Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. 1) Gezamenlijke huishouding. Bewijskracht getuigenverklaringen.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 10/3338 en AWB 10/3336

tussenuitspraak ingevolge artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 31 mei 2011.

inzake

[eiseres], eiseres en [eiser], eiser,

hierna gezamenlijk tevens: eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H. Pasman,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 30 juli 2010 met registratienummer AWB 10/3338 (besluit I);

Besluit van verweerder van 30 juli 2010 met registratienummer AWB 10/3336 (besluit II).

2. Procesverloop

AWB 10/3338

2.1. Bij besluit van 2 april 2010 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en de ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van in totaal € 173.548,99 van eiseres teruggevorderd. Eiser is door verweerder vanaf 1 januari 1999 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 154.229,18.

AWB 10/3336

2.2. Bij besluit van 2 april 2010 heeft verweerder de aan eiseres ten onrechte verstrekte bijstand over de periode vanaf 1 januari 1999 ten bedrage van in totaal € 154.229,18 op grond van artikel 59, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand (Wwb) mede van eiser teruggevorderd.

2.3. Tegen deze besluiten hebben eisers afzonderlijk bezwaar gemaakt.

2.4. Bij de – afzonderlijk aan eisers gerichte – besluiten I en II van dezelfde datum en nagenoeg dezelfde inhoud heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de terugvordering van de ten onrechte verstrekte maatschappelijke participatie alsmede de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de medeterugvordering van de maatschappelijke participatie niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft verweerder de door eisers gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 2 april 2010 ongegrond verklaard, met dien verstande dat ten aanzien van eiseres de perioden van intrekking wordt gewijzigd in 29 juli 1998 tot 2 september 2008 en vanaf 12 november 2008 en het totaal terug te vorderen bedrag aan deze gewijzigde intrekkingsperiode nader is vastgesteld op € 157.683,26 ten aanzien van eiseres en € 152.224,78 ten aanzien van eiser. Voor het overige heeft verweerder de besluiten van 2 april 2010 onder aanpassing van de motivering en wettelijke grondslag gehandhaafd.

2.5. Tegen deze besluiten is door eisers afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend, maar geen verweerschriften. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

2.6. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 18 maart 2011. Namens eisers is verschenen mr. Pasman, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J. Bloemena LLM, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

3.2.1. Eiseres ontving vanaf 8 september 1989 tot 1 mei 2009 een bijstandsuitkering, aanvankelijk naar de norm voor gehuwden tot 1 februari 1993 en vervolgens variërend naar de norm voor een alleenstaande en de norm voor een alleenstaande ouder.

3.2.2. Eiseres heeft drie kinderen, die geboren zijn op [data]. Eiseres stond vanaf [periode] ingeschreven op het adres [adres I]. Sinds laatstgenoemde datum staat eiseres ingeschreven op het adres [adres II]. Gedurende de periode van [periode] stond eiser ingeschreven op het adres [adres III], zijnde het adres van de ouders van eiseres. Daarna was het adres van eiser tot [datum] onbekend. Vanaf laatstgenoemde datum tot [datum] stond eiser ingeschreven op het adres [adres IV] en vervolgens tot [datum] weer op het adres [adres III]. Na laatstgenoemde datum is het adres van eiser onbekend.

3.2.3. Naar aanleiding van een door eiser ingediende aanvraag om bijstand heeft een fraudepreventiemedewerker een (buurt)onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat eisers vermoedelijk een gezamenlijke huishouding voeren op het huidige adres van eiseres, [adres II]. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche vervolgens een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres. In het kader van dit onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht en zijn buurtbewoners gehoord uit de omgeving van de adressen [adressen]. Tevens zijn verschillende getuigen gehoord, alsmede eiseres en eiser. Voorts is gebruik gemaakt van detentiegegevens van eiser. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 1 april 2010.

3.2.4. Bij uitspraak van 23 november 2009 (registratienummer AWB 09/4096) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en het besluit van 18 september 2009, waarbij het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 mei 2009 tot en met 18 september 2009 is ingetrokken en met ingang van 19 september 2009 is beëindigd, geschorst tot zes weken na het te nemen besluit op bezwaar en bepaald dat er tot op dat moment aan eiseres voorschotten worden verstrekt naar de voor haar geldende norm. Bij brief van 26 mei 2010 heeft verweerder de voorzieningenrechter verzocht om opheffing van de getroffen voorziening, hetgeen de voorzieningenrechter bij uitspraak van 17 juni 2010 (registratienummer AWB 10/1889) heeft toegewezen.

3.3. Aan de bestreden besluiten van 30 juli 2010 ligt primair het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken dat zij vanaf 29 juli 1998 tot 2 september 2008 en vanaf 12 november 2008 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiser als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk de Wwb. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers in de periode hier in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Abw en Wwb. Daarbij voert verweerder aan dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat sprake is van wederzijdse zorg. Gelet hierop had eiseres geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder), aldus verweerder.

3.4. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben afzonderlijk de bestreden besluiten gemotiveerd aangevochten. Op hun stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

3.5. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de intrekking

3.6. De rechtbank stelt allereerst vast, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, dat de intrekking niet ziet op de verstrekkingen van de maatschappelijke participatie over 2008 en 2009 en evenmin op de premieverstrekking deeltijd in 2007, maar uitsluitend ziet op de door eiseres ten onrechte genoten bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.

3.7. Gelet op het onder 3.2.4. genoemde besluit van 18 september 2009 loopt de beoordelingsperiode in onderhavige procedure tot 1 mei 2009.

3.8. De rechtbank overweegt dat, gelet op het voor eisers belastende karakter van de bestreden besluiten, de bewijslast met betrekking tot het standpunt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding in beginsel op verweerder rust.

3.9. Verweerder heeft voor zijn standpunt met name verwezen naar de verklaring van eiseres, alsmede naar de overige getuigenverklaringen. Ter beoordeling staat of deze onderzoeksbevindingen, zoals opgenomen in de rapportage van 1 april 2010, voldoende feitelijke grondslag kunnen bieden voor het bestreden besluit.

3.10. Vaststaat dat eisers samen kinderen hebben. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw respectievelijk de Wwb is voor de beantwoording van de vraag of eisers een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd uitsluitend van belang of eiser zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres tot [datum] aan de [adres I] en vanaf [datum] aan de [adres II].

3.11. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Aan het criterium van het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning kan ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt.

3.12. Alvorens hierop in te gaan gaat de rechtbank eerst in op de stelling van eisers dat het verrichte buurtonderzoek door de fraudepreventiemedewerker in 2008 in de omgeving van de [adres] een schending van het recht op privacy oplevert, omdat er geen ernstig vermoeden van fraude bestond. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit onderzoek kennelijk naar aanleiding van een aanvraag van eiser op 11 september 2007 is gestart. De rechtbank stelt evenwel vast dat de bevindingen uit het eerdere buurtonderzoek niet ten grondslag zijn gelegd aan de bestreden besluiten, maar voor verweerder slechts aanleiding is geweest voor het instellen van een nader onderzoek, zoals verricht door de sociale recherche. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve in het midden worden gelaten of er een gegronde reden was voor het buurtonderzoek en dus ook of sprake is geweest van een schending van het recht op privacy.

3.13. De rechtbank zal voorts de intrekking van het recht op bijstand van eiseres aan de hand van twee perioden beoordelen.

Periode van [periode]

3.14. Met betrekking tot deze periode bieden de voorhanden zijnde gegevens naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eisers een gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres op het adres [adres I]. Weliswaar heeft eiseres tegenover de sociale recherche verklaard dat eiser wel eens, ongeveer vier dagen per week, bij haar verbleef op de [adres I], evenwel bevat deze verklaring onvoldoende concrete feiten en omstandigheden om het bestaan van een gezamenlijk hoofdverblijf op dat adres in voldoende mate aannemelijk te achten. De rapportage van de sociale recherche geeft er geen blijk van dat op dit punt bij eiseres is doorgevraagd naar feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de concrete periode waarop deze verklaring ziet. Deze verklaring rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet de conclusie dat eiser in deze periode zijn hoofdverblijf bij eiseres had op het adres [adres I].

3.14.1. Voorts heeft verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar drie getuigenverklaringen van buurtbewoners uit de omgeving van het adres [adres I], alsmede naar de verklaring van de vader van eiseres. Uit de verklaringen van de buurtbewoners blijkt dat zij eiser herkennen als buurman en hem ook regelmatig zien. De vader van eiseres heeft verklaard dat eisers feitelijk al samenwoonden op het adres [adres I].

3.14.2. De rechtbank stelt voorop dat de bewijskracht van een verklaring die is gebaseerd op hetgeen een getuige zich uit het verleden herinnert, afneemt naarmate de periode waarop die verklaring ziet verder in het verleden ligt. Wil aan een dergelijke verklaring desondanks betekenis toekomen dan zal de verklaring voldoende concrete details moeten bevatten die controleerbaar en verifieerbaar zijn, en die ook duidelijk maken om welke periode het gaat.

3.14.3. Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze getuigenverklaringen evenmin voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser aldaar zijn hoofdverblijf heeft gehad. Er is niet doorgevraagd op basis van welke concrete feiten de getuigen meenden dat eiser in de betreffende periode bij eiseres woonachtig was op het adres [adres I]. Dit betekent dat op basis van de verklaringen van de getuigen evenmin tot de conclusie kan worden gekomen dat er sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf van eisers. Ook de overige stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat eiser zijn hoofdverblijf had bij eiseres.

3.14.4. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor verweerders standpunt dat eisers gedurende de periode van [periode] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres in genoemde periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit brengt mee dat verweerder niet bevoegd was het recht op bijstand van eiseres over deze periode in te trekken.

Periode van [periode] en [periode]

3.15. Het bovenstaande geldt niet ten aanzien van deze perioden, waarin eiseres stond ingeschreven op het adres [adres II]. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de verklaring van eiseres blijkt dat eisers, vanaf het moment dat hun tweede dochter ([geboortedatum]) twee jaar werd, zijn gaan samenwonen. Daarbij heeft eiseres verklaard dat de ergste ziekteperiode van hun dochter toen voorbij was en er vanaf dat moment meer rust in hun leven kwam. Eisers wisten toen dat zij met elkaar verder wilden en hebben toen ook besloten om samen te gaan wonen, aldus eiseres. Eiser trok bij haar in. Verder blijkt uit haar verklaring dat eiser volledig deel uitmaakte van het gezin en dat hij gebruik maakte van alle faciliteiten van de woning. Volgens eiseres is het logisch dat de buurtbewoners hen als een gezin beschouwen, omdat zij dat ook zijn en zij zich ook niet anders voordeden. Deze verklaring bevat naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete feiten en omstandigheden om te concluderen dat eiser in deze periode zijn hoofdverblijf bij eiseres had op het adres [adres II].

3.15.1. De verklaringen van de buurtbewoners van de [adres II], ondersteunen de verklaring van eiseres aangezien zij eiser herkennen als bewoner van dat adres en hij regelmatig door hen wordt gezien, ook met het brengen van de kinderen naar school en met boodschappen.

3.15.2. Verder blijkt uit de verklaring van de buurtbewoner van het adres van eiser aan de [adres III] dat op dat adres niemand anders woont dan de familie [naam] (bedoeld wordt: ouders van eiseres) en dat eiser daar alleen met eiseres op visite komt.

3.15.3. Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat eisers in de perioden van [periode] en van [periode] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Van deze omstandigheid heeft eiseres in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan aan verweerder. Dit brengt mee dat eiseres gedurende deze periode niet als zelfstandig rechtssubject van bijstandsverlening kon worden beschouwd, zodat zij geen recht op bijstand had naar de norm voor een alleenstaande (ouder). Verweerder was derhalve bevoegd om het recht op bijstand van eiseres, met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb over deze perioden in te trekken. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond aanwezig om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Ten aanzien van de (mede)terugvordering

3.16.1. Uit hetgeen de rechtbank onder 3.2.4 heeft overwogen, volgt dat verweerder in deze procedure ten onrechte de in 3.2.4 genoemde voorschotten ter hoogte van € 1.150,-- heeft betrokken bij het terugvorderingsbedrag ten aanzien van eiseres en het medeterugvorderingsbedrag ten aanzien van eiser.

3.16.2. Uit hetgeen onder 3.15.3 is overwogen volgt dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb alleen bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van [periode] en van [periode] van eiseres terug te vorderen. Nu voorts vaststaat dat verlening van gezinsbijstand niettemin achterwege is gebleven, omdat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is daarmee gegeven dat ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Wwb . Verweerder was derhalve bevoegd de ten onrechte ten behoeve van eiseres gemaakte kosten van bijstand over deze perioden mede van eiser terug te vorderen.

3.16.3. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank voorts geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van (mede)terugvordering af te zien of van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn terugvorderingsbeleid had dienen af te wijken. De stelling van eiseres dat verweerder heeft nagelaten naar aanleiding van het buurtonderzoek in 2008 meteen een onderzoek in te stellen en dat de terugvordering, die door het stilzitten van verweerder nodeloos is opgelopen, moet worden beperkt, volgt de rechtbank niet. Onder omstandigheden kan het langdurig stilzitten van verweerder gevolgen hebben voor de vraag of verweerder in redelijkheid kan overgaan tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Daarvoor is naar vaste rechtspraak van de CRvB geen plaats, indien, zoals in dit geval, sprake is van schending van de inlichtingenverplichting (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 december 2009, LJN BK8150).

3.16.4. Eisers hebben nog naar voren gebracht dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot volledige (mede)terugvordering van de verleende bijstand zonder dat is onderzocht of eisers aanspraak maken op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat er onvoldoende zicht bestaat op de inkomsten van eiser en dat hij daarover geen inlichtingen heeft verschaft.

3.16.5. De rechtbank overweegt hierover dat, indien – zoals in dit geval – sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, verweerder op grond daarvan in beginsel gerechtigd is de over de in geding zijnde perioden gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is dan aan eisers om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat aan hen, als de verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren was nagekomen, over de betrokken periode (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden zou zijn verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers daarin niet geslaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot volledige (mede)terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van eisers gebruik heeft kunnen maken.

3.17. Zoals ter zitting is besproken was verweerder niet bevoegd de kosten van de premie deeltijd over 2007 van eiseres op grond van de Wwb terug te vorderen, omdat het hier geen bijstand betreft.

3.18. Uit hetgeen onder 3.16.1 tot en met 3.17 is overwogen volgt dat het door verweerder berekende terugvorderingsbedrag ter hoogte van € 157.683,26 ten aanzien van eiseres, en het berekende medeterugvorderingsbedrag ter hoogte van € 152.224,78, geen stand kunnen houden.

Ten aanzien van de proceskosten in bezwaar

3.19. Eisers hebben voorts verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. De rechtbank acht daartoe grond aanwezig. Verweerder heeft immers bij de afzonderlijk aan eisers gerichte bestreden besluiten de bezwaren van eisers ten aanzien van de intrekking en (mede)terugvordering van de kosten van bijstand weliswaar ongegrond verklaard, maar het (mede)terugvorderingsbedrag naar beneden bijgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee de afzonderlijk aan eisers gerichte primaire besluiten van 2 april 2010, voor zover betrekking hebbend op het bedrag aan bijstand dat wordt (mede)teruggevorderd, herroepen. Niet is gebleken dat geen sprake is van het herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ook overigens is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:15 van de Awb . Verweerder heeft het verzoek van eisers om vergoeding van deze kosten dan ook ten onrechte bij de bestreden besluiten afgewezen.

Conclusie

3.20. Uit al het voorgaande volgt dat verweerder, onder herroeping van het primaire besluit ten aanzien van eiseres in zoverre, de intrekking van bijstand had dienen te beperken tot de perioden van [periode] en van 12 november 2008 tot 19 september 2009. Voorts had verweerder het (mede)terugvorderingsbedrag, onder herroeping van de primaire (mede)terugvorderingsbesluiten ten aanzien van eiseres en eiser in zoverre, opnieuw moeten vaststellen. Daarbij had verweerder ten aanzien van eiseres zich moeten beperken tot de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de perioden van [periode] en van 12 november 2008 tot 1 mei 2009. Voorts had verweerder de medeterugvordering en daaraan verbonden hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser moeten beperken tot deze periode. Verder had verweerder de hoogte van de terugvordering nog moeten verlagen met de daarin ten onrechte opgenomen bedragen voor de kosten van de premie deeltijd over 2007 en het bedrag van € 1.150,-- aan verleende voorschotten die in het kader van de procedure tegen het besluit van 18 september 2009 zijn verstrekt.

3.21. Uit de conclusie onder 3.20 volgt dat het beroep van eisers gegrond is en dat de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komen.

3.22. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten niet in stand worden gelaten. Ook kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat een nieuwe (mede)terugvorderingsberekening gemaakt moet worden. De rechtbank ziet, gelet op het belang om tot een spoedige beëindiging van het geschil te komen, aanleiding verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb op de hierna te vermelden wijze in de gelegenheid te stellen bovengenoemde gebreken in de bestreden besluiten te herstellen.

3.23. Tevens wordt verweerder in de gelegenheid gesteld de door de rechtbank in de bestreden besluiten geconstateerde gebreken ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar van eisers te herstellen.

4. Beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek;

stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van

deze tussenuitspraak de gebreken dat aan de bestreden besluiten kleven te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink, en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.

Hoger beroep tegen deze tussenuitspraak kan alleen tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld.

Verzonden op: 31 mei 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature