Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vervoer onder cognossement naar Zuid-Korea van twee containers met scheepsonderdelen. Mocht eiseres op de containers een rententierecht uitoefenen? Toepasselijk recht. Artikel 6 Wet IPR. Advisering door IJI.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 338082 / HA ZA 09-2474

Vonnis van 22 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GONDRAND TRAFFIC B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg,

tegen

[gedaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Partijen zullen hierna Gondrand en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 29 juni 2009;

- de akte zijdens Gondrand houdende overlegging van twee producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord in reconventie met zes producties;

- de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie met twee producties;

- de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.

1.2. Partijen hebben ter zitting van 14 april 2011 hun standpunten doen bepleiten door hun raadslieden, mr. E.C.H. van Loosbroek namens Gondrand en mr. R.L. Latten namens [gedaagde], die zich daarbij bedienden van pleitnotities welke zij in het geding brachten. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende, enerzijds gestelde en anderzijds erkende dan wel niet of onvoldoende weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van producties waarop beroep is gedaan, feiten en omstandigheden.

2.1. Op of omstreeks januari 2009 heeft [persoon 1], handelend onder de naam Scot Marine Holland tevens handelend onder de naam Scot Marine Logistics, (hierna: Scot Marine) opdracht gegeven aan Gondrand tot het vervoer van twee containers, met kenmerken MSKU6365260 en MAEU633761-3 (hierna: de containers), naar Busan, Zuid-Korea. In de containers bevonden zich reserveonderdelen, geleverd door Scot Marine, voor motoren van een schip in aanbouw, hierna aangeduid als ‘Hull 190’, dat zich in Busan, Zuid-Korea bevond.

2.2. [gedaagde] was door zijn werkgever Safmarine Container Lines N.V. (hierna: Safmarine) aangesteld om als vertegenwoordiger van Safmarine de afbouw van Hull 190 te begeleiden en daarop toezicht te houden.

2.3. Ter zake van het onder 2.1 genoemde vervoer is door Gondrand een ‘negotiable FIATA multimodal transport Bill of Lading’ met kenmerk 7.60/7901 0013 d.d. 23 januari 2009 (hierna: het cognossement) afgegeven.

Op het cognossement staat bij ‘Consignor’ vermeld: Scot Marine.

Verder staat op het cognossement het volgende vermeld.

“Consigned to order of

MASTER, HULL 190 C/O

HANJIN HEAVY INDUSTRIES & CONSTRUCTION CO. LTD

(…)

BUSAN (…) SOUTH KOREA”

(…)

“FREIGHT PREPAID

CFR BUSAN”

Bij ‘Notify adress’ staat vermeld: ‘Same as consignee’. In het vak ‘Stamp and signature’ staat een stempel van Gondrand, voorzien van een handtekening, met daarbij de vermelding “as carrier”.

2.4. Op het vervoer zijn van toepassing de ‘Standard Conditions (1992) governing the FIATA MULTIMODAL TRANSPORT BILL OF LADING” (hierna: de cognossementsvoorwaarden). Artikel 14 daarvan luidt als volgt:

“Lien

The Freight Forwarder shall have a lien on the goods and any documents relating thereto for any amount due at any time to the Freight Forwarder from the Merchant including storage fees and the cost of recovering same, and may enforce such lien in any reasonable manner which he may think fit.”

2.5. Volgens de in de cognossementsvoorwaarden opgenomen ‘Definitions’ wordt onder ‘Merchant’ verstaan: ‘the Shipper, the Consignor, the Consignee, the Holder of this FBL, the Receiver and the Owner of the Goods’. Met ‘FBL’ wordt het cognossement bedoeld.

2.6. De containers werden over zee vervoerd aan boord van het m.s. “Gunvor [persoon 2]”. Ter zake van het zeevervoer van de beide containers heeft [[persoon 2]n 2] (hierna: [per[persoon 2]] een cognossement met nummer 801227101 (hierna: het zeecognossement) afgegeven. Op het zeecognossement staat Gondrand als afzender vermeld en als geadresseerde Online Cargo Service Co. Ltd (hierna: OCS), die optrad als afleveringsagent van Gondrand te Busan.

2.7. Scot Marine is op 17 februari 2009, voordat het cognossement en/of het zeecognossement is gepresenteerd, in staat van faillissement verklaard.

2.8. De containers zijn in maart 2009 te Busan gelost.

2.9. Toen [gedaagde] als houder van het cognossement in maart 2009 te Busan het cognossement presenteerde aan OCS en om aflevering van de beide containers verzocht, heeft OCS namens Gondrand geweigerd de containers af te geven. De afgifte werd geweigerd omdat Gondrand stelde een vordering te hebben op Scot Marine en Gondrand tot betaling van die vordering een recht van retentie uitoefende op de containers.

2.10. In overleg met Gondrand heeft Safmarine bij wijze van zekerheidstelling een bedrag van EUR 50.000,- gedeponeerd op de derdengelden-rekening van de advocaat van [gedaagde]. Hierna heeft Gondrand de containers aan [gedaagde] afgegeven.

3. De vordering in conventie

3.1. Gondrand vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat aan Gondrand een ‘lien’ toekwam op de beide containers met onderdelen vervoerd onder het cognossement en dat voor deze ‘lien’ op de goederen in de plaats is getreden het bedrag van EUR 50.000,-;

b. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Gondrand van EUR 50.000,- vermeerderd met de wettelijke rente;

c. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Gondrand aan haar vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

a) Het door Gondrand uitgeoefende retentierecht, dat gelijk is te stellen met een ‘lien’, wordt beheerst door Nederlands recht, omdat op de tussen Gondrand en Scot Marine tot stand gekomen vervoerovereenkomst, waartoe [gedaagde] is toegetreden door onder het cognossement afgifte van de containers te verlangen, ingevolge de cognossementsvoorwaarden Nederlands recht van toepassing is en omdat de vervoerovereenkomst het nauwst bij Nederland is betrokken.

b) Aan Gondrand kwam op grond van artikel 14 van de cognossementsvoorwaarden een ‘lien’ toe op de onder het cognossement vervoerde goederen voor al hetgeen Scot Marine was verschuldigd, niet alleen met betrekking tot het vervoer van de containers maar ook met betrekking tot eerdere werkzaamheden die Gondrand in opdracht van Scot Marine had verricht. Op grond van die bepaling kon Gondrand die ‘lien’ ook tegen [gedaagde] als cognossementshouder inroepen.

c) Gondrand had, op het moment dat Scot Marine in staat van faillissement geraakte, een opeisbare vordering op deze van in hoofdsom EUR 50.965,13.

d) [persoon 2] heeft de containers te Busan afgeleverd aan OCS. Daarmee bevonden de containers zich in de (indirecte) feitelijke macht van Gondrand. Gondrand kon derhalve het retentierecht (de ‘lien’) uitoefenen op de containers, ook jegens [gedaagde].

4. Het verweer in conventie

4.1. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Gondrand in de kosten van de procedure waaronder de nakosten begrepen. [gedaagde] heeft daartoe – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.

1) Of Gondrand een ‘lien’ of retentierecht toekwam dient, gelet op het bepaalde in artikel 6 van Wet bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot zeerecht en binnenvaartrecht en het luchtrecht van 18 maart 1993 (hierna: Wet IPR), te worden beoordeeld naar het recht van Zuid-Korea. Nu Gondrand niets heeft gesteld met betrekking tot de inhoud van dit recht en niet, met justificatoire bescheiden, heeft aangetoond dat de gevorderde verklaring voor recht naar het recht van Zuid-Korea voor toewijzing in aanmerking komt, heeft Gondrand niet aan haar stelplicht voldaan;

2) Naar Nederlands recht beoordeeld, kwam aan Gondrand geen retentierecht toe gelet op het volgende.

a) Gondrand noch haar agent OCS had op het moment dat Gondrand het retentierecht inriep de vereiste feitelijke macht over de containers. Tijdens het zeevervoer bevonden de containers zich in de feitelijke macht van [persoon 2]. De containers zijn gelost op de containerterminal van [persoon 2] te Busan. Na de depotstelling van het bedrag van EUR 50.000,- zijn de containers op deze containerterminal door of namens [gedaagde] in ontvangst genomen;

b) Gondrand kon aan artikel 14 van de cognossementsvoorwaarden geen retentierecht jegens [gedaagde] ontlenen, omdat op het cognossement staat vermeld ‘freight prepaid’. De mededeling ‘freight prepaid’ heeft te gelden als kwitantie en [gedaagde] mocht als derde-cognossementhouder te goeder trouw op deze verklaring afgaan;

c) Voor zover Gondrand een retentierecht toekwam jegens [gedaagde], is dit retentierecht beperkt tot de vracht voor het vervoer van de containers naar Busan;

d) [gedaagde] betwist de gestelde vordering van Gondrand op Scot Marine en dat zodanige vordering het gestelde bedrag van EUR 50.000,- heeft;

e) Voor zover er wel sprake zou zijn van voornoemde vordering van Gondrand op Scot Marine moet het ervoor worden gehouden dat zij deze vordering betaald heeft gekregen uit de faillissementsboedel.

3) Het door Gondrand gevorderde en de eventuele toewijzing daarvan is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

5. De vordering in voorwaardelijke reconventie

5.1. Indien de vorderingen in conventie worden afgewezen, is volgens [gedaagde] duidelijk dat Gondrand zich onrechtmatig heeft gedragen jegens [gedaagde] door aflevering van de beide containers in Busan te (doen) weigeren. Daarom vordert [gedaagde] voor dat geval – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat Gondrand onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] door te weigeren aan afgifte en vrijstelling van de beide containers aan [gedaagde] te Busan mee te werken behalve tegen zekerheidstelling door middel van het depot van EUR 50.000,-;

b. Gondrand te veroordelen de schade die door dat onrechtmatig handelen is veroorzaakt te betalen aan [gedaagde], op te maken bij staat;

c. Gondrand te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder begrepen de nakosten.

6. Het verweer in voorwaardelijke reconventie

6.1. De conclusie van Gondrand strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Gondrand voert hiertoe het volgende aan.

a. Gondrand heeft terecht een recht van retentie ingeroepen zodat van onrechtmatig handelen jegens [gedaagde] geen sprake is.

b. [gedaagde] heeft geen schade geleden door de handelwijze van Gondrand, omdat de containers zijn vrijgesteld dadelijk nadat depot was gesteld.

7. De beoordeling

in conventie

7.1. De vordering komt erop neer dat de rechtbank een verklaring voor recht zal geven dat Gondrand jegens [gedaagde] gerechtigd was op de containers met onderdelen een recht van retentie uit te oefenen ter verhaal van haar vordering van € 50.000,- op Scot Marine.

7.2. Partijen zijn het erover eens dat Gondrand met betrekking tot vervoer van de containers naar Busan de vervoerder onder het cognossement was en dat artikel 14 van de cognossementsvoorwaarden, in algemene zin, een recht van retentie schept voor de vervoerder.

Ook staat tussen partijen vast dat het cognossement de clausule ‘freight prepaid’ bevat.

Voorts staat buiten kijf dat [gedaagde] dient te worden aangemerkt als recht- en regelmatige houder van het cognossement en als derde, niet zijnde een persoon die namens of voor rekening van de afzender onder het cognossement handelde, tot aflevering van de containers in Busan gerechtigd was.

In geschil is of Gondrand in dit geval jegens [gedaagde] een retentierecht mocht uitoefenen op de containers in Busan, dan wel de aflevering daarvan aan [gedaagde] mocht weigeren.

7.3. Gelet op het internationale kader, dient eerst de vraag beantwoord te worden naar welk recht beoordeeld dient te worden of Gondrand het retentierecht jegens [gedaagde] mocht inroepen. Deze vraag dient gezien het moment waarop de containers werden gelost, in maart 2009, te worden beantwoord aan de hand van de Wet IPR. In artikel 6, aanhef en sub a, van de Wet IPR is bepaald dat, ongeacht het recht dat toepasselijk is op de overeenkomst tot vervoer van zaken, het recht van de Staat waarin de haven is gelegen waar de zaken ter lossing worden aangevoerd van toepassing is op de vraag, of en in hoeverre de vervoerder een recht van retentie op de zaken heeft. De (feitelijke) loshaven is in dit geval Busan, Zuid-Korea. Hieruit volgt dat in dit geval het recht van Zuid-Korea van toepassing is op de vraag of aan Gondrand jegens [gedaagde] een retentierecht toekwam.

De rechtbank verwerpt hiermee de door Gondrand bepleite toepasselijkheid van Nederlands recht nu, zoals ook volgt uit het door Gondrand aangehaalde artikel 4 van de Wet conflictenrecht goederenrecht , voor situaties als de onderhavige artikel 6 Wet IPR een uitzondering maakt op de regel dat het recht van retentie wordt beheerst door het recht dat de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding beheerst.

7.4. Het door [gedaagde] ingenomen standpunt dat het gevorderde dient te worden afgewezen omdat Gondrand geen stellingen heeft betrokken ten aanzien van de inhoud en betekenis van het recht van Zuid-Korea met betrekking tot het uitgeoefende retentierecht wordt door de rechtbank verworpen. Weliswaar is het aan Gondrand om voldoende te stellen ter onderbouwing van haar vordering, maar zodanige verplichting geldt niet met betrekking tot de inhoud van het op deze vordering toepasselijke recht.

7.5. De rechtbank heeft ter beoordeling van het gevorderde behoefte aan nadere informatie met betrekking tot de inhoud van het recht van Zuid-Korea.

Partijen zijn door de rechtbank bij pleidooi in de gelegenheid gesteld suggesties te doen ten aanzien van de vraag hoe inlichtingen verkregen zouden kunnen worden over de inhoud van het recht van Zuid-Korea voor het geval de rechtbank tot de slotsom zou komen dat dit recht toepasselijk is. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en deze beslissing aan de rechtbank overgelaten. Hetzelfde geldt voor de vragen waarover met betrekking tot het toepasselijke recht informatie zou moeten worden verkregen. Ook de formulering van deze vragen hebben partijen aan de rechtbank overgelaten.

7.6. De rechtbank zal de griffier opdragen het volgende verzoek om schriftelijke advisering te doen aan het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) te ’s-Gravenhage met betrekking tot de inhoud van het recht van Zuid-Korea zoals dat gelding had in maart 2009. De volgende vragen dienen aan het IJI te worden voorgelegd:

1. Schept artikel 14 van de cognossementsvoorwaarden, zoals weergegeven in r.o. 2.4, een retentierecht jegens een derde-cognossementhouder, niet zijnde de afzender of een persoon die handelt voor rekening van de afzender, die op de plaats van bestemming van de goederen het cognossement aan de vervoerder heeft gepresenteerd teneinde afgifte van de goederen te bewerkstelligen? Hierbij dient voornoemd artikel 14 aldus te worden verstaan dat met ‘lien’ een retentierecht wordt bedoeld, dat op grond van dit artikel in algemene zin een retentierecht aan de vervoerder toekomt en dat Gondrand als vervoerder dient te worden aangemerkt.

2. Voor welke (categorieën van) vorderingen geldt een dergelijk retentierecht? Geldt een dergelijk retentierecht ook voor vorderingen anders dan vorderingen samenhangend met het vervoer waarvoor de vervoerder het betreffende cognossement heeft afgegeven?

3. Geldt een dergelijk retentierecht jegens zodanige derde-cognossementhouder ook indien op het cognossement staat vermeld ‘freight prepaid’?

4. Welke andere vereisten gelden voor het uitoefenen van het recht van retentie? Bijvoorbeeld, dient de vervoerder die het retentierecht uitoefent de teruggehouden goederen in zijn feitelijke macht te hebben? En zo ja, welke vereisten gelden voor zodanige feitelijke macht over goederen? Kan de vervoerder zodanige feitelijke macht ook door middel van een derde uitoefenen?

De rechtbank gaat ervan uit dat het advies van het IJI uiterlijk eind augustus 2011 zal zijn ontvangen.

7.7. In afwachting van de advisering door het IJI zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

De rechtbank zal de griffier opdragen om zodra het advies van het IJI zal zijn ontvangen het door te sturen aan partijen, opdat zij zich daarover bij akte kunnen uitlaten. De rechtbank zal daartoe de zaak naar de rol verwijzen.

in voorwaardelijke reconventie

7.8. Gelet op de voorwaarde voor de eis, zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden tot de eindbeslissing in conventie.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. draagt de griffier op om schriftelijk advies in te winnen bij het IJI zoals vermeld in r.o. 7.6 en om, zodra dat advies zal zijn ontvangen, het advies van het IJI toe te zenden aan partijen;

8.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 5 oktober 2011 voor uitlating door partijen bij akte over het advies van het IJI, om te beginnen door Gondrand;

8.3. houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

8.4. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger, mr. K. Post en mr. V. van der Kuil en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.

2228/2295/1928


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature