Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Op grond van Luchtvaartwet is ontheffing verleend aan Den Helder Airport C.V. voor 3.000 vliegtuigbewegingen per jaar. Beroep, gericht tegen met besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk nu inmiddels een besluit is genomen. Bij bedoeld besluit is het bezwaar van college b&w Texel terecht niet-ontvankelijk verklaard. In de Luchtvaartwet valt naar het oordeel van de rechtbank geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat ter zake van het verlenen van een ontheffing als in het onderhavige geval aan de orde, aan het college van b&w (van in dit geval de gemeente Texel) bevoegdheden zijn toegekend of overgedragen. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat bij het besluit van verweerders belangen zijn betrokken die ingevolge de Luchtvaartwet aan het college van b&w zijn toevertrouwd. De omstandigheid dat aan gemeentebesturen in algemene zin taken op het terrein van veiligheid voor burgers, volksgezondheid en milieu toekomen, is onvoldoende om te kunnen spreken van de “hun toevertrouwde belangen” als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb . De in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet neergelegde algemene taakomschrijving vormt op zichzelf onvoldoende basis voor het aannemen van een aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. De omschrijving strekt zeker niet zover dat het college het tot zijn taak mag rekenen als belangenbehartiger op te treden voor (een deel van) de bewoners van de gemeente. Gelet op voorgaande heeft b&w geen belang bij verleende ontheffing. Beroep ongegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 09/2748 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel,

zetelend te Den Burg,

eiser,

tegen

de minister van Defensie en de minister van Verkeer en Waterstaat (rechtsopvolger: de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu),

verweerders.

Aan het geding neemt tevens deel Den Helder Airport C.V., ontheffinghoudster.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 11 december 2008 is op grond van artikel 33 van de Luchtvaartwet ontheffing verleend aan Den Helder Airport C.V. voor 3.000 vliegtuigbewegingen per jaar door luchtvaartuigen, met uitzondering van vaste vleugelvliegtuigen met schroefaandrijving die lichter zijn dan 6.000 kg die gebruik maken van de tussenkomst, de diensten en de faciliteiten van Den Helder Airport C.V.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 januari 2009 bezwaar gemaakt. Bij brief van

6 november 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Bij brief van 9 november 2009 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van

24 december 2009 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 7 oktober 2010 hebben verweerders het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is, gevoegd met de zaken met procedurenummers 09/2790 en 10/2873, behandeld ter zitting van 6 april 2011. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door [naam1]. Verweerders zijn verschenen bij A. van Heusden, bijgestaan door mr. M. Rus - van der Velde. Namens ontheffinghoudster is verschenen [naam2], bijgestaan door mr. W.D. de Vos.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Motivering

1. Ten aanzien van het beroep, ingediend bij brief van 6 november 2009, gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, overweegt de rechtbank als volgt. Nu dit beroep is ingediend op of na 1 oktober 2009, volgt uit artikel III, tweede lid, van het overgangsrecht van de op 1 oktober 2009 in werking getreden Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, dat afdeling 8.2.4a van de Awb van toepassing is. De rechtbank laat de vraag of het onderhavige beroep voldoet aan de voorwaarden voor het indienen daarvan evenwel in het midden. Daartoe is redengevend dat inmiddels op het bezwaar is beslist, zodat bij een beoordeling van het beroep – hetgeen door eiser ter zitting ook is erkend – geen belang meer bestaat. Het beroep, gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, is dan ook niet-ontvankelijk.

2. Het door eiser op 6 november 2009 ingediende beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 oktober 2010. Bij dat besluit hebben verweerders het door eiser ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet als belanghebbende bij het besluit van 11 december 2008 kan worden aangemerkt. Van een aan hem toevertrouwd belang als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb is geen sprake, aldus verweerder. Verder biedt de in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet neergelegde algemene taakomschrijving, noch enige andere bepaling een afdoende basis voor het aannemen van een zodanig toevertrouwd belang.

3. De rechtbank dient te beoordelen of dat besluit de toets in rechte kan doorstaan. Bij die beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit betrokken is.

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

4. De rechtbank overweegt dat de vraag of kan worden gesproken van een aan een bestuursorgaan als zodanig toevertrouwd belang, moet worden beoordeeld aan de hand van de taken die aan het bestuursorgaan in kwestie zijn opgedragen. Daarvoor is in de eerste plaats de wetgeving bepalend, waaruit voor sommige bestuursorganen ruime en voor andere bestuursorganen beperkte taakpakketten afleidbaar zijn. Het voorgaande volgt uit de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 34.

5. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is genomen op grond van de Luchtvaartwet. In de Luchtvaartwet valt naar het oordeel van de rechtbank geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan moet worden geoordeeld dat in het algemeen, en evenmin in het bijzonder ter zake van het verlenen van een ontheffing als in het onderhavige geval aan de orde, aan het college van burgemeesters en wethouders (van in dit geval de gemeente Texel) bevoegdheden zijn toegekend of overgedragen. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat bij het besluit van verweerders belangen zijn betrokken die ingevolge de Luchtvaartwet aan het college van burgemeester en wethouders zijn toevertrouwd. Anders dan eiser, volgt de rechtbank verweerders in de stelling dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2005 (gepubliceerd op rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer: AV3252) relevant is voor het onderhavige geding. In deze uitspraak vindt de rechtbank steun voor haar oordeel dat de omstandigheid dat aan gemeentebesturen in algemene zin taken op het terrein van veiligheid voor burgers, volksgezondheid en milieu toekomen, onvoldoende is om te kunnen spreken van de “hun toevertrouwde belangen” als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, van de Awb .

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat de in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet neergelegde algemene taakomschrijving op zichzelf onvoldoende basis vormt voor het aannemen van een aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. De omschrijving strekt zeker niet zover dat het college het tot zijn taak mag rekenen als belangenbehartiger op te treden voor (een deel van) de bewoners van de gemeente.

7. Nu eiser geen belang heeft bij de aan ontheffinghoudster verleende ontheffing, hebben verweerders het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 oktober 2010, is ongegrond.

8. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het met een besluit te stellen niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 oktober 2010, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. W.B. Klaus en mr. G.E. Creijghton-Sluijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2011 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature