Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft de minister krachtens artikel 15, eerste lid, van de Trac éwet, het tracébesluit A50 Ewijk-Valburg vastgesteld.

Uitspraak



201003583/1/M2.

Datum uitspraak: 15 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

2. [appellant sub 2] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

3. [appellant sub 3], wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

4. [appellant sub 4], wonend te Herveld, gemeente Overbetuwe,

5. [appellante sub 5], wonend te Herveld, gemeente Overbetuwe,

6. [appellant sub 6 A] en anderen, handelend onder de naam Bewonerscomité A-50, en [appellant sub 6 B] en anderen, handelend onder de naam Bewonerscomité Veluwstraat Ewijk, (hierna: de bewonerscomités), allen wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

7. het college van burgemeester en wethouders van Beuningen en de gemeenteraad van Beuningen (hierna tezamen en in enkelvoud: B&W van Beuningen),

8. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

9. [appellant sub 9], wonend te Andelst, gemeente Overbetuwe,

10. [appellant sub 10], wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

11. [appellant sub 11], wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: Infrastructuur en Milieu),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft de minister krachtens artikel 15, eerste lid, van de Trac éwet, het tracébesluit A50 Ewijk-Valburg vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2010, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, de bewonerscomités bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, B&W van Beuningen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2010, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2010, [appellant sub 10] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2010, en [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2010, beroep ingesteld. B&W van Beuningen heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 9 juni 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], de bewonerscomités, [appellant sub 11] en de minister hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], de bewonerscomités, B&W van Beuningen en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2011, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2] en anderen, van wie [3 anderen] in persoon, [appellant sub 3], in persoon en vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, [appellant sub 4], in persoon en vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], in persoon, de bewonerscomités, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Smits en J.C.H.M. Bosch, B&W van Beuningen, vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders en mr. J.H. Geerdink, beiden advocaat te 's-Gravenhage, ir. D. van der Gugten, ING. M.J.M. Rutten, ING. N.B. Elsinghorst, ir. L.J.C. de Ben en F. van der Vegte MSc, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Intrekking beroepsgronden

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond over het bestemmingsplan ingetrokken.

Het tracébesluit

2.2. Het tracébesluit ziet - samengevat weergegeven - op verbreding van de A50 tussen de knooppunten Ewijk en Valburg met twee rijstroken in elke richting, aanleg van een extra Waalbrug en aanpassing van de knooppunten Ewijk en Valburg. Bij het besluit zijn tevens voor een aantal woningen waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de A50 vastgesteld.

Verkeersprognoses

2.3. De bewonerscomités stellen dat in het tracébesluit ten onrechte wordt verondersteld dat de verkeersintensiteit maximaal 10% zal toenemen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen zij naar het rapport "Milieueffecten wegverkeer" van de Algemene Rekenkamer van 26 maart 2009 (Kamerstukken II 2008-2009, 31 895, nrs. 1-2; hierna: het rapport van de Algemene Rekenkamer) over het tegengaan van negatieve milieueffecten door wegverkeer. Hierin staat vermeld dat het autogebruik sinds 1999 met 14% is gestegen doordat een groot deel van de maatregelen ter vermindering van het verkeersvolume niet is getroffen. De bewonerscomités stellen dat het gebruikte verkeersmodel, dat uitgaat van het basisjaar 1998, geen rekening houdt met het niet treffen van bepaalde maatregelen waaronder het invoeren van de kilometerbeprijzing, zodat het tracébesluit uitgaat van te lage groeipercentages. Verder voeren de bewonerscomités aan dat de verkeersprognoses niet actueel zijn, omdat deze dateren van twee jaar voor het tracébesluit.

2.3.1. Bij het opstellen van het tracébesluit is uitgegaan van verkeersprognoses gebaseerd op het Nieuw Regionaal Model voor Oost-Nederland (hierna: het NRM-ON). Het NRM-ON heeft als basisjaar 1998 en als toekomstjaar 2020. De minister heeft ter zitting gesteld dat in het NRM-ON rekening is gehouden met de meest recente inzichten. Het feit dat het NRM-ON 1998 als basisjaar hanteert, betekent volgens de minister niet dat maatregelen van na 1998 niet bij de verkeersprognoses zijn betrokken. Met de kilometerbeprijzing is in het NRM-ON volgens hem geen rekening gehouden, omdat de invoering daarvan niet zeker is. De Afdeling ziet in hetgeen de bewonerscomités hebben aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan het door de minister gestelde. Er bestaat in zoverre evenmin aanleiding te twijfelen aan de uitkomsten van het NRM-ON. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat onbestreden is dat het rapport van de Algemene Rekenkamer - waarop de bewonerscomités zich beroepen - een algemene analyse geeft en niet specifiek is gericht op de toename van de verkeersintensiteit op de A50. Bovendien ziet het rapport van de Algemene Rekenkamer op de periode 1999-2007, zodat de uitkomst van dat rapport ook in zoverre niet te vergelijken is met de in het tracébesluit gehanteerde prognoses voor de jaren 1998 - 2020. De bewonerscomités hebben ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat de in het tracébesluit berekende verkeersprognoses zodanige onjuistheden bevatten dat moet worden gesproken van een onderschatting en deze niet bij het nemen van het tracébesluit mochten worden betrokken.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.3.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Trac éwet, voor zover hier van belang, wordt bij de vaststelling van het tracébesluit in beginsel gebruik gemaakt van de verkeersgegevens en de daarop gebaseerde onderzoeken, die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp-tracébesluit, met dien verstande dat indien de rapporten waarin die gegevens, onderzoeken en inventarisaties en gevolgen zijn vervat, bij de vaststelling van het tracébesluit ouder zijn dan twee jaar, het tracébesluit een motivering van de actualiteit van die rapporten bevat.

2.3.3. De rapporten die ten grondslag liggen aan het ontwerp-tracébesluit zijn geactualiseerd. De rapporten waren ten tijde van het nemen van het tracébesluit daarom niet ouder dan twee jaar. Gelet hierop en op artikel 15, eerste lid, van de Trac éwet kan niet worden gezegd dat het tracébesluit berust op verouderde gegevens.

De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

Omvang van het tracé

2.4. B&W van Beuningen stelt dat het effect van de verbreding van de A50 op omliggende wegen niet dan wel onvoldoende in het tracébesluit is meegenomen. Ter zitting heeft B&W van Beuningen zijn standpunt verduidelijkt en gesteld dat hij de opvattingen van de minister over het effect van de wegverbreding op omliggende wegen niet bestrijdt. Volgens B&W van Beuningen hadden de omliggende wegen en met name het knooppunt Neerbosch op de A73 moeten worden betrokken bij het tracébesluit, omdat de A73 geen ruimte biedt de extra capaciteit te verwerken en de wegverbreding daarom leidt tot verplaatsing van de fileproblematiek. Dit is volgens B&W van Beuningen in strijd met het rijksbeleid dat erop gericht is de kans op congestie te verminderen. Het tracébesluit dient gelet op het vorenstaande ook de aanpassing van het knooppunt Neerbosch te omvatten, aldus B&W van Beuningen.

2.4.1. De Afdeling stelt voorop dat, zoals onder meer is overwogen in de uitspraak van 15 september 2010 in zaak nr. 200904401/1/M2, de vaststelling van een tracébesluit een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen dat de door de minister te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht , wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat de minister niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

2.4.2. Blijkens de toelichting op het tracébesluit is de belangrijkste aanleiding voor de wegverbreding de bestaande fileproblematiek tussen de knooppunten Ewijk en Valburg in combinatie met de verwachte toename van het wegverkeer. Voor een beter inzicht in de aanpak van de door B&W van Beuningen naar vorengebrachte doorstroomproblematiek op de A73 Ewijk - Rijkevoort, waartoe knooppunt Neerbosch behoort, wordt die problematiek volgens de minister apart verkend. Ter zitting heeft de minister gesteld dat de problematiek rond het knooppunt Neerbosch enigszins verergert door het bestreden tracébesluit, maar dat daarnaar reeds nader onderzoek wordt verricht en daarvoor - los van het bestreden tracébesluit - naar oplossingen wordt gezocht. De minister is van opvatting dat dit knooppunt niet hoeft te worden meegenomen in het tracébesluit dat enkel is gericht op verbetering van de doorstroming op de A50 tussen de knooppunten Ewijk en Valburg. Naar het oordeel van de Afdeling heeft B&W van Beuningen niet aannemelijk gemaakt dat de wegverbreding op de A50 leidt tot een dermate grote toename van verkeersproblemen ter plaatse van het knooppunt Neerbosch, dat de minister niet in redelijkheid in het kader van de door hem gestelde problematiek heeft mogen volstaan met het aanpakken van de A50.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder - wettelijk kader

2.5. Ingevolge artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder , kort weergegeven en voor zover hier van belang, wordt onder aanpassing van een weg verstaan: een aanpassing ten gevolge waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van deze afdeling als ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt.

Ingevolge artikel 87f, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, is, behoudens het tweede tot en met het vierde lid, voor woningen ten gevolge waarvan de hoofdweg wordt aangepast, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting 48 dB, indien de geluidsbelasting van de woning vanwege de hoofdweg op 1 maart 1986 lager dan of gelijk was aan 60 dB(A).

Ingevolge artikel 87f, derde lid, geldt, kort weergegeven en voor zover hier van belang, dat bij een wijziging van een op 1 januari 2007 aanwezige hoofdweg, waarbij niet eerder een hogere waarde dan 48 dB is vastgesteld en waarbij de heersende waarde hoger is dan 48 dB, voor woningen ten gevolge waarvan de hoofdweg wordt aangepast, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de hoofdweg de heersende waarde is.

Ingevolge artikel 87f, vierde lid, samen met artikel 87b, eerste lid, onder a, voor zover hier van belang, kan de minister een hogere dan de in het derde lid bedoelde waarde vaststellen.

Ingevolge artikel 87f, zesde lid, van de Wet geluidhinder kan de minister slechts een hogere waarde vaststellen in die gevallen waarin toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen wegen, tot 48 dB, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Ingevolge artikel 87g, eerste lid, voor zover hier van belang, is behoudens het tweede tot en met het vijfde lid, de voor woningen binnen de zone van een te wijzigen of te verbreden hoofdweg ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting van de gevel, indien de geluidsbelasting vanwege deze hoofdweg op 1 maart 1986 hoger was dan 60 dB(A), 48 dB.

Ingevolge artikel 87g, derde lid, kan de minister een hogere dan de in het eerste lid bedoelde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 87g, zevende lid, voor zover hier van belang, kan de minister slechts toepassing geven aan het derde lid, in die gevallen waarin toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen, vanwege de hoofdweg of vanwege binnen het tracé van die hoofdweg gelegen woningen, tot de ingevolge het eerste lid geldende waarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Geluidhinder - berekeningen

2.6. De bewonerscomités stellen dat de geluidsbelasting vanwege het verkeer op het tracé niet juist is berekend. Volgens hen heeft de minister op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder ten onrechte een correctie van 2 dB toegepast, omdat een eventuele vermindering van de geluidsbelasting door stillere motoren en stiller wegdek teniet wordt gedaan door de toename van de verkeersintensiteit met 45 tot 50%. De bewonerscomités betogen verder dat in de modelberekeningen voor het jaar 2009 ten onrechte is uitgegaan van - niet aanwezig - ZOAB, alsook dat in het rekenmodel ten onrechte onvoldoende, dan wel geen rekening is gehouden met extra geluid door toename van het verkeer, de verkleining van de afstand van de Waalbrug tot de woningen van derden, de omstandigheid dat de A50 in de toekomstige situatie hoger komt te liggen en het hoogteverschil tussen de geluidsschermen. Nadelige effecten door het hoogteverschil worden volgens hen versterkt door de westenwind. De bewonerscomités en [appellant sub 11] stellen dat het rekenmodel geen rekening houdt met de achteruitgang van de geluiddemping van tweelaags ZOAB als gevolg van slijtage.

2.6.1. Ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder stelt de minister regels op grond waarvan telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, bij de berekening en meting van de geluidsbelasting van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen op het resultaat een door hem bepaalde aftrek van niet meer dan 5 dB wordt toegepast.

Ingevolge artikel 3.6, aanhef en onder a, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: het RMV), voor zover hier van belang, bedraagt de ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder toe te passen aftrek op de waarde van het equivalent geluidsniveau, vanwege een weg, van de gevel van een woning: 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 kilometer per uur of meer bedraagt.

2.6.2. Aan het tracébesluit ligt het akoestisch rapport "Tracébesluit A50 Ewijk-Valburg" met nummer V.2009.0970.00.R001, gedateerd 12 januari 2010 (hierna: het akoestisch rapport) ten grondslag. Op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 3.6, aanhef en onder a, van het RMV dient een correctie van 2 dB te worden toegepast. Voor het achterwege laten daarvan in verband met toename van de verkeersintensiteit bestaat, anders dan de bewonerscomités menen, geen ruimte.

In het deskundigenbericht is vastgesteld dat op juiste wijze rekening is gehouden met de invloed van de weersomstandigheden op de geluidsoverdracht en dat de afstanden tussen de woningen en de huidige en nieuwe Waalbrug correct zijn gemodelleerd in het rekenmodel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende geluidsbelasting in zoverre onjuist is. Dat bij de berekening van de heersende geluidsbelasting is uitgegaan van nog niet aangebrachte ZOAB wordt verklaard in paragraaf 4.6 van het akoestisch rapport. Volgens deze paragraaf is het verschil in geluidsbelasting tussen de huidige en toekomstige situatie kleiner als van ZOAB wordt uitgegaan. Door het kleinere verschil in geluidsbelasting zouden er minder woningen zijn ten aanzien waarvan sprake is van een aanpassing van de weg (hierna: aanpassingswoningen) nu op grond van artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder pas van aanpassing wordt gesproken indien de geluidsbelasting met 2 dB of meer toeneemt. Dit heeft een negatief effect op de berekening van toe te passen geluidsreducerende maatregelen. Het rekening houden met ZOAB geeft volgens het akoestisch rapport een gunstiger resultaat voor omwonenden. Dit standpunt uit het akoestisch rapport wordt in het deskundigenbericht onderschreven. De Afdeling ziet in hetgeen de bewonerscomités hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt onjuist is.

Wat betreft de slijtage van het wegdek, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 30 maart 2011, in zaak nr. 201005121/1/M2 overwogen dat, kort weergegeven, bij de vaststelling van de geluidemissie van het wegdek door middel van het toepassen van correctiefactoren rekening wordt gehouden met de effecten van slijtage van het wegdek. Zoals in die zaak ziet de Afdeling ook hier geen aanleiding voor het oordeel dat het RMV buiten toepassing moet blijven, omdat in de hierin voorgeschreven rekenmethodiek niet in andere of verdergaande mate rekening wordt gehouden met de slijtage van verschillende wegdektypen.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgangspunten in het gehanteerde rekenmodel onjuist zijn.

De beroepsgronden falen.

2.7. De bewonerscomités stellen onder verwijzing naar metingen van de geluidskwaliteit van de woonomgeving bij de A50 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) dat de werkelijke geluidsbelasting ter plaatse van woningen van derden hoger is dan in het akoestisch rapport is berekend. Volgens hen had het geluid bovendien moeten worden gemeten in plaats van berekend. [appellant sub 2], [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] stellen dat het geluid van de voegovergangen ter hoogte van de Waalbrug ten onrechte niet is meegenomen bij het bepalen van de geluidsbelasting op hun woningen vanwege het tracé. Zij stellen dat geluidgrenswaarden hadden moeten worden gesteld voor het geluid vanwege de voegovergangen. Ook de bewonerscomités, B&W van Beuningen en [appellant sub 9] betogen dat het geluid van de voegovergangen ten onrechte niet is meegenomen in de berekeningen. B&W van Beuningen voert in dit kader aan dat het geluid van de voegovergangen op grond van artikel 3.3. van het RMV, gelezen in samenhang met de "Handleiding Akoestisch Onderzoek Wegverkeer" van Rijkswaterstaat had moeten worden gemeten. Artikel 4, tweede lid, van het trac ébesluit waarborgt volgens B&W van Beuningen geenszins dat geluidstille voegovergangen zullen worden gebruikt.

2.7.1. Ingevolge artikel 110d van de Wet geluidhinder , voor zover hier van belang, wordt ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een weg voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau bij ministeriële regeling aangegeven:

a. op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en

b. op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid.

Hieraan is uitvoering gegeven in het RMV.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het RMV wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het trac ébesluit worden de voegovergangen van de Waalbrug en alle viaducten in de A50 tussen de knooppunten Ewijk en Valburg aangepast ter verbetering van de akoestische eigenschappen.

2.7.2. De door de bewonerscomités via de website van het RIVM verkregen indicatie van de geluidskwaliteit in de woonomgeving van omwonenden van het tracé is hier niet doorslaggevend. De Afdeling wijst in dit verband erop dat het RIVM op zijn website stelt dat voor een nauwkeurige bepaling van de geluidsbelasting en het toetsen daarvan aan wettelijke normen altijd een lokaal akoestisch onderzoek nodig is, uitgevoerd door een daartoe gekwalificeerd bureau. Ten behoeve van het tracébesluit is akoestisch onderzoek uitgevoerd door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het akoestisch rapport. De bewonerscomités hebben met een verwijzing naar de metingen van het RIVM niet aannemelijk gemaakt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen van derden hoger zal zijn dan in het akoestisch rapport is berekend.

2.7.3. Voor de akoestische onderbouwing van de bij het bestreden besluit vastgestelde hogere waarden zijn de geluidsberekeningen uitgevoerd in overeenstemming met het RMV. Toegepast is de in bijlage III bij het RMV opgenomen Standaardrekenmethode II. In hetgeen de bewonerscomités betogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de geluidsbelastingen niet heeft kunnen vaststellen op basis van rekenmodellen. De Afdeling merkt hierbij op dat het vaststellen van de geluidsbelasting door middel van een meting ten behoeve van het nemen van een tracébesluit niet mogelijk is, omdat de daarbij te betrekken toekomstige situatie uit de aard der zaak alleen kan worden beoordeeld aan de hand van een rekenmodel.

2.7.4. Uit het RMV, noch uit de Standaardrekenmethode II volgt dat rekening moet worden gehouden met voegovergangen. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport onjuistheden bevat.

Overigens heeft de minister kennelijk mede met het oog op artikel 4.2 van het trac ébesluit, waarin is bepaald dat de voegovergangen van de Waalbrug en alle viaducten in de A50 tussen de knooppunten Ewijk en Valburg worden aangepast ter verbetering van de akoestische eigenschappen, gekeken naar het geluid afkomstig van de voegovergangen. Uit de door de minister overgelegde "Nota Geluidsaspecten voegovergangen" van RWS Milieuadvies, gedateerd 6 juli 2010 (hierna: de Nota), blijkt dat het equivalente geluidsniveau als gevolg van piekniveaus vanwege voegovergangen vanaf een haakse afstand tot de weg van circa 25 meter verwaarloosbaar is. Het waarneempunt op de dichtstbijzijnde woning bevindt zich volgens de Nota op een afstand van circa 105 meter van de toekomstige westbaan van de verbrede A50 en vrijwel loodrecht ten opzichte van de noordelijke voegovergang, zodat het verhogende effect van de piekniveaus vanwege de voegovergang op het equivalente geluidsniveau verwaarloosbaar is. Volgens de Nota geeft het geluid van de voegovergangen geen verhoging van de in het akoestisch rapport berekende waarden. In het deskundigenbericht is de Nota onderschreven.

2.7.5. B&W van Beuningen heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voegovergangen als bedoeld in artikel 4.2 van het trac ébesluit niet naar behoren zullen worden uitgevoerd. Hetgeen hij daarover aanvoert, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het tracébesluit.

2.7.6. De beroepsgronden falen.

Geluidhinder - doelmatigheidsafweging

2.8. B&W van Beuningen stelt dat de verdeling van de woningen in clusters voor de doelmatigheidsafweging van te nemen geluidsreducerende maatregelen, arbitrair is. Volgens B&W van Beuningen voldoet het tracébesluit daarmee niet aan artikel 2 van de Regeling doelmatigheid geluidsmaatregelen Wet geluidhinder. De bewonerscomit és betogen dat de doelmatigheid van maatregelen voor cluster E - anders dan voor cluster D - is beoordeeld zonder rekening te houden met de voorziene geluidsschermen. De doelmatigheid van maatregelen voor cluster D had volgens hen op dezelfde wijze als voor cluster E moeten worden beoordeeld. De bewonerscomités, [appellant sub 2], [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] voeren voorts aan dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen aan de westzijde van de weg ten onrechte groter is dan aan de oostzijde. Dit komt volgens hen door de weerkaatsing van het geluid op het hogere geluidsscherm aan de oostzijde van de weg en de zogeheten klapgaten aan de westzijde van de weg. Ook zijn volgens de bewonerscomités ter hoogte van de gemeente Overbetuwe bovenwettelijke geluidsmaatregelen getroffen waardoor ook daarom ongelijkheid tussen de verschillende clusters bestaat.

2.8.1. Voor aanpassingswoningen en voor woningen waarbij de geluidsbelasting op 1 maart 1986 hoger was dan 60 dB(A) (hierna: saneringswoningen) dient ingevolge artikel 87f, zesde lid, van de Wet geluidhinder , onderscheidenlijk artikel 87g, zevende lid, te worden beoordeeld of het treffen van maatregelen ter beperking van de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige objecten geen overwegende bezwaren van financiële aard ontmoet.

Voor de ingevolge artikel 87g, zevende lid, van de Wet geluidhinder vereiste beoordeling heeft de minister voor saneringswoningen het zogenoemde schermcriterium toegepast. Met dit criterium wordt berekend hoeveel een geluidsscherm maximaal mag kosten. Indien de werkelijke kosten van het vereiste scherm hoger zijn dan de berekende maximale kosten is het scherm niet doelmatig. De maximale kosten worden berekend aan de hand van de parameters in het formulier "Berekening maximale schermkosten wegverkeerslawaai" dat bij de (inmiddels vervallen) Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai hoort.

Voor de ingevolge artikel 87f, zesde lid, van de Wet geluidhinder vereiste beoordeling heeft de minister voor aanpassingswoningen het zogenoemde doelmatigheidscriterium toegepast. Dit criterium komt er, kort weergegeven, op neer dat maatregelen doelmatig zijn als zij minder kosten dan een vast normbedrag.

2.8.2. In het akoestisch rapport is beargumenteerd weergegeven welke geluidsreducerende maatregelen doelmatig worden geacht, welke geluidsbelastingen na het treffen van deze maatregelen optreden en voor welke woningen hogere waarden voor de toegestane geluidsbelasting vanwege de A50 moeten worden vastgesteld. De niet nader onderbouwde stelling van B&W van Beuningen over de clusterindeling geeft geen aanleiding voor het oordeel dat een onjuiste doelmatigheidsafweging heeft plaatsgevonden. Volgens paragraaf 4.15.5 van het akoestisch rapport is de indeling van geluidsgevoelige bestemmingen in clusters afhankelijk van de beoordeelde maatregel. De indeling wordt volgens deze paragraaf telkens zo gemaakt dat alle geluidsgevoelige bestemmingen die gevolgen van de aanpassing van een weg ondervinden en profiteren van een bepaalde maatregel, in de desbetreffende beoordeling van de doelmatigheid worden meegenomen. Niet is aannemelijk gemaakt dat de clusterindeling onjuist is en dat daarom in zoverre een onjuiste beoordeling van de doelmatigheid heeft plaatsgevonden. De door B&W van Beuningen vermelde Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder geeft evenmin aanleiding tot dat oordeel. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van die regeling kan de regeling buiten toepassing blijven op de onderstaande besluiten, totdat deze onherroepelijk zijn geworden: a. het vaststellen van een tracébesluit waarvan het ontwerp, respectievelijk een gewijzigd ontwerp als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Trac éwet, is vastgesteld vóór de eerste dag van de derde kalendermaand volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling. Het ontwerp-tracébesluit is vastgesteld op 27 maart 2009 en derhalve ruim vóór de inwerkingtreding van voormelde regeling op 1 januari 2010. De Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder is dan ook niet van toepassing op het tracébesluit.

2.8.3. Het verschil tussen de maatregelen aan de oost- en de westzijde van de A50 is volgens het deskundigenbericht te verklaren doordat aan de oostzijde meer saneringswoningen en veel meer aanpassingswoningen zijn gelegen dan aan de westzijde en de dichtheid van de woningen aan de oostzijde groter is, zodat aan de oostzijde meer geluidsreducerende maatregelen financieel doelmatig zijn dan aan de westzijde. In het deskundigenbericht wordt verder geconcludeerd dat de aanpak in subcluster E1 - waarvoor volgens de bewonerscomités ten onrechte is gerekend zonder de voorziene geluidsschermen - in overeenstemming is met de uitgangspunten van het doelmatigheidscriterium, alsmede dat de situaties aan de oost- en westzijde van de A50 - onderscheidenlijk de clusters E, later opgedeeld in subclusters E1 en E2, en D - niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd. Het schermcriterium is eveneens op juiste wijze toegepast, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de gemaakte doelmatigheidsafweging, aldus het deskundigenbericht. De Afdeling ziet geen aanleiding in zoverre aan de bevindingen in het deskundigenbericht te twijfelen.

2.8.4. Ter zitting heeft de minister nader toegelicht dat bij de doelmatigheidsafweging voor subcluster E2 na toepassing van saneringsschermen en tweelaags ZOAB nog ruim 80 aanpassingswoningen met een overschrijding van de grenswaarde resteerden en aanvullende schermen voor dit cluster niet doelmatig zijn gebleken. Dit in tegenstelling tot cluster D waar na toepassing van saneringsschermen en tweelaags ZOAB, op één woning na, bij alle aanpassingswoningen de overschrijding van de grenswaarde ongedaan wordt gemaakt. De minister heeft voor subcluster E2 een mogelijkheid gezocht het aantal van 80 aanpassingswoningen met een overschrijding van de grenswaarde te verlagen. Daarom is, volgens de minister, voor subcluster E2 - anders dan gebruikelijk - eerst bekeken welke aanpassingsmaatregelen doelmatig werden geacht om vervolgens de saneringsmaatregelen te beoordelen. Uiteindelijk resteerden in subcluster E2 vier aanpassingswoningen met een overschrijding van de grenswaarde. De minister stelt dat een andere volgorde voor de beoordeling van de sanerings- en aanpassingsmaatregelen voor cluster D niet nodig was. De Afdeling oordeelt dat het hanteren van een andere volgorde bij de beoordeling van de doelmatigheid van geluidsreducerende maatregelen voor cluster E onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet onredelijk is. Anders dan de bewonerscomités veronderstellen betreffen de clusters D en E niet gelijke gevallen.

2.8.5. Er bestaat geen wettelijke plicht bovenwettelijke maatregelen te treffen. De maatregelen ter hoogte van de gemeente Overbetuwe worden volgens het akoestisch rapport bovendien gefinancierd door de gemeente zelf. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister het tracébesluit in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen nemen zonder verdergaande maatregelen voor te schrijven.

2.8.6. In hetgeen B&W van Beuningen, de bewonerscomités, [appellant sub 2], [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de doelmatigheidsafweging in het bestreden tracébesluit op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

De beroepsgronden falen.

Geluid - vertrouwensbeginsel

2.9. De bewonerscomités, [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] stellen dat in het tracébesluit ten onrechte geen rekening is gehouden met door de minister in het verleden gedane toezeggingen over de plaatsing van geluidsschermen ter hoogte van Ewijk.

2.9.1. Volgens de toelichting op het tracébesluit en zoals de minister in het verweerschrift stelt, heeft B&W van Beuningen in het verleden twee saneringsprogramma's ter beperking van de geluidsbelasting vanwege de A50 ingediend, waarbij werd voorzien in de oprichting van een geluidsscherm langs de A50 in de gemeente Beuningen. Volgens het eerste saneringsprogramma was het vooralsnog de bedoeling om aan beide zijden van de weg een niet reflecterend scherm te plaatsen met een lengte van onderscheidenlijk 1.000 en 650 meter. Dit programma is niet vastgesteld, omdat de doelmatigheid op onjuiste wijze was beoordeeld. In het tweede saneringsprogramma was aan de westzijde van de A50, ter hoogte van de Van Heemstraweg, een geluidsscherm opgenomen van 180 meter lang en 1,5 meter hoog. Dit tweede saneringsprogramma is volgens de toelichting op het tracébesluit niet vastgesteld, omdat er inmiddels samenloop bestond met het tracébesluit. De minister stelt dat in het akoestisch rapport, ter hoogte van de Van Heemstraweg, een geluidsscherm van 120 meter lang en 1,5 meter hoog doelmatig wordt geacht. Nu het tweede saneringsprogramma volgens de minister zou zijn vastgesteld indien het tracébesluit niet zou zijn genomen, is in het tracébesluit in artikel 4, derde lid, voorzien in scherm van 180 meter lang en 1,5 meter hoog.

2.9.2. Van concrete toezeggingen van de minister dat verdergaande maatregelen dan het in artikel 4, derde lid, van het trac ébesluit vermelde scherm worden getroffen is niet gebleken. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen. Als zodanige toezeggingen kunnen niet gelden de gesprekken die Rijkswaterstaat met omwonenden heeft gevoerd over de uitvoering van de geluidsreducerende maatregelen in het kader van voormelde saneringsprogramma's.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder - overige gronden

2.10. B&W van Beuningen voert aan dat in verband met de constructie van de bestaande Waalbrug niet vaststaat of daarop dubbellaags ZOAB kan worden aangebracht. Volgens hem is in dat kader ten onrechte geen rekening gehouden met het treffen van extra maatregelen, zoals het plaatsen van een extra pijler.

De Afdeling stelt voorop dat het tracébesluit wel een beslissing inhoudt over de te treffen geluidsreducerende maatregelen, maar geen beslissing over de exacte uitvoering daarvan. Ter beoordeling staat thans slechts of de minister er bij het nemen van het tracébesluit en het daarvoor opgestelde akoestische rapport op goede gronden van is uitgegaan dat het aanbrengen van de dubbellaags ZOAB technisch gezien mogelijk is. B&W van Beuningen heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 4] stelt dat de geluidsreducerende maatregelen vanwege het tracé ter plaatse van zijn woning onvoldoende zijn. Hij acht het binnenniveau niet aanvaardbaar, omdat hij in de slaapkamers op de verdieping ernstige overlast ervaart. Nu zijn woning een niet afgehandelde saneringslocatie uit 1986 betreft, wenst [appellant sub 4] een toezegging over de wijze en tijdstip waarop geluidwerende voorzieningen worden getroffen.

2.11.1. Artikel 111a, tweede lid, van de Wet geluidhinder , voorziet er - kort samengevat - in dat burgemeester en wethouders indien met bestrekking tot de gevels van aanwezige woningen een hogere geluidsbelasting is vastgesteld, maatregelen treffen met betrekking tot de geluidwering van die gevels om te bevorderen dat de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen niet meer dan 43 dB bedraagt.

2.11.2. In de onderhavige procedure staan alleen het tracébesluit en de daarbij vastgestelde hogere waarden ter beoordeling. De door [appellant sub 4] genoemde binnenwaarde als bedoeld in artikel 111a, tweede lid, van de Wet geluidhinder maakt geen deel uit van het bestreden trac ébesluit. De door [appellant sub 4] gewenste toezegging heeft evenmin betrekking op de rechtmatigheid van het tracébesluit, zodat de beroepsgronden in zoverre falen.

2.11.3. De woning van [appellant sub 4] is een saneringswoning. Ter hoogte van deze woning wordt op grond van artikel 4, derde lid, van het trac ébesluit langs het tracé een geluidsscherm van 200 meter lang en 4 meter hoog opgericht. Volgens het akoestisch rapport zijn verdergaande maatregelen financieel niet doelmatig. Deze conclusie wordt in het deskundigenbericht onderschreven. [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn. Voor de woning van [appellant sub 4] zijn in het tracébesluit hogere waarden vastgesteld van onderscheidenlijk 55 dB op 1,5 meter hoogte, 59 dB op 5 meter hoogte en 60 dB op 7,5 meter hoogte. De in artikel 87g, derde lid, van de Wet geluidhinder opgenomen maximale norm van 68 dB wordt met de voor deze woning vastgestelde hogere waarden niet overschreden.

In hetgeen [appellant sub 4] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidsreducerende maatregelen ter plaatse van zijn woning onvoldoende zijn om geluidhinder te voorkomen.

De beroepsgronden falen.

2.12. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] stellen dat hun woning in het tracébesluit ten onrechte niet als saneringswoning is aangemerkt, nu volgens het rapport van ingenieursbureau Haskoning op hun woning in 1986 een geluidsbelasting van 65,2 dB(A) bestond. Daarnaast stellen zij dat de geluidsbelasting vanwege het tracé op hun woning ten onrechte alleen op de oostgevel is berekend, nu zij ook op de noord- en zuidgevel van hun woning hinder ondervinden van het tracé.

2.12.1. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] wonen aan de [locatie 1] te Ewijk. Volgens bijlagentabel 3.1.3 van het akoestisch rapport was de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] in 1986 lager dan 60 dB(A) of gelijk daaraan, zodat de woning geen saneringswoning is. Anders dan [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] veronderstellen, is hun woning in voormelde tabel wel aangemerkt als aanpassingswoning.

Het beroep van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] op het rapport van Haskoning leidt niet tot het oordeel dat de woning van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] een saneringswoning is. De Afdeling heeft hierbij laten wegen dat volgens het deskundigenbericht bij de berekeningen in dit rapport de standaardrekenmethode I is gebruikt, welke methode in eenvoudige situaties zonder afschermingen en zonder grote variaties in ligging en verkeersgegevens. Met de standaardrekenmethode II, waarmee in het akoestisch rapport is gerekend, wordt volgens het deskundigenbericht in complexe situaties - zoals hier aan de orde - een betrouwbaarder resultaat verkregen. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.2. In het akoestisch rapport is de geluidsbelasting vanwege het tracé op de woning van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] berekend op de oostgevel van de woning. In het deskundigenbericht is vermeld dat uit aanvullende berekeningen voor de noord- en zuidgevel van de woning blijkt dat de geluidsbelasting op die gevels 1,5 dB lager is dan het geluid op de in het akoestisch rapport vermelde oostgevel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het deskundigenbericht in zoverre onjuist is, zodat de oostgevel van de woning in het akoestisch rapport terecht als maatgevend is aangemerkt. Een berekening op de noord- en zuidgevel van de woning voegt daaraan niets toe.

De beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant sub 1] vreest geluidhinder vanwege het tracé ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 2] te Ewijk en stelt dat ten onrechte geen verdergaande geluidsreducerende maatregelen ten behoeve van zijn woning worden getroffen. Bij nader stuk van 30 maart 2011 heeft [appellant sub 1] meetresultaten behorende tot een conceptrapport van Peutz, "Onderzoek naar de optredende geluidniveaus in de gemeente Beuningen ten gevolge van de Rijksweg A50" met nummer HA 3856-2-RA van 29 maart 2011, overgelegd. Naar aanleiding van dit rapport stelt [appellant sub 1] dat ter plaatse van zijn woning niet kan worden voldaan aan de maximale geluidsnorm van 68 dB. Ook stelt hij dat de gemeente Beuningen ten onrechte haar saneringsverplichting niet nakomt.

2.13.1. Op grond van de Wet geluidhinder dient bij de berekeningen uit te worden gegaan van het RMV. In het deskundigenbericht is vermeld dat het gebied rond de woning van [appellant sub 1] juist is gemodelleerd in het rekenmodel, de geluidsreducerende voorzieningen conform artikel 4 van het trac ébesluit zijn gemodelleerd en de met het rekenmodel berekende waarden overeenkomen met de waarden uit de resultatentabellen uit bijlage 3 van het akoestisch rapport. Door de geluidsreducerende maatregelen wordt de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 1] volgens het deskundigenbericht teruggebracht tot 61 dB op 1,5 meter hoogte en 66 dB op 5 meter hoogte. Dit zijn de in het tracébesluit vastgestelde hogere waarden voor de woning van [appellant sub 1]. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn. [appellant sub 1] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de berekeningen ten behoeve van de geluidsbelasting vanwege het tracé op zijn woning onjuist zijn uitgevoerd. De door hem overgelegde, op een beperkt aantal dagen uitgevoerde, geluidsmetingen maken dit niet anders.

De saneringsverplichting van de gemeente Beuningen gaat het bereik van het tracébesluit te buiten; inhoudelijke bespreking daarvan is hier dan ook niet aan de orde.

In hetgeen [appellant sub 1] aanvoert ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidsbelasting vanwege het tracé gelet op de specifieke situatie ter plaatse van zijn woning onjuist is berekend, dan wel dat aanvullende geluidsreducerende maatregelen nodig zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant sub 3] stelt dat de minister bij het nemen van het tracébesluit ten onrechte is uitgegaan van het akoestisch rapport. Volgens hem is onduidelijk of, en zo ja op welke wijze, de geluidsbelasting op de gevel van zijn woning is berekend. Voor hem is niet te controleren of zijn woning in het akoestisch rapport - zoals de minister stelt - met een verkeerd huisnummer is weergegeven. Ook is er volgens [appellant sub 3] geen rekening mee gehouden dat de geluidsbelasting op zijn woning groter is door de sloop van de naastgelegen woning. Verder blijkt volgens hem niet uit het akoestisch rapport welke maatregelen ter voorkoming van geluidhinder ter plaatse van zijn woning worden getroffen. [appellant sub 3] stelt dat zijn belangen onvoldoende bij het nemen van het bestreden tracébesluit zijn betrokken.

2.14.1. De woning van [appellant sub 3] is gelegen aan de [locatie 3] te Ewijk. Volgens paragraaf 2.5 van het akoestisch rapport is deze woning naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerp-tracébesluit toegevoegd aan het akoestisch onderzoek. In het deskundigenbericht is vermeld dat de woning die gesloopt is niet is meegenomen in het akoestisch onderzoek. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

Voor de woning van [appellant sub 3] is niet eerder een hogere waarde vastgesteld. De huidige geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] bedraagt volgens bijlagentabel 3.1.3 van het akoestisch rapport 57 dB op 1,5 meter hoogte en 59 dB op 5 meter hoogte. Op grond van artikel 87f, derde lid, van de Wet geluidhinder is deze huidige geluidsbelasting de grenswaarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel. Zonder maatregelen bedraagt de toekomstige geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] 59 dB op 1,5 meter hoogte en 61 dB op 5 meter hoogte. De woning van [appellant sub 3] is daardoor een aanpassingswoning in de zin van de Wet geluidhinder. Ter hoogte van de Van Heemstraweg wordt ingevolge artikel 4, derde lid, van het trac ébesluit een saneringsscherm opgericht van 180 meter lang en 1,5 meter hoog. Met deze geluidsreducerende maatregel zal de geluidsbelasting op de woning van [appellant sub 3] in 2027 op 1,5 meter hoogte 56 dB en op 5 meter hoogte 59 dB bedragen. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel. Voor de woning van [appellant sub 3] behoefde dan ook geen hogere waarde te worden vastgesteld.

In hetgeen [appellant sub 3] stelt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 3] onvoldoende bij het nemen van het tracébesluit zijn betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.15. [appellant sub 9] stelt dat het onderzoek naar de gevelisolatie ter plaatse van zijn woning door een onafhankelijk bureau moet worden uitgevoerd. Volgens hem wordt door de minister ten onrechte verwezen naar een adviesbureau dat in opdracht van Rijkswaterstaat werkt.

2.15.1. In de onderhavige procedure staan alleen het bestreden tracébesluit en de daarbij vastgestelde hogere waarden ter beoordeling. Het door [appellant sub 9] genoemde gevelisolatieonderzoek en het onderzoek naar de binnenwaarde gaan het bereik van het bestreden tracébesluit te buiten. De beroepsgrond van [appellant sub 9] heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Inhoudelijke bespreking daarvan is dan ook niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

2.16. [appellante sub 5] betoogt dat bij het nemen van het tracébesluit onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. [appellante sub 5] ziet in het akoestisch rapport bevestigd dat zij geluidhinder vanwege het tracé zal ondervinden. Volgens haar is niet uit te sluiten dat zij gezondheidseffecten van het tracé zal ondervinden. Ook staat volgens haar met het bestreden tracébesluit onvoldoende vast dat voor haar woning een binnenwaarde onder de wettelijke norm zal worden behaald.

2.16.1. [appellante sub 5] woont aan de [locatie 4] te Herveld. Deze woning is in het tracébesluit als saneringswoning aangemerkt. Uit het akoestisch rapport volgt dat saneringsschermen ter plaatse van de woning van [appellante sub 5] niet doelmatig zijn, zodat voor de woning een hogere waarde is vastgesteld. Deze hogere waarde overschrijdt de maximale norm van 68 dB uit artikel 87g, derde lid, van de Wet geluidhinder niet, zodat in zoverre aan de Wet geluidhinder wordt voldaan. Dit is door [appellante sub 5] ook niet bestreden. Gelet op het vorenstaande bestaan volgens het deskundigenbericht geen ontoelaatbare gezondheidseffecten door de geluidtoename vanwege de A50 ten gevolge van het tracébesluit. Deze conclusie komt de Afdeling niet onjuist voor. Het door [appellante sub 5] genoemde onderzoek naar de binnenwaarde maakt geen deel uit van het bestreden besluit, omdat dit alleen het tracébesluit en de daarbij vastgestelde hogere waarden betreft. Inhoudelijke bespreking van de grond is in zoverre dan ook niet aan de orde.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.17. [appellante sub 5] betoogt dat ten onrechte niet is getoetst aan de richtwaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5).

De richtwaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5) is geen toetsingsmaatstaf voor het nemen van besluiten zoals het tracébesluit. De richtwaarde dient ingevolge artikel 5.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer samen met het Besluit maatregelen richtwaarden (luchtkwaliteiteisen), als maatstaf voor een door de minister vast te stellen plan of programma dat gericht moet zijn op het voor zover mogelijk bereiken van de richtwaarde.

De beroepsgrond faalt.

2.18. De bewonerscomités en B&W van Beuningen voeren aan dat het tracébesluit in strijd is met de richtlijn 2008/50/EG betreffende luchtkwaliteit (hierna: de richtlijn). B&W van Beuningen stelt in dit kader dat de richtlijn erop is gericht de toestand van de luchtkwaliteit te handhaven, indien deze reeds goed is, of te verbeteren. Volgens hem wordt daar met toepassing van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL) niet aan voldaan.

2.18.1. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de in de richtlijn gestelde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes en stikstofdioxide opgenomen.

Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer , voor zover hier van belang, stelt de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) met betrekking tot de in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat is gericht op het bereiken van die grenswaarde.

Ingevolge het vijfde lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, worden in het programma geen besluiten opgenomen indien het aannemelijk is dat deze besluiten een overschrijding of verdere overschrijding van een geldende grenswaarde tot gevolg hebben op het tijstip waarop, met toepassing van uitstel als bedoeld in artikel 22 van de richtlijn, aan de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide moet worden voldaan.

Het NSL is vastgesteld op grond van artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer . Het project A50 Ewijk-Valburg waarvoor het thans bestreden tracébesluit is vastgesteld, is opgenomen in het NSL.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, voor zover thans van belang, kan een tracébesluit dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien dit besluit betrekking heeft op een ontwikkeling die is genoemd in een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge het derde lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, vindt wanneer artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van toepassing is, met betrekking tot de effecten van het desbetreffende besluit geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden.

2.18.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. 201008134/1/M2 geoordeeld dat de hiervoor vermelde bepalingen, op grond waarvan geen toetsing aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer gestelde - aan de richtlijn ontleende - grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide behoeft plaats te vinden, niet in strijd zijn met de richtlijn, omdat de grenswaarden ingevolge de richtlijn en gezien de toepassing van artikel 22 van die richtlijn pas van af 11 juni 2011 onderscheidenlijk 1 januari 2015 gelden. Tevens heeft de Afdeling geoordeeld dat de bepalingen over het NSL in titel 5.2 van de Wet milieubeheer gericht zijn op het bereiken van de grenswaarden en evenmin in strijd zijn met artikel 22 van de richtlijn op grond waarvan door middel van een luchtkwaliteitsplan moet worden aangetoond hoe na de periode van uitstel aan de grenswaarden kan worden voldaan.

De Afdeling ziet in de onderhavige procedure geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgronden falen.

2.19. B&W van Beuningen stelt dat het NSL in strijd is met de Wet milieubeheer, omdat het programma niet is gericht op het bereiken van de daarin genoemde grenswaarden voor luchtkwaliteit. De bewonerscomités stellen dat hoewel het project A50 Ewijk-Valburg is opgenomen in het NSL, onderzoek moet worden verricht naar de huidige en toekomstige luchtkwaliteit nu volgens het Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit Gelderland (hierna: RSL) de grenswaarden langs het traject van de A50 tussen de knooppunten Ewijk en Valburg worden overschreden. Volgens hen is ten onrechte ook niet onderzocht of een verlaging van de snelheid noodzakelijk is om aan de luchtkwaliteitnormen te voldoen en is onvoldoende rekening gehouden met de nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit doordat de geluidsschermen niet op elkaar aansluiten. [appellant sub 1] stelt - kort weergegeven - dat de minister onvoldoende maatregelen treft tegen de toename van concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide. [appellant sub 9], [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] stellen dat ten onrechte niet is onderzocht of de zwevende deeltjes tot gezondheidsschade bij omwonenden van het tracé zullen leiden. [appellant sub 9] betoogt dat niet duidelijk is op welke wijze omwonenden van de jaarlijkse monitoring op de hoogte worden gebracht. [appellante sub 5] stelt dat voor de gevolgen voor de luchtkwaliteit vanwege het tracé ook naar stikstofdioxide had moeten worden gekeken.

2.19.1. In haar uitspraak van 31 maart 2010, in zaak nr. 200900883/1/H1, heeft de Afdeling overwogen dat een exceptieve toetsing van het NSL-besluit aan artikel 5.12 van de Wet milieubeheer mogelijk is. Concreet betekent dit, dat moet worden beoordeeld of het NSL overeenkomstig het eerste lid van dit artikel is gericht op het bereiken van grenswaarden die worden of dreigen te worden overschreden en of er overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel geen besluiten in zijn opgenomen waarvan aannemelijk is dat deze na afloop van de uitsteltermijn leiden tot een overschrijding of verdere overschrijding van de grenswaarden waarvoor met toepassing van artikel 22 van de richtlijn uitstel is verkregen.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 januari 2011 in zaak nr. 200901660/1/M3 (www.raadvanstate.nl), brengt het enkele feit dat de uitgangspunten die bij het opstellen van het NSL zijn gebruikt, gedurende de looptijd van het programma mogelijkerwijs bijstelling behoeven, niet met zich dat het programma in strijd is met artikel 5.12 van de Wet milieubeheer . Zo lang uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 5.12 en 5.14 van de Wet milieubeheer , kan niet worden geoordeeld dat het plan in strijd is met artikel 5.1 2.

2.19.2. B&W van Beuningen heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide kan worden voldaan op het moment dat zij gaan gelden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het NSL in strijd is met artikel 5.12 van de Wet milieubeheer . Nu het project is opgenomen in het NSL is op grond van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer , gelezen in samenhang met het tweede lid, onder d, en het derde lid, geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk. De grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide vormen dus geen beletsel om het tracébesluit vast te stellen. Voorts brengt de systematiek van de Wet milieubeheer - anders dan appellanten veronderstellen - mee dat nader onderzoek niet nodig is. Hetgeen daarover is aangevoerd, kan derhalve onbesproken blijven.

Ten slotte gaat de vraag op welke wijze omwonenden op de hoogte zullen worden gebracht van de jaarlijkse monitoring het bereik van het bestreden besluit te buiten. Inhoudelijke bespreking daarvan is dan ook niet aan de orde.

De beroepsgronden falen.

Verkeersveiligheid

2.20. [appellant sub 1] stelt dat zijn veiligheid met het tracébesluit onvoldoende is gewaarborgd. In dit kader voert [appellant sub 1] aan dat de weg met het tracébesluit naast zijn woning komt te liggen en de minister onvoldoende maatregelen treft om de vermindering van de veiligheid op te heffen. [appellant sub 1] stelt dat de op zijn perceel aanwezige aarden wal buiten de beoordeling van de veiligheid moet worden gehouden.

2.20.1. Volgens het deskundigenbericht geeft het tracébesluit geen aanleiding tot verslechtering van de verkeersveiligheid in die zin dat rekening moet worden gehouden met een verhoogde kans dat de woning van [appellant sub 1] wordt geraakt door een voertuig dat bij een ongeval is betrokken. Ook na de wegverbreding is er een vluchtstrook die in belangrijke mate de verkeersveiligheid bevordert, aldus het deskundigenbericht. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn. De minister heeft ter zitting nader toegelicht dat bij het beoordelen van de verkeersveiligheid geen rekening is gehouden met de aarden wal op het perceel van [appellant sub 1]. Gelet op de afstand van de rijbaan tot het perceel van [appellant sub 1] met daar tussen een geleiderail en geluidsscherm van 3 meter hoog, kan de aarden wal volgens de minister worden verwijderd zonder dat de veiligheid in het geding komt. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. Zij ziet gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het tracébesluit in verband met de veiligheid niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

De beroepsgrond faalt.

Externe veiligheid

2.21. [appellante sub 5] stelt dat met het tracébesluit een verslechtering van de externe veiligheid optreedt. In dit kader voert zij aan dat de kans op ongelukken met gevaarlijke stoffen wordt vergroot en dat daarop in het tracébesluit ten onrechte niet is ingegaan.

2.21.1. De minister heeft bij de beoordeling van de externe veiligheid de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de circulaire risiconormering) tot uitgangspunt genomen. Op grond van de circulaire risiconormering dient, kort gezegd, bij een nieuwe situatie - zoals hier - het plaatsgebonden risico bij kwetsbare objecten kleiner dan 10-6 per jaar te zijn en moet het bestuursorgaan verantwoording moet afleggen bij het nemen van het besluit wanneer het groepsrisico boven de in de circulaire gegeven oriëntatiewaarden ligt of wanneer het groepsrisico toeneemt.

2.21.2. Aan het tracébesluit ligt het rapport "Externe veiligheid A50 tussen Ewijk en Valburg" van Save, gedateerd 8 januari 2010, ten grondslag. Bij dit onderzoek zijn de gevolgen voor de externe veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen op zowel de A50 als op de A15, A73 en N322 betrokken. In het onderzoek is berekend dat het plaatsgebonden risico buiten het tracé in alle gevallen kleiner is dan 10-6 per jaar. In zoverre wordt voldaan aan de in deze in de circulaire risiconormering genoemde grenswaarde.

In het rapport is berekend dat het groepsrisico als gevolg van het tracébesluit niet toeneemt. In de autonome situatie neemt het groepsrisico als gevolg van de autonome groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen toe. Deze marginale toename van het groepsrisico is volgens het rapport onvermijdbaar en is niet toe te schrijven aan het tracébesluit. [appellante sub 5] heeft de conclusies in het rapport niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het tracébesluit in verband met de externe veiligheid niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

De beroepsgrond faalt.

Natuurcompensatie

2.22. [appellant sub 2] stelt dat in het tracébesluit de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting op natuurgebieden vallend onder de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS) en/of Natura 2000 ten onrechte niet inzichtelijk is gemaakt. In dit kader stelt hij dat het verschil tussen de autonome situatie en de situatie na de wegverbreding in 2027 onverklaarbaar groot is en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het geluid van de voegovergangen. [appellant sub 2] stelt dat wat betreft de in het natuurplan opgenomen compensatiemaatregelen voor de knoflookpad ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidgevoeligheid van de soort.

2.22.1. Ten behoeve van het wegaanpassingsbesluit is onderzoek verricht naar de mogelijke invloed op de EHS en natuur die rondom het tracé ligt. De resultaten van de onderzoeken zijn vastgelegd in de rapporten "Natuurplan A50 Ewijk-Valburg" van Arcadis, gedateerd 27 januari 2010 (hierna: het natuurplan), en "Passende beoordeling verbreding Rijksweg A50 Ewijk-Valburg", eveneens van Arcadis, gedateerd 22 februari 2010 (hierna: de passende beoordeling).

Volgens de passende beoordeling vindt door de aanleg van een tweede Waalbrug tussen Ewijk en Valburg ruimtebeslag plaats op het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Waal. Dit ruimtebeslag van 2,6 hectare wordt als een significant effect aangemerkt. Volgens dit rapport zijn effecten als gevolg van verstoring door geluid uitgesloten, mits verschillende compenserende maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in artikel 8 van het trac ébesluit. Het deskundigenbericht onderschrijft de conclusies in voormelde rapporten. Wat betreft het verschil tussen de autonome situatie en de situatie na de wegverbreding in 2027, wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat het verschil in geluidsbelasting in de twee situaties te verklaren is door de toepassing van geluidsreducerende maatregelen. Geconcludeerd wordt dat voor alle gebieden geldt dat de geluidsbelasting in 2027 lager is dan in de huidige situatie. Gelet op de contouren die zijn ingetekend in de Natura 2000-gebieden en de EHS is volgens het deskundigenbericht te verklaren dat de oppervlakte van de geluidsbelaste gebieden afneemt. Hierbij wordt opgemerkt dat de geluidscontouren in de natuurgebieden voor de toekomstige situatie praktisch volledig liggen binnen die voor de huidige situatie. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten. Nu effecten als gevolg van verstoring door geluid zijn uitgesloten, kan de eventuele geluidgevoeligheid van de knoflookpad dan ook niet leiden tot het oordeel dat de in het natuurplan opgenomen compensatiemaatregelen onvoldoende dan wel onjuist zijn.

Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre niet in redelijkheid het tracébesluit heeft kunnen vaststellen, dan wel nadere maatregelen had moeten voorschrijven.

De beroepsgrond faalt.

Visuele hinder

2.23. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] voeren aan dat in het tracébesluit ten onrechte niet is bepaald dat de taluds moeten worden beplant met volwassen bomen. Hierdoor zullen zij vanuit hun woning de eerste twintig jaar tegen het verkeer van de A50 aankijken. [appellante sub 5] vreest visuele hinder vanwege het tracébesluit, doordat haar uitzicht op bomen door de wegverbreding zal verdwijnen. Zij stelt voor een driehoekig stuk landbouwgrond ten westen van haar perceel te beplanten met extra bomen.

2.23.1. Volgens het landschapsplan zal ter hoogte van de woning van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] een nieuwe, dichte singelbeplanting worden aangebracht. Hiervoor worden echter - anders dan [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] wensen - geen volwassen bomen gebruikt. Wel wordt ter hoogte van de Van Heemstraweg, waaraan [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] wonen, een geluidsscherm opgericht. Dit scherm zal worden beplant met klimop. Volgens het landschapsplan zal het talud van de A50 ter hoogte van de woning van [appellante sub 5] worden vervangen door jonge aanplant. Het landschapsplan vermeldt dat de bos- en singelbeplanting na vier jaar een in sluiting komende beplanting is en dat het geluidsscherm binnen die termijn volledig begroeid is met klimop.

2.23.2. Het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], alsmede vanuit de woning van [appellante sub 5], zal door het tracébesluit veranderen. Hoewel het bestreden tracébesluit tijdelijk visuele hinder met zich brengt, acht de Afdeling deze tijdelijke hinder niet zodanig dat de minister het tracébesluit in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Overigens is het door [appellante sub 5] genoemde driehoekige perceel inmiddels in eigendom van het Rijk en heeft de minister ter zitting bevestigd dat de beplanting van dit perceel als compenserende maatregel zal plaatsvinden.

De beroepsgronden falen.

Evaluatie milieueffectrapportage

2.24. De bewonerscomités stellen dat in het tracébesluit onvoldoende duidelijk is gemaakt op welke wijze een evaluatie moet worden verricht. Volgens hen moeten bij de evaluatie onder meer metingen naar de geluidsbelasting vanwege het tracé en de luchtkwaliteit worden verricht. Ook zal voor aanvang van de werkzaamheden een nulmeting moeten worden uitgevoerd, waaraan bij de evaluatie kan worden getoetst, aldus de bewonerscomités. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] betogen dat het monitoren van de gevolgen voor het milieu continu en langdurig moet plaatsvinden. Daarbij is voor hen van belang dat met name de geluidsbelasting wordt geëvalueerd.

2.24.1. De Afdeling stelt voorop dat een tracébesluit gaat over het vaststellen van een tracé en niet over de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan verplichtingen op grond van artikel 7.39, eerste lid, van de Wet milieubeheer . In artikel 11 van het bestreden trac ébesluit kondigt de minister aan hoe hij voornemens is uitvoering te geven aan artikel 7.39, eerste lid, van de Wet milieubeheer . De wijze waarop een evaluatie moet worden verricht, vormt geen onderwerp van het bestreden tracébesluit. De gronden daarover kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel dat het tracébesluit niet mocht worden vastgesteld.

De beroepsgronden falen.

Samenhang met overige projecten

2.25. B&W van Beuningen voert aan dat in het tracébesluit onvoldoende rekening is gehouden met de aanleg van een nieuwe Waalbrug bij Nijmegen. In dit kader voert hij aan dat onduidelijk is welke invloed beide projecten in de aanlegfase zullen hebben op de bereikbaarheid van de gemeente Beuningen en de verkeersstromen in de regio.

2.25.1. Volgens de toelichting op het tracébesluit is de realisering van de brug bij Nijmegen meegenomen als uitgangspunt voor de berekening van de verkeersprognoses. In zoverre is dan ook rekening gehouden met de brug. De vraag naar de invloed van de projecten op de bereikbaarheid van Beuningen en de verkeersstromen in de aanlegfase betreft een aspect van uitvoering en ziet niet op de rechtmatigheid van het bestreden tracébesluit.

De beroepsgrond faalt.

Werkzaamheden met betrekking tot de wegverbreding

2.26. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] stellen dat in het tracébesluit ten onrechte niets wordt gezegd over de geluid-, trilling- en stofhinder ten gevolge van de werkzaamheden met betrekking tot de wegverbreding. Volgens hen laat de minister de invulling van de werkzaamheden ten onrechte over aan de aannemer onder verwijzing naar de circulaire Bouwlawaai van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (voorheen: het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), omdat dan niet duidelijk is bij wie zij terecht kunnen in geval van schade. [appellant sub 9] stelt dat bouwlawaai 's nachts ontoelaatbaar is. [appellant sub 1] stelt dat extra voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om zijn leef- en slaapgenot tijdens de werkzaamheden te waarborgen.

2.26.1. De Afdeling stelt voorop dat het tracébesluit de vaststelling van een ruimtelijke keuze betreft. Bouwwerkzaamheden zijn onvermijdelijk bij de realisering van onverschillig welke planologische ingreep bij de realisering van een project als hier aan de orde. De gevolgen die gepaard gaan met de werkzaamheden tijdens de aanleg van de verbreding van de A50 tussen de knooppunten Ewijk en Valburg zijn gevolgen die betrokken moeten worden bij de belangenafweging omtrent het tracébesluit, maar betreffen in beginsel details over de uitvoering daarvan. Deze hoeven niet te worden opgenomen in het tracébesluit. Voor zover [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B], [appellant sub 9] en [appellant sub 1] vrezen voor schade ten gevolge van de bouwwerkzaamheden, kunnen zij indien zij schade lijden op grond van artikel 20d van de Trac éwet een verzoek indienen om die schade vergoed te krijgen.

De beroepsgronden falen.

Schade aan woningen en gebouwen

2.27. [appellant sub 10] en [appellant sub 11] voeren aan dat de werkzaamheden ten behoeve van de wegverbreding, alsmede trillingen ten gevolge van het toegenomen aantal verkeersbewegingen kunnen leiden tot schade aan hun woningen. [appellant sub 10], [appellant sub 11] en [appellant sub 1] moet voor aanvang van de werkzaamheden een nulmeting worden verricht. [appellant sub 10], [appellant sub 11] voeren verder aan dat een deugdelijke schaderegeling in verband met het tracébesluit ontbreekt. [appellant sub 1] vreest voor waardedaling van zijn woning.

2.27.1. Op grond van artikel 20d van de Trac éwet kan een belanghebbende die schade zal leiden als gevolg van het bestreden besluit een verzoek indienen om de schade vergoed te krijgen. Ter invulling van het gestelde in artikel 20d van de Trac éwet wordt de "Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999" gehanteerd. Een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend vanaf het moment dat het tracébesluit is vastgesteld. De minister zal een beslissing op een verzoek om schadevergoeding niet eerder nemen dan nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden. De mogelijkheid om een verzoek om schadevergoeding in te dienen is tevens vermeld in artikel 12 van het trac ébesluit. De minister stelt in zijn verweerschrift dat bij schade ten gevolge van de werkzaamheden ten behoeve van de wegverbreding eveneens een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend bij de minister. De minister stelt dat op grond van het contract met de aannemer die het project gaat uitvoeren, de aannemer verantwoordelijk is voor de zogeheten nulmeting.

2.27.2. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat aan de belangen van [appellant sub 10], [appellant sub 11] en [appellant sub 1] onvoldoende gewicht is toegekend en dat daarom ten aanzien van de eventuele schade niet in redelijkheid volstaan kon worden met een verwijzing naar de in artikel 20d van de Trac éwet in samenhang met de "Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999" opgenomen mogelijkheid om een verzoek om schadevergoeding in te dienen.

De beroepsgronden falen.

Slotoverwegingen

2.28. De beroepen zijn ongegrond.

2.29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011

407-628.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature