Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Weigering afgifte VOG. Zedendelict. Toepassing beleidsregels leidt niet tot een ontoelaatbare beperking van het recht op vrije keuze van arbeid, zoals dit in artikel 19, derde lid, van de Grondwet is verankerd. Beleid is niet onredelijk. Subjectief criterium. Weigering afgifte VOG is niet evident disproportioneel.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1680

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 juni 2011 in de zaak tussen

[Eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Teekens),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gronden van de beslissing

1. Bij besluit van 29 december 2010 heeft verweerder het verzoek van eiser om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de benoeming tot leraar bij [scholengemeenschap] afgewezen. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 24 maart 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

2. Eiser betoogt dat de toepassing van de Beleidsregels VOG-NP-RP en IVB 2010 (Stcrt. 2010, 14312; hierna: de Beleidsregels) in zijn geval leidt tot een ontoelaatbare beperking van het recht op vrije keuze van arbeid, zoals dit in artikel 19, derde lid, van de Grondwet is verankerd.

3. Het betoog faalt. Daartoe overweegt de rechtbank dat, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van dit bij amendement Rietkerk in de Grondwet opgenomen wetsartikel (Kamerstukken II 1976/77, 13 873, nr. 3, blz. 28-29; nr. 7, blz. 16-17; nr. 9, blz. 1-3; nr. 13, Handelingen II 1976/77, blz. 1977, 2313-2320, 2428 en 2476) alsmede de notitie Grondrecht van vrijheid van arbeidskeuze (Kamerstukken II 1985/86, 19 376, nr. 2, blz. 5 e.v.), het in artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs neergelegde vereiste van een VOG, zijnde een gestelde voorwaarde aan de kwaliteit van de beroepsuitoefening, een toelaatbare beperking als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Grondwet vormt. Voorts overweegt de rechtbank dat ten aanzien van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008, de versie van het beleid die aan de Beleidsregels voorafging, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 januari 2010 in zaak nr. 200904556/1) dat deze beleidsregels de grenzen van de in artikel 35 van de Wet justiti ële en strafvorderlijke gegevens aan de minister gegeven bevoegdheid niet te buiten gaan, en dat de minister, in aanmerking genomen de in de beleidsregels vermelde belangen (in dit geval: het belang van een maatschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening en het belang van de bescherming van (minderjarige) leerlingen als kwetsbare personen in de samenleving), in redelijkheid tot het vaststellen van dit beleid heeft kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat de belangen omschreven in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 dezelfde zijn als die omschreven in de Beleidsregels, zodat de jurisprudentie van de Afdeling ook van toepassing is op de huidige beleidsregels en ook dit beleid niet onredelijk moet worden geoordeeld.

4. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank sluit zich daarbij aan, dat is voldaan aan het objectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels, zodat de VOG in beginsel wordt geweigerd.

5. Wel is in geschil de vraag of op grond van het subjectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Beleidsregels kan worden geoordeeld dat het belang dat eiser bij het verstrekken van de VOG heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving in welk geval de VOG wordt afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering. In dit verband betoogt eiser dat de weigering van afgifte van de VOG in zijn geval evident disproportioneel is. Volgens hem is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de VOG afgegeven dient te worden. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op zijn persoonlijke omstandigheden en heeft hij verklaringen van drs. M. van der Slikke (psycholoog) van 8 november 2010, [rector] (rector [scholengemeenschap]) van 26 november 2010 en [bestuursvoorzitter] (bestuursvoorzitter Alliantie Voortgezet Onderwijs) van 19 januari 2011 overgelegd.

6. Op grond van paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels bestaat bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. De VOG kan enkel dan worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

7. Verweerder heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is. Daaraan heeft hij ten grondslag kunnen leggen dat eiser ten tijde van het plegen van de strafbare feiten meerderjarig was en dat uit de strafoplegging valt af te leiden dat het niet om een licht zedendelict gaat. Verder heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat sinds het vonnis van de strafrechter van 23 april 2003 acht jaar is verstreken en dat dit tijdsverloop, nu het een zedendelict betreft, onvoldoende is om tot afname van risico voor de samenleving te concluderen. Verweerder heeft voorts op grond van de door eiser overgelegde verklaringen de weigering van de VOG niet evident disproportioneel hoeven achten. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre ook de toets aan artikel 7:12, eerste lid, van de Awb kan doorstaan. Dit betoog slaagt dus evenmin.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De uitspraak is ter openbare zitting van 10 juni 2011 gegeven door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. J.A. van Schagen en mr. W.R.H. Lutjes, rechters, en in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

Waarvan proces-verbaal,

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 16 juni 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature