wetgeving” onder punt 12 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn wordt gedoeld op via een wet als de Awb bij de bestuursrechter tegenover een orgaan als verweerder afdwingbare aanspraken op elementaire voorzieningen, waarvan de gemachtigde van eiseres uitgaat.

2.14. Ten slotte overweegt de rechtbank nog dat de gestelde vrees voor willekeur op geen enkele wijze is onderbouwd, en dat geenszins aannemelijk is gemaakt dat juist eiseres daarvan de dupe is geworden.

2.15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter,

in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature