Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

landbouwbetalingen

uitsluiting en terugvordering

verboden stof

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/966 25 mei 2011

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Vee- en Kalverenhandel A B.V. (hierna: A), te B, appellante,

gemachtigden: mr. J.C.B.C. Geerts, advocaat te Rosmalen, en J.G.M. van Cranenbroek,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de Staatssecretaris), verweerder,

gemachtigde: bc. R. Weltevreden, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Bij besluit van 9 maart 2006 is A uitgesloten van rundveebetalingen voor het kalenderjaar 2004, op grond van artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Ook heeft de Staatssecretaris de premies teruggevorderd die over dat jaar al aan A waren uitbetaald.

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft de Staatssecretaris de bezwaren hiertegen van A ongegrond verklaard.

Op 1 december 2008 heeft het College van A een beroepschrift tegen dit besluit ontvangen. Nadien heeft A de gronden van het beroep ingediend.

De Staatssecretaris heeft verweer gevoerd.

Op 3 juni 2010 heeft onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde de Staatssecretaris in de gelegenheid te stellen om een nadere toelichting te geven.

Vervolgens heeft de Staatssecretaris schriftelijk nadere informatie verstrekt en heeft A daarop gereageerd.

Op 8 december 2010 heeft het College in gewijzigde samenstelling het onderzoek ter zitting met toestemming van partijen voortgezet. Daarbij zijn de gemachtigden van partijen opnieuw verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 4

1. Aan rundvleesproducenten die op hun bedrijf mannelijke runderen houden kan op hun verzoek een speciale premie worden verleend. (…)

Artikel 1 1

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (...)

Artikel 2 3

1. Wanneer residuen van stoffen die op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad verboden zijn of residuen van stoffen die op grond van de genoemde richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, met toepassing van de relevante bepalingen van Richtlijn 96/23/EG van de Raad inzake controle worden aangetroffen bij een dier van het rundveebeslag van een producent, dan wel wanneer een niet-toegestane stof of een niet-toegestaan product, of een op grond van de eerstgenoemde richtlijn toegestane stof of toegestaan product die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van die producent wordt aangetroffen, wordt de betrokken producent voor het kalenderjaar waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van de bedragen waarin de bepalingen van deze afdeling voorzien.

(…)”

Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 5

(…)

Het is in de hele Gemeenschap verboden de in bijlage IV vermelde substanties aan voedselproducerende dieren toe te dienen.

(…)

Bijlage IV

LIJST VAN FARMACOLOGISCH WERKZAME SUBSTANTIES WAARVOOR GEEN MAXIMUMWAARDE KAN WORDEN VASTGESTELD

(…)

Chlooramfenicol

(…)”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 4 9

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.”

Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG, luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van Richtlijn 96/22/EG.Voorts wordt verstaan onder:

a) “niet-toegestane stoffen of producten”: stoffen of producten die krachtens de communautaire wetgeving niet aan dieren mogen worden toegediend;

(…)

Artikel 1 5

1. (…)

2. (…) Voor alle stoffen geldt dat, indien de uitkomst wordt aangevochten op basis van een analyse op tegenspraak, deze resultaten bevestigd moeten worden door het nationale referentielaboratorium dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, voor de betrokken stof of het betrokken residu is aangewezen; (…)”

Beschikking 2002/657/EG van de Commissie van 14 augustus 2002 ter uitvoering van Richtlijn 96/23/EG van de Raad wat de prestaties van analysemethoden en de interpretatie van resultaten betreft, luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 4

De lidstaten zorgen ervoor dat de analysemethoden die worden gebruikt voor het opsporen van de volgende stoffen voldoen aan de in bijlage II aangegeven minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL’s) in de in die bijlage genoemde matrices:

a) chlooramfenicol;

(…)

Artikel 6

1. Het resultaat van een analyse wordt als niet-conform beschouwd als de beslissingsgrens van de bevestigingsmethode voor de analyt wordt overschreden.

(…)

3. Wanneer voor een stof geen toelaatbaar gehalte is vastgesteld, is de beslissingsgrens de laagste concentratie waarbij een methode met een statistische zekerheid van 1 – a uit kan maken of de analyt in kwestie al dan niet aanwezig is.

4. Voor de in groep A van bijlage I bij Richtlijn 96/23/EG bedoelde stoffen mag de a-fout maximaal 1 % bedragen. (…)”

In bijlage II van deze beschikking staat vervolgens vermeld dat voor chlooramfenicol in urine een MRPL geldt van 0,3 µg/kg.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft de Staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard en daartoe, samengevat en voor zover hier van belang, als volgt overwogen.

Chlooramfenicol is ingevolge Richtlijn 96/23/EG in samenhang met bijlage IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 een verboden stof. Voor deze stof geldt een minimale prestatielimiet (hierna: MRPL) van 0,3 µg/kg zodat, wanneer bij een dier uit het rundveebeslag van een producent ten minste die hoeveelheid wordt aangetroffen, de betrokken producent op grond van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt uitgesloten van rundveebetalingen.

Uit het door het RIKILT verrichte onderzoek van een in 2004 bij één van A's runderen afgenomen urinemonster is gebleken dat daarin een concentratie van 0,5 µg/kg chlooramfenicol, met een meetonzekerheid van 0,05 µg/kg, is gemeten. Dit onderzoek is bevestigd door een tweede analyse. De op verzoek van A uitgevoerde contra-analyse komt tot een gemiddelde concentratie van 0,34 µg/kg, met een meetonzekerheid van 0,034 µg/kg, zodat nog steeds sprake is van een overschrijding van de MRPL. Van een tegenspraak tussen deze meetresultaten, die immers verklaard kan worden door het tijdsverloop tussen de onderscheiden metingen, is geen sprake. Bovendien heeft ook de contra-analyse een positief resultaat opgeleverd. Bevestiging van de resultaten door het nationale referentielaboratorium is dus niet aan de orde. Verder is niet vereist dat een positief resultaat berust op urinemonsters afgenomen bij meer dan één rund uit het rundveebeslag van een producent.

Het enkele feit dat onder het rundveebeslag van A een verboden stof is aangetroffen, is reeds voldoende om haar van rundveebetalingen uit te sluiten. Met name is het niet nodig vast te stellen of A zelf de stof heeft toegediend. Dat de strafzaak tegen A ter zake van overtreding van de Diergeneesmiddelenwet en de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten, wegens onvoldoende bewijs is geseponeerd, is niet van belang, nu onduidelijk is of het sepot op dezelfde omstandigheden betrekking heeft als die welke tot uitsluiting van A van rundveebetalingen hebben geleid.

Evenmin is van belang of de aangetroffen concentratie daadwerkelijk gevaarlijk is voor de voedselveiligheid, nu artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 aan de constatering van de gemeten hoeveelheid chlooramfenicol dwingend het rechtsgevolg van uitsluiting van rundveebetalingen verbindt. Hieruit volgt ook dat de uitsluiting van A niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel zoals vervat in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De stelling dat de terugvordering van het reeds betaalde als zodanig in strijd komt met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel stuit af op artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, waarin dwingend wordt voorgeschreven dat het bedrijfshoofd het ten onrechte ontvangen bedrag terugbetaalt.

4. Het standpunt van A

A heeft ter onderbouwing van haar beroep tegen het bestreden besluit samengevat het volgende aangevoerd.

De Staatssecretaris maakt in het bestreden besluit gewag van brieven en stukken waarvan A geen kennis heeft kunnen nemen. Dit levert strijd op met het beginsel van hoor en wederhoor. Het besluit vermeldt voorts dat de door het RIKILT gemeten concentratie chlooramfenicol in een tweede meting is bevestigd. Dit blijkt niet uit enig A voorliggend stuk noch is het deugdelijk onderbouwd. Uit de in opdracht van A verrichte contra-analyse blijkt dat de gevonden concentratie 0,3 µg/kg bedraagt met een meetonzekerheid van 0,034 µg/kg, zodat de daadwerkelijke waarde tussen 0,266 en 0,334 µg/kg ligt. In een brief van 13 januari 2009 bevestigt de betrokken deskundige dat er een kans bestaat dat de daadwerkelijke waarde kleiner is dan 0,3 µg/kg. Het is dus niet zeker dat de MRPL-waarde van 0,3 µg/kg is overschreden. De Staatssecretaris heeft bovendien zonder goede grond het sepot van de strafzaak waarin A als verdachte was aangemerkt niet in de besluitvorming betrokken. Het was immers wel degelijk duidelijk ten aanzien van welke feiten de officier van justitie oordeelde dat er onvoldoende wettig bewijs was.

Ten onrechte heeft de Staatssecretaris het meetresultaat niet laten bevestigen door het nationale referentielaboratorium. A heeft de resultaten van het RIKILT betwist en een contra-analyse laten uitvoeren, zodat reeds op die grond sprake is van een analyse op tegenspraak en bevestiging door het nationale referentielaboratorium nodig was geweest. De Staatssecretaris stelt bovendien dat het feit dat de contra-analyse tot een lagere waarde komt logisch is vanwege het tijdsverloop tussen de onderscheiden analyses. Deze stelling is niet gemotiveerd en wordt door A betwist.

De Staatssecretaris heeft A's beroep op het rechtszekerheids-, evenredigheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel afgewezen met de motivering dat deze niet kunnen afdoen aan de dwingendrechtelijke bepalingen van Gemeenschapsrecht. A bestrijdt dit. De genoemde beginselen betreffen zogeheten algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Soms moet toepassing van de wet achterwege blijven ten gunste van deze beginselen.

In verband met A's beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft de Staatssecretaris miskend dat wel degelijk betekenis toekomt aan de oorsprong van het chlooramfenicol en heeft hij ten onrechte geen acht geslagen op het door A overgelegde deskundigenrapport. In dat rapport wordt uitgelegd dat de geconstateerde hoeveelheid chlooramfenicol veroorzaakt kan zijn door contaminatie in plaats van exogene toediening. Ook is volgens het rapport de geconstateerde hoeveelheid voor de mens toxicologisch niet relevant. In dit kader refereert A aan een brief van het ministerie van LNV van 22 november 2004, gericht aan het productschap Vee, Vlees en Eieren, waarin vermeld staat dat de soepelere houding van de Commissie ten aanzien van concentraties chlooramfenicol lager dan 0,3 µg/kg het redelijk maakt af te zien van sancties bij constatering van dergelijke concentraties. Volgens A klemmen deze omstandigheden temeer daar de terugvordering in wezen een punitieve sanctie is. A verwijst voorts naar de uitspraak van het College van 6 november 1996, LJN: ZG0374, waarin geoordeeld wordt dat, ondanks schending van een dwingendrechtelijk voorschrift, ingevolge artikel 3:4, tweede lid, Awb geen wanverhouding mag ontstaan tussen tekortkoming en sanctie. Dit volgt ook uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Voorts had A over het voornemen tot oplegging van de sanctie moeten worden gehoord voordat tot intrekking werd overgegaan.

Wat betreft het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel merkt A op dat de Staatssecretaris haar op 10 mei 2005 rundveebetalingen over 2004 heeft toegekend. Op dat moment was de uitslag van het urinemonster al bekend. Gelet hierop en mede vanwege het feit dat de contra-analyse had uitgewezen dat de concentratie chlooramfenicol ook onder de MRLP van 0,3 µg/kg kon liggen, mocht A erop vertrouwen dat zij kennelijk niet zou worden uitgesloten van rundveebetalingen. A wijst tegen die achtergrond op de overwegingen 33, 34 en 46 uit de considerans van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en naar een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin intrekkingsbeschikkingen getoetst worden aan het rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien betreft het hier in feite een intrekking van een begunstigende beschikking, waarin wet noch Europese regelgeving voorzien, althans is niet voldaan aan de voorwaarden die artikel 4:49 Awb daaraan stelt.

De Staatssecretaris heeft zich pas in de bezwaarfase op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 beroepen. Hierop heeft A niet eerder kunnen reageren. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en kan daarom niet in stand blijven. Verder miskent de Staatssecretaris lid 4 van het bewuste artikel. Er is immers, voor zover het besluit van de Staatssecretaris van 10 mei 2005 onjuist was, sprake van een fout van de Staatssecretaris waarvan A redelijkerwijs niet kon weten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In dit geschil moet het College beoordelen of de Staatssecretaris de bezwaren van A tegen de uitsluiting en terugvordering van rundveebetalingen over 2004 terecht ongegrond heeft verklaard.

5.2 A heeft in beroep betoogd dat de Staatssecretaris hem onvoldoende heeft gehoord, zowel in de procedure die heeft geleid tot de uitsluiting en terugvordering, als in de bezwaarprocedure die daarop volgde.

5.2.1 Over de eerste procedure heeft A aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord over het voornemen tot uitsluiting en terugvordering. Het College overweegt dat ingevolge artikel 23a van de Landbouwwet de artikelen 4:7 en 4:8 Awb niet van toepassing zijn als het gaat om uitvoering van Europese wettelijke regels die betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Derhalve kon A er geen aanspraak op maken om bij de voorbereiding van besluitvorming over hem toekomende betalingen gehoord te worden.

5.2.2 Over de bezwaarprocedure heeft A - zo begrijpt het College - betoogd dat de Staatssecretaris hem had moeten horen, nu het besluit op bezwaar is gebaseerd op stukken waarvan A geen kennis heeft kunnen nemen.

Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt niet dat de Staatssecretaris verplicht was om A een afschrift te zenden van alle stukken die tot het dossier behoorden. Wel is in de Awb de verplichting voor een bestuursorgaan opgenomen om, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord (artikel 7:2). Daarvan kan worden afgezien als de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te maken van de mogelijkheid te worden gehoord, aldus artikel 7:3, onder c, Awb. Ook schrijft de Awb voor dat het bestuursorgaan voorafgaand aan het horen het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage legt (artikel 7:4, tweede lid ).

In de bezwaarprocedure heeft A, nadat eerder op 27 februari 2007 een hoorzitting was gehouden, bij brief van 6 oktober 2008 laten weten dat zij reeds had gereageerd op de na de hoorzitting toegezonden stukken, en dat zij persisteert bij de gronden van het bezwaar. Gelet hierop mocht de Staatssecretaris afzien van het opnieuw horen van A. A heeft destijds niet geverifieerd of zij over dezelfde stukken beschikte als de Staatssecretaris. Dat A zonder meer heeft afgezien van een tweede hoorzitting, en dat zij daarmee zichzelf feitelijk de mogelijkheid heeft onthouden om zich uit te laten over de stukken die op dat moment tot het dossier van de Staatssecretaris behoorden, dient voor rekening van A te komen. In ieder geval kan het geen reden zijn voor het oordeel dat de Staatssecretaris, ondanks de verklaring van A, haar opnieuw had moeten horen voordat hij het besluit op bezwaar nam.

5.2.3 Gezien het voorgaande ziet het College geen reden om het besluit op bezwaar te vernietigen om reden dat A onvoldoende zou zijn gehoord.

5.3 In de hele gemeenschap is het verboden om chlooramfenicol aan voedselproducerende dieren toe te dienen, zo blijkt uit artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2377/90, in samenhang gelezen met bijlage IV van deze verordening. Chlooramfenicol moet dan ook worden aangemerkt als een niet-toegestane stof of product als bedoeld in artikel 2, onder a, van Richtlijn 96 /23/EG.

5.3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat het rund waarbij de monstername is gedaan, zich bevond op het bedrijf van A. Tussen partijen bestaat wel verschil van mening of de Staatssecretaris op basis van de resultaten van de analyse van de monstername mocht concluderen dat chlooramfenicol daadwerkelijk is aangetroffen. Daarbij gaat het om de vraag of het resultaat van de analyse meer of minder dan 0,3 µg/kg was. Volgens A bestaat de kans dat het resultaat iets beneden de 0,3 µg/kg ligt, zodat de Staatssecretaris volgens haar ten onrechte heeft geconcludeerd dat chlooramfenicol is aangetroffen.

5.3.2 Volgens de analyse die het RIKILT in opdracht van de Staatssecretaris heeft uitgevoerd, bedroeg het resultaat 0,5 µg/kg, met een foutmarge van 0,05 µg/kg. De contra-analyse die A heeft laten uitvoeren, bestond uit een tweetal duplometingen, uitgevoerd op respectievelijk 11 april 2005 en 18 april 2005. Volgens de eerste duplometing was het resultaat gemiddeld 0,34 µg/kg, met een foutmarge van 0,034 µg/kg. Volgens de tweede duplometing was het resultaat gemiddeld 0,32 µg/kg, met een foutmarge van eveneens 0,034 µg/kg. Hieruit volgt dat ook de contra-analyse uitkwam op waarden boven de 0,3 µg/kg, zij het met een uiterst kleine kans dat de waarde net onder de 0,3 µg/kg lag. Die zeer kleine kans volgde slechts uit de tweede duplometing en niet uit de eerste duplometing van de contra-analyse. Anders dan A suggereert, bevestigen de resultaten van de contra-analyse aldus de uitkomst van de analyse door het RIKILT dat chlooramfenicol in de urine van het rund aanwezig was. Nu sprake is van een bevestiging van de analyse van het RIKILT, kan de contra-analyse die in opdracht van A is uitgevoerd, niet worden aangemerkt als een analyse op tegenspraak.

5.3.3 Uit het voorgaande volgt dat de Staatssecretaris op basis van de analyses terecht heeft geoordeeld dat op het bedrijf van A chlooramfenicol is aangetroffen. Dat een eerder aangebrachte strafzaak tegen A door de Officier van Justitie is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, doet niet af aan de juistheid van het oordeel van de Staatssecretaris in het besluit op bezwaar.

5.4 Nu voldoende vaststaat dat chlooramfenicol is aangetroffen op het bedrijf van A, was de Staatssecretaris verplicht haar voor het jaar 2004 van premies uit te sluiten, zo volgt uit artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Het betoog van A dat de uitsluiting van artikel 23 geen betrekking kan hebben op premiebedragen, omdat deze bepaling verwijst naar 'bedragen waarin de bepalingen van deze afdeling voorzien', terwijl de afdeling waarin artikel 23 is opgenomen, niet voorziet in de toekenning van bedragen, gaat niet op. Artikel 21 - dat deel uitmaakt van de zelfde afdeling - verwijst naar rechtstreekse betaling op grond van hoofdstuk 1, waartoe onder meer de stierenpremie en slachtpremie behoren die hier aan de orde zijn. Gelet hierop was de Staatssecretaris verplicht A uit te sluiten van stierenpremie en slachtpremie.

5.4.1 De beroepsgrond dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd, treft geen doel. De bezwaarprocedure is mede bedoeld om eventuele gebreken in de motivering van het primaire besluit te herstellen. A kan zich er dus niet op beroepen dat de Staatssecretaris pas in het bestreden besluit het dwingendrechtelijke karakter van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 ten tonele voert.

5.4.2 Ook beroept A zich tevergeefs op lid 4 van bedoeld artikel 49, reeds omdat de Staatssecretaris het besluit tot terugvordering binnen twaalf maanden na de betaling heeft medegedeeld.

5.4.3 Anders dan A kennelijk meent, laat artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 de Staatssecretaris geen ruimte voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Al hetgeen A in dat kader heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking. Ten aanzien van het betoog van A dat artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 in strijd is met het communautaire evenredigheidsbeginsel overweegt het College dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer het arrest van 20 mei 2010 in de zaak C 365/08, Agrana Zucker) de Uniewetgever op het gebied van landbouwsubsidies over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onwettig is wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel. Naar het oordeel van het College kan er in dit geval redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat van een kennelijke ongeschiktheid van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 geen sprake is. Daartoe verwijst het College naar zijn uitspraak van 7 november 2007 (nr. AWB 06/58, www.rechtspraak.nl, LJN: BB7859).

5.4.4 Ook het beroep van A op toepassing van het gelijkheidsbeginsel gaat niet op, reeds omdat A geen concrete gevallen heeft genoemd waarin - in de tijdsperiode die hier aan de orde is - ondanks een vergelijkbaar gehalte aan chlooramfenicol niet besloten werd tot uitsluiting van betalingen.

5.4.5 Evenmin kan het beroep slagen dat A heeft gedaan op de verwachtingen die van de zijde van de Staatssecretaris bij haar zouden zijn gewekt. Daarbij stelt het College voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in bestendige jurisprudentie heeft aangegeven dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot aanspraken op financiële voordelen, zoals de uitbetaling van toeslagrechten, in strijd met geldende Europese regelgeving. Dat de zogenoemde contra-legemwerking van dit beginsel naar Europees recht niet is aanvaard, is onder meer terug te vinden in de arresten van het Hof inzake Maizena (zaak 5/82, Jur. 1982, p. 4601) en Krücken (zaak 316/86, Jur. 1988, p. 2213). Dit betekent dat gewekte verwachtingen in dit geval alleen aan de orde kunnen komen bij toetsing aan artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. In dit artikel is bepaald dat er een terugbetalingsplicht is, tenzij de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie. Die uitzondering is echter alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld. In dit geval heeft de Staatssecretaris het besluit tot terugvordering aan A meegedeeld binnen twaalf maanden na de betaling. Aldus geldt de terugbetalingsplicht onverkort.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de Staatssecretaris de bezwaren gericht tegen de uitsluiting en terugvordering van rundveebetalingen ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

5.6 A heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, gelet op de lange duur van de procedure. A heeft daarmee een beroep gedaan op artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

5.6.1 De vraag of de redelijke termijn is overschreden, dient het College te beoordelen aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de Staatssecretaris en het College is behandeld, het processuele gedrag van A gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van A, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. Voor zaken als hier aan de orde acht het College in beginsel een totale lengte van de procedure van drie jaar vanaf de indiening van het bezwaarschrift redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar tegen een besluit ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep bij het College ten hoogste twee jaar mag duren. Indien deze redelijke termijn is overschreden gaat het College er van uit dat de betrokkene daarvoor gecompenseerd dient te worden door hem een bedrag van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de termijn is overschreden toe te kennen.

5.6.2 Het College stelt vast dat de onderhavige procedure vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 19 april 2006 tot aan de dag van deze uitspraak ruim vijf jaar heeft geduurd. Gesteld noch gebleken is dat aanleiding bestaat de te lange duur van de behandeling van het geschil gerechtvaardigd te achten. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor bedoeld.

5.6.3 Het College zal op dit punt de te betalen vergoeding vaststellen voor de periode dat de overschrijding van de redelijke termijn, tot aan de datum van deze uitspraak, heeft voortgeduurd. Daarbij ziet het College aanleiding om de Staatssecretaris wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure te veroordelen tot betaling aan A van een vergoeding van immateriële schade van (4 x € 500,-- =) € 2.000,--. De Minister van Veiligheid en Justitie wordt wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsprocedure veroordeeld tot betaling aan A van een vergoeding van immateriële schade van (1 x € 500,-- =) € 500,--.

5.7 Uit het voorgaande volgt dat het College het beroep ongegrond zal verklaren en de Staatssecretaris, respectievelijk de Minister van Veiligheid en Justitie zal veroordelen tot betaling aan A van een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 2.500,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling aan A van een bedrag aan schadevergoeding van € 2.000,-- (zegge:

tweeduizend euro);

- veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot betaling aan A van een bedrag aan schadevergoeding van € 500,--

(zegge: vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.B.L. van der Weele


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature