Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank mocht onder (de) omstandigheden voorbij gaan aan het derde verzoek om wraking zonder in strijd te komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Het College heeft niet binnen de beslistermijn een besluit op het bezwaarschrift van 21 januari 2007 genomen en het bij de rechtbank op 8 mei 2007 ingekomen beroepschrift van 4 mei 2007 tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar is niet onredelijk laat ingediend. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 oktober 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Geen procesbelang. Instandlating rechtsgevolgen.

Uitspraak



10/2165 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 maart 2010, 08/2173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 januari 2011 heeft het College vragen van de Raad beantwoord en desgevraagd nadere stukken, waaronder een besluit van 22 december 2006, aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het College, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Pilgram, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren [in] 1944 en voert een eenpersoonshuishouden. Op

25 maart 2006 heeft hij bij het College een aanvraag ingediend om een financiële bijdrage voor 65-plussers, chronisch zieken en gehandicapten over het jaar 2006. Bij besluit van 12 december 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.2. Bij besluit van 22 december 2006 heeft het College de aanvraag alsnog toegewezen en aan appellant een financiële bijdrage van € 170,-- toegekend.

1.3. Bij brief van 4 mei 2007, bij de rechtbank ingekomen op 8 mei 2007, heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Bij deze brief heeft hij een op 21 januari 2007 gedateerd bezwaarschrift tegen het besluit van 12 december 2006 gevoegd.

1.4. Bij uitspraak van 3 augustus 2007, 07/780 heeft de rechtbank overwogen dat het College niet binnen de beslistermijn een besluit op het bezwaarschrift van 21 januari 2007 heeft genomen en dat het beroep tegen het uitblijven van het besluit op bezwaar niet onredelijk laat is ingediend. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat het College uiterlijk binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaarschrift neemt. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5. Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2006 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat het eerst op 14 mei 2007 kennis heeft genomen van het bezwaarschrift van appellant en dat het bezwaarschrift uiterlijk op 24 januari 2007 ter post had moeten worden aangeboden.

1.6. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 oktober 2007. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 19 juni 2008 is een op 16 juni 2008 gedateerd verzoek van appellant om wraking van de rechters die de zaak zullen behandelen ingekomen. Bij beschikking van 18 juni 2008 heeft een wrakingskamer van de rechtbank appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om wraking.

1.7. Bij uitspraak van 23 juni 2008, 07/2177, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2007 ongegrond verklaard.

1.8. Tegen de uitspraak van 23 juni 2008 heeft appellant hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is geregistreerd onder nummer 08/4743 WWB. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer van de Raad op 7 oktober 2008 is een verzoek van appellant om wraking van de in de kennisgeving van behandeling van de zaak vermelde rechters ingekomen. Een wrakingskamer van de Raad heeft bij uitspraak van 14 oktober 2008, LJN BG0276, dit verzoek om wraking afgewezen en daarbij met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb tevens bepaald dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met registratienummer 08/4743 WWB niet in behandeling wordt genomen.

1.9. Bij uitspraak van 25 november 2008, LJN BG5585, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 23 juni 2008 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Daartoe heeft de Raad overwogen dat appellant bij brief van 16 juni 2008 bij de rechtbank een gemotiveerd verzoek om wraking heeft ingediend, dat een wrakingskamer van de rechtbank appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek om wraking en dat hieruit voortvloeit dat de wrakingskamer ten onrechte, in afwijking van het bepaalde in artikel 8:18 van de Awb , het verzoek niet ter zitting heeft behandeld, appellant niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord en de beslissing op het wrakingsverzoek niet ter zitting in het openbaar heeft uitgesproken. Naar het oordeel van de Raad zijn essentiële voorschriften van de wrakingsprocedure niet nageleefd waardoor in zoverre geen sprake is geweest van een eerlijk proces.

1.10. Bij de rechtbank is de zaak na de terugwijzing geregistreerd onder nummer 08/2173 WWB. Bij beschikking van 19 februari 2009 heeft een wrakingskamer van de rechtbank het onder 1.6 genoemde verzoek om wraking afgewezen en daarbij met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb tevens bepaald dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met oorspronkelijk het nummer 07/2177 WWB niet in behandeling wordt genomen.

1.11. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 19 november 2009 is een op 16 november 2009 gedateerd verzoek van appellant om wraking van de rechter die de zaak zal behandelen ingekomen. Bij uitspraak van 11 januari 2010 heeft een wrakingskamer van de rechtbank onder verwijzing naar de beschikking van 19 februari 2009 appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om wraking.

1.12. Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 11 februari 2010 is een op 8 februari 2010 gedateerd verzoek van appellant om wraking van de rechter die de zaak zal behandelen ingekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij voorbijgaat aan het verzoek om wraking van 8 februari 2010 aangezien de wrakingskamer bij uitspraak van 11 januari 2010 heeft bepaald dat een zodanig verzoek niet in behandeling wordt genomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant geacht moet worden eerst een bezwaarschrift te hebben ingediend tegen het besluit van 12 december 2006 door middel van de in kopie ingezonden bijlage bij het door de rechtbank op 8 mei 2007 ontvangen beroepschrift van 4 mei 2007 en dat het bezwaarschrift derhalve niet tijdig is ingediend. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat die uitspraak niet in stand kan blijven omdat hij de rechter die de uitspraak heeft gewezen heeft gewraakt. Verder heeft hij aangevoerd dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 12 december 2006. Tevens heeft hij verzocht om vergoeding van schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak betrekking heeft op een besluit dat is genomen op grond van de in het kader van het gemeentelijke minimabeleid getroffen regeling Financiële bijdrage voor 65-plussers, chronisch zieken en gehandicapten welke niet als zodanig in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen. Nu deze regeling - gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad - geen grondslag vindt in een autonome verordening van de gemeenteraad van Apeldoorn en zij een sterke verwantschap vertoont met artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand , welke wet wel in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen, is de Raad van oordeel dat hij bevoegd is om kennis te nemen van dit hoger beroep.

4.2.1. De beroepsgrond van appellant dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven omdat hij de rechter die de uitspraak heeft gewezen, heeft gewraakt treft geen doel. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.2.2. In artikel 8:18, vierde lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank in geval van misbruik kan bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

4.2.3. Vaststaat dat appellant in deze zaak drie verzoeken om wraking bij de rechtbank heeft ingediend. De wrakingskamer van de rechtbank heeft het eerste verzoek afgewezen, vastgesteld dat sprake is van misbruik en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. De wrakingskamer van de rechtbank heeft vervolgens appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn tweede verzoek om wraking onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak. Naar het oordeel van de Raad mocht de rechtbank onder die omstandigheden voorbij gaan aan het derde verzoek om wraking zonder in strijd te komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

4.3.1. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellant dat hij tijdig bezwaar tegen het besluit van 12 december 2006 heeft gemaakt overweegt de Raad als volgt.

4.3.2. Aangezien partijen tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 augustus 2007 geen rechtsmiddelen hebben aangewend, is deze in rechte onaantastbaar geworden. Dat betekent tevens dat in dit geding moet worden uitgegaan van het door de rechtbank in die uitspraak neergelegde oordeel over de haar voorgelegde geschilpunten en de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen voor zover deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven.

4.3.3. Gelet op hetgeen onder 4.3.2 is overwogen geldt in deze procedure als uitgangspunt dat het College niet binnen de beslistermijn een besluit op het bezwaarschrift van 21 januari 2007 heeft genomen en dat het bij de rechtbank op 8 mei 2007 ingekomen beroepschrift van 4 mei 2007 tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet onredelijk laat is ingediend. Met dit uitgangspunt is in strijd het door het College in het besluit van 26 oktober 2007 ingenomen standpunt dat het College eerst op 14 mei 2007 het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 december 2006 heeft ontvangen. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting desgevraagd erkend. Dat betekent dat het besluit van 26 oktober 2007 niet in stand kan blijven omdat een deugdelijke motivering ontbreekt. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 oktober 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

4.4.1. Ten aanzien van de vraag of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 26 oktober 2007 in stand te laten overweegt de Raad als volgt.

4.4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaarschrift met het maken van bezwaar nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dit resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben (zie onder meer de uitspraak van 9 maart 2010, LJN BL8805).

4.4.3. De Raad stelt vast dat het College bij besluit van 22 december 2006 appellant alsnog in aanmerking heeft gebracht voor een financiële bijdrage over 2006 ter hoogte van € 170,--. Dit bedrag is het hoogste bedrag waarvoor een huishouden als dat van appellant (een huishouden van één persoon die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt) op grond van de regeling Financiële bijdrage voor 65-plussers, chronisch zieken en gehandicapten over 2006 in aanmerking kan komen. De Raad is niet gebleken dat appellant als gevolg van de aanvankelijke afwijzing van de aanvraag om die financiële bijdrage bij het besluit van 12 december 2006 schade heeft geleden of om een andere reden nog processueel belang heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 december 2006 diende dan ook wegens het ontbreken van voldoende procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Raad ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 26 oktober 2007 in stand blijven.

4.5. De Raad zal het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade afwijzen aangezien de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 26 oktober 2007 in stand blijven.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten aangezien niet is gebleken dat appellant voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 oktober 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 150,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature