Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek tot wraking toegewezen. Ontnemingsprocedure. Door onder de gegeven omstandigheden de verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen, welke volgens de verdediging zouden kunnen verklaren omtrent de deels legale herkomst van de gelden op de bedoelde rekeningen, zonder enig voorbehoud af te wijzen, met als motivering dat de rechtbank uitgaat van de bewezenverklaring in het vonnis - waarin wordt vermeld dat de gelden door misdrijf zijn verkregen - is een dermate onbegrijpelijke beslissing, dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing moet worden ontleend voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren in die zin, dat voor hen de illegale herkomst van de gelden vast staat.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 1 juni 2011

Zaaknummer: 376757

Rekestnummer: HA RK 11-83

Parketnummer: 10/765501-07

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoekster],

wonende te [adres],

verzoekster,

strekkende tot wraking van [namen gewraakte rechters], rechters in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 8 april 2011 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, welke kamer alstoen werd gevormd door de rechters, behandeld de tegen verzoekster als veroordeelde aanhangig gemaakte vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsvrouw van verzoekster de rechters gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de strafzaak tegen verzoekster als verdachte, alsmede van de procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen verzoekster als veroordeelde, beide dossiers met opgemeld parketnummer, waarin zich onder meer bevinden:

- het tegen verzoekster als verdachte gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 12 februari 2009;

- de tegen verzoekster als veroordeelde gerichte vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gedateerd 22 december 2010;

- het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank op 28 januari 2011;

- de conclusie van eis van de officier van justitie in de ontnemingszaak tegen verzoekster, gedateerd 24 februari 2011, met bijlagen en

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting van 8 april 2011.

Verzoekster, haar raadsvrouw, de rechters, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 19 mei 2011, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoekster, haar raadsvrouwe mr. C.H. Zuur en de officier van justitie mr. M. Wille.

Verzoekster is ter zitting gehoord met bijstand van mevrouw F. Topgüme, tolk in de Turkse taal.

De raadsvrouw van verzoekster en de officier van justitie hebben ieder hun standpunt nader toegelicht. Van de zijde van verzoekster is daarbij een pleitnotitie met bijlage voorgedragen en overgelegd.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van de brief van de raadsvrouw van verzoekster, gedateerd 14 april 2011.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

De raadsvrouw van verzoekster heeft ter zitting van de meervoudige strafkamer van 8 april 2011 onder meer betoogd, ten behoeve van een verweer ter zake de hoogte van het door het Openbaar Ministerie gevorderde bedrag alsook ten behoeve van een draagkrachtverweer:

- dat het bewezen verklaarde witwasdelict de basis vormt voor de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel;

- dat de bewezenverklaring is gebaseerd op de vaststelling dat verzoekster de gelden op de Turkse bankrekening niet had opgegeven aan de Belastingdienst of de Sociale Dienst;

- dat het voordeel dus niet het gehele bedrag op de Turkse bankrekening(en) is maar het fiscale voordeel dat verzoekster heeft genoten doordat zij dit vermogen niet heeft opgegeven aan de fiscus, plus eventueel vervolgprofijt van dat voordeel;

- dat zal worden ingegaan op de stelling van het Openbaar Ministerie dat de herkomst van al dat geld in Turkije illegaal is, omdat in tegenstellling tot hetgeen het Openbaar Ministerie meent, verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt en nog aannemelijker kan maken dat de herkomst van de gelden (deels) legaal is.

2.1.2

Ten behoeve van de onderbouwing van de verweren is verzocht om het horen van twee getuigen, te weten de dochter en de zoon van verzoekster en is ook verzocht om stukken.

Na beraadslaging in de raadkamer hebben de rechters de verzoeken afgewezen onder de volgende motivering: "In de hoofdzaak is witwas van gelden op de Turkse bankrekening bewezen verklaard. Omdat de getuigen en de verzochte stukken gaan over het punt van de legale herkomst van de bedragen op die rekening, worden die verzoeken afgewezen. Blijkens de bewezenverklaring in de hoofdzaak zijn die gelden van enig misdrijf afkomstig."

2.1.3

De raadsvrouw van verzoekster heeft de rechters vervolgens verzocht om een toelichting, omdat zij de motivering niet begreep, gezien de bewijsoverweging op pagina vijf van het vonnis van 12 februari 2009 in de hoofdzaak, voorafgaand aan de bewezenverklaring. De rechtbank overweegt in dat vonnis immers: "Gezien het bovenstaande moet geconcludeerd worden dat de gelden die gestort dan wel overgemaakt zijn op de Turkse bankrekeningen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dat de gelden mogelijk (deels) uit legale bron afkomstig zijn maakt dit oordeel niet anders."

De voorzitter [naam voorzitter] deelde mee dat de rechtbank een motivering gegeven had en dat was de motivering.

2.1.4

Hierop heeft de raadsvrouw van verzoekster de rechters gewraakt, waarbij de volgende onderbouwing is gegeven:

- de rechtbank wijkt gezien haar motivering van de afwijzing van de verzoeken af van het vonnis in de hoofdzaak. Het vonnis in de hoofdzaak houdt juist uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat de herkomst van de gelden deels legaal is terwijl de officier van justitie in zijn vordering de hoogte van het wederrechtelijk voordeel baseert op een veronderstelde geheel illegale herkomst van de gelden;

- de rechtbank heeft in de ontnemingsprocedure kennelijk eveneens reeds nu een standpunt over de herkomst van de gelden en daarmee dus ook over de hoogte van het te ontnemen voordeel;

- de rechtbank is kennelijk reeds nu van oordeel dat het aangekondigde verweer verworpen moet worden en de verdediging concludeert dat haar geen mogelijkheid wordt geboden om tegenbewijs te leveren op de stellingen van het Openbaar Ministerie;

- de verdediging moet dus vaststellen dat de rechtbank in de ontnemingsproceedure vooringenomen is of op zijn minst de schijn van vooringenomenheid over zich heeft afgeroepen.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren. Zij voeren daarbij onder meer het volgende aan:

2.2.1

Ter terechtzitting van 8 april 2011 heeft de raadsvrouw van verzoekster uiteengezet dat haar verzoek tot wraking is gebaseerd op de afwijzing van haar verzoek tot het horen van twee getuigen en nadere onderzoekswensen en dat zij het oneens is met de motivering van die afwijzing. Door de afwijzing van dat verzoek heeft de rechtbank, zo begrijpen de rechters de raadsvrouw, de schijn van vooringenomenheid jegens verzoekster gewekt.

2.2.2

De rechters hebben gemotiveerd waarom het verzoek tot het horen van de getuigen is afgewezen en geoordeeld dat de overige onderzoekswensen niet noodzakelijk zijn gebleken. Voor de motivering verwijzen de rechters naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 april 2011. Dat is een inhoudelijk oordeel dat de verdediging in hoger beroep desgewenst kan aanvechten. De wrakingskamer is daartoe niet het juiste forum.

2.2.3

De rechters kunnen niet inzien dat zij, door het nemen van bovengenoemde beslissing, de schijn van partijdigheid hebben gewekt jegens verzoekster.

2.3

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters - subjectief - niet onpartijdig waren. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

3.4

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.5

Dat kan slechts anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing kan worden ontleend voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de door verzoekster daaromtrent gekoesterde vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.

3.6

De rechtbank neemt in dit verband allereerst in aanmerking dat verzoekster bij het tegen haar als verdachte door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank op 12 februari 2009 uitgesproken vonnis ter zake van het gewoonte maken van witwassen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 185 dagen, met aftrek van voorarrest.

De bewezenverklaring van dat vonnis hield in dat wettig en overtuigend was bewezen dat verzoekster:

".......

in de periode van 1 januari 2002 tot en met 10 juli 2007, te Rotterdam, meermalen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, (telkens) voorwerpen, te weten geld op bankrekeningen met de rekeningnummers:

- [nummmer] ten name van [naam verzoekster] bij de [naam bank] te Turkije, met op 20 juli 2006 een saldo van 28.574,25 dollar en

- [nummer] ten name van [naam verzoekster] bij de [naam bank] te Turkije met op 20 juli 2006 een saldo van 47.958,38 Euro en

- [nummer] ten name van [naam verzoekster] bij de [naam bank] te Turkijke met op 5 januari 2007 een saldo van 17.500 Euro

voorhanden gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

......."

3.7

Voorafgaande aan deze bewezenverklaring werd in het genoemde vonnis door de meervoudige strafkamer van de rechtbank overwogen:

".......

Artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht (in werking getreden 1 juli 2000) stelt strafbaar degene die in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaat tijdig benodigde gegevens te verstrekken, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.

Op grond van artikel 65 van de Algemene Bijstandswet (tot 1 januari 2005) was de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Op grond van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand (van af 1 januari 2005 ) is de belanghebbende verplicht aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.

Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten en vermogen van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte en de duur daarvan. Gelet daarop was de verdachte, op grond van bovengenoemde bepalingen, gehouden aan de Sociale Dienst melding te doen van de ontvangst en het bezit van de gelden die geboekt zijn op haar Turkse bankrekeningen. Het niet melden van deze gelden is een handelen in strijd met artikel 227b van het Wetboek van strafrecht en daarmee een misdrijf.

Gezien het bovenstaande moet geconcludeerd worden dat de gelden die gestort zijn dan wel overgemaakt zijn op de Turkse bankrekeningen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Dat de gelden mogelijk (deels) uit legale bron afkomstig zijn maakt dit oordeel niet anders.

......."

3.8

Bij vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht d.d. 22 december 2010 heeft de officier van justitie - kort samengevat en voor zover van belang - ten laste van verzoekster als veroordeelde in eerste instantie gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en dat de rechtbank verzoekster de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie ten tijde van die vordering werd geschat op € 58.179,--.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer op 28 januari 2011 vorderde de officier van justitie alstoen dat de rechtbank het door verzoekster als veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zou vaststellen op € 98.024,--.

Uit de conclusie van eis van 24 februari 2011 blijkt dat de officier van justitie zich vervolgens op het standpunt heeft gesteld dat het (gezamenlijke) saldo van de drie in de bewezenverklaring genoemde bankrekeningen in Turkije moet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel, zijnde een bedrag van € 88.501,--, nog te verhogen met vervolgprofijt in de vorm van gegenereerde en nog te genereren rente. Deze conclusie van eis is ter zitting van 8 april 2011 bij aanvang van de behandeling aan de orde gesteld en de officier van justitie heeft het daarin neergelegde standpunt op die zitting niet gewijzigd. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de officier van justitie desgevraagd bevestigd dat de zienswijze van het Openbaar Ministerie in de loop van de ontnemingsprocedure is gewijzigd in voege als voormeld en dat zij niet uitsluit dat het standpunt van het Openbaar Ministerie in de verdere loop van de procedure nog eens zal wijzigen.

3.9

Uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank op 8 april 2011 blijkt - verkort en zakelijk weergegeven - dat:

- de raadsvrouwe van verzoekster het verzoek heeft gedaan de zoon en de dochter van verzoekster als getuige te horen bij de rechter-commissaris, omdat zij kunnen verklaren over de herkomst van de gelden, aanwezig op de Turkse bankrekeningen (te weten; giften in de vorm van goud, munten en cadeaus voor het besnijdenisfeest van de zoon en het aandeel van verzoekster ter zake van de verkoop van familiegrond in Turkije);

- de raadsvrouwe van verzoekster het verzoek heeft gedaan van de officier van justitie de officiële stukken (een rapportage of nadere stukken) te mogen ontvangen over de stand van het opsporingsonderzoek naar witwassen tegen verzoekster in Turkije, welk onderzoek is gestart op basis van gegevens uit het Nederlands rechtshulpverzoek aan Turkije, dat ziet op de herkomst van het geld op de Turkse bankrekening van verzoekster.

De raadsvrouw van verzoekster heeft er daarbij op gewezen dat de officier van justitie in de ontnemingsprocedure inmiddels voor een andere insteek heeft gekozen en de gelden op de Turkse bankrekening heeft betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens heeft de raadsvrouw er op gewezen dat op dat moment niet duidelijk was of verzoekster in Turkije als verdachte is aangemerkt, hetgeen wezenlijk is voor de vraag of zij in de ontnemingsprocedure in Nederland zich kan beroepen op haar verschoningsrecht.

3.10

Nadat de rechters het onderzoek ter zitting van 8 april 2011 hadden onderbroken voor beraad, heeft de voorzitter blijkens meergenoemd proces-verbaal na de hervatting van dat onderzoek meegedeeld dat de rechtbank als volgt heeft beslist:

".......

In de hoofdzaak is bewezen dat de veroordeelde geldbedragen op de Turkse bankrekening heeft witgewassen, nu deze door misdrijf zijn verkregen. Het vonnis in de hoofdzaak is in deze procedure een gegeven. Nu de veroordeelde getuigen wenst te horen op het punt van de legale herkomst van deze gelden, dient dit verzoek te worden afgewezen. De rechtbank dient uit te gaan van de bewezenverklaring in het vonnis.

Ten aanzien van het verzoek tot nadere processtukken geldt dat deze stukken niet noodzakelijk zijn voor een in deze procedure te nemen beslissing. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

......."

waarna het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd werd geschorst voor het nemen van conclusiewisselingen door de officier van justitie en de verdediging overeenkomstig het ontnemingsprotocol van de rechtbank (conclusie van antwoord van de verdediging, conclusie van repliek van het Openbaar Ministerie en conclusie van dupliek van de verdediging).

3.11

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid geldt dat de verdediging ook in ontnemingszaken het verzoek kan doen om getuigen te horen. Het criterium van de toewijsbaarheid van dat verzoek is "het verdedigingsbelang", waarbij van belang is dat de Hoge Raad in ontnemingszaken geoordeeld heeft dat bij de beoordeling van de vraag of door het niet horen van de verzochte getuigen de betrokkene redelijkerwijze in zijn verdediging geschaad wordt, mede betrokken kan worden of het verzoek voldoende is onderbouwd. De verdediging dient daarbij aan te geven dat en waarover de getuigen kunnen verklaren. Zoals hiervoor ook al overwogen, is door de raadsvrouw van verzoekster concreet gesteld wie als getuigen gehoord moeten worden en waarover zij kunnen verklaren.

3.12.

In de hiervoor - kort samengevat - weergegeven gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank met name van belang dat het vonnis van 12 februari 2009 en dan met name de hiervoor geciteerde bewijsoverweging nadrukkelijk de mogelijkheid openlaat dat de gelden op de Turkse bankrekeningen (deels) uit legale bron afkomstig zijn.

Daarnaast is van belang dat de officier van justitie in de loop van de ontnemingsprocedure haar standpunt heeft gewijzigd in die zin, dat zij uiteindelijk ook de saldi van de genoemde bankrekeningen in Turkije in het geheel heeft geschaard onder het door verzoekster wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tevens is van belang dat op de zitting van 8 april 2011 door de rechters een tijdpad is uitgezet waarlangs zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie nog gelegenheid zouden krijgen om hun standpunt nader schriftelijk naar voren te brengen.

Door onder die omstandigheden de verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen, welke volgens de verdediging zouden kunnen verklaren omtrent de deels legale herkomst van de gelden op de bedoelde rekeningen, zonder enig voorbehoud af te wijzen, met als motivering dat de rechtbank uitgaat van de bewezenverklaring in het vonnis - waarin wordt vermeld dat de gelden door misdrijf zijn verkregen - is een dermate onbegrijpelijke beslissing, dat daaraan een zwaarwegende aanwijzing moet worden ontleend voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren in die zin, dat voor hen de illegale herkomst van de gelden vast staat. Ook de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het toevoegen aan het dossier van de onderzoeksrapportage, althans stukken uit het onderzoek in Turkije vormt een dergelijke aanwijzing. In beginsel is juist dat het vonnis in de hoofdzaak voor de ontnemingsprocedure een gegeven vormt, maar in dit geval behelst dat vonnis uitdrukkelijk de mogelijkheid dat de gelden op de bankrekeningen (deels) een legale herkomst hebben. De beslissing van de rechters om het verzoek van de verdediging tot onderzoek naar die herkomst reeds thans af te wijzen, is naar het oordeel van de rechtbank een zwaarwegende aanwijzing in voormelde zin.

Die vrees van verzoekster is naar het oordeel van de rechtbank naar objectieve maatstaven ook gerechtvaardigd, temeer nu de nader door de verdediging in de nog volgende conclusie-wisselingen aan te dragen standpunten en stukken aan die afwijzing, gezien het definitieve karakter daarvan, geen wijziging meer zouden kunnen brengen. Bij het vorenstaande heeft de rechtbank tevens nog in aanmerking genomen dat de rechters ter zitting van 8 april 2011 niet zijn ingegaan op het verzoek van de raadsvrouw van verzoekster om de beslissing nader te motiveren. Ook in hun reactie op het wrakingsverzoek hebben de rechters geen gebruik gemaakt van de hen geboden mogelijkheid om de motivering van hun beslissing te verduidelijken. Zij hebben in hun reactie volstaan met een verwijzing naar het proces-verbaal van genoemde zitting van 8 april 2011.

3.13

Op grond van het vorenstaande is de wraking gegrond. Het verzoek moet worden toegewezen.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van [namen gewraakte rechters].

Deze beslissing is gegeven op 1 juni 2011 door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter,

mr. L.A.C. van Nifterick en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature