Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontbinding arbeidsovereenkomst door kantonrechter of einde arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden? Gevolgen voor aanvraag WW-uitkering.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.055.588

(zaaknummer rechtbank 612330)

arrest van de vijfde civiele kamer van 17 mei 2011

inzake

1. [appellante sub 1],

wonende te [woonplaats] en

2. [appellante sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHL Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.J.C.M. Broekman.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het verstekvonnis van 10 december 2008 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) als eisende partijen en geïntimeerde (hierna ook te noemen: SHL) als gedaagde partij heeft gewezen en voorts naar het tussen [appellanten] als geopposeerde partijen in conventie en verwerende partijen in reconventie en SHL als opposante in conventie en eisende partij in reconventie gewezen vonnis van voornoemde kantonrechter van 11 november 2009; van dat laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 22 december 2009 SHL aangezegd van het voornoemde vonnis van 11 november 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van SHL voor dit hof. Zij hebben daarbij aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de volledige vordering van SHL in reconventie zal afwijzen en de vordering van [appellanten] in conventie zal toewijzen, met veroordeling van SHL in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en hebben zij bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd overeenkomstig voornoemd exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft SHL de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en twee producties overgelegd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zowel in conventie als in reconventie zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 [appellante sub 1] is op 1 juli 2003 als sales/marketing assistant in dienst getreden van SHL. Haar laatstgenoten loon bedroeg € 2.227,10 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). [appellante sub 2] is op 1 april 2004 als medewerker product support in dienst getreden van SHL. Haar laatstgenoten loon bedroeg € 3.090,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De bij opzegging van de arbeidsovereenkomsten door SHL in acht te nemen termijn was één kalendermaand.

3.2 Ten gevolge van een reorganisatie binnen de groep waarvan SHL deel uitmaakt, zijn de functies van [appellanten] per 1 juli 2008 vervallen. Omdat met hen geen overeenstemming over beëindiging van de arbeidsovereenkomsten kon worden bereikt, heeft SHL op 24 april 2008 de kantonrechter te Utrecht verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2008, onder toekenning van een bruto vergoeding aan [appellanten] van respectievelijk € 14.259,- en € 15.492,08. [appellanten] hebben daartegen op respectievelijk 28 mei 2008 en 5 juni 2008 een verweerschrift doen indienen. Daarin hebben zij te kennen gegeven in geval van ontbinding genoegen te willen nemen met een bruto vergoeding van € 16.664,27 voor [appellante sub 1] en € 18.686,10 voor [appellante sub 2]. Daarop heeft de kantonrechter bepaald dat de mondelinge behandeling begin juni 2008 zou plaatsvinden.

3.3 Zowel [appellanten] als SHL hebben de kantonrechter op respectievelijk 5 en 6 juni 2008 laten weten dat werd afgezien van een mondelinge behandeling van de verzoekschriften. Bij beschikkingen van 21 juli 2008 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomsten van partijen met ingang van 22 juli 2008 ontbonden, met toekenning aan [appellanten] van een vergoeding van respectievelijk € 16.664,27 en € 18.686,10.

3.4 Op hun aanvraag van een werkloosheidsuitkering heeft het UWV met toepassing van artikel 16 lid 3 Werkloosheidswet (WW) geweigerd aan [appellanten] eerder dan met ingang van 1 september 2008 een uitkering toe te kennen. [appellanten] zijn daartegen niet in bezwaar of beroep gekomen.

3.5 Ter voldoening aan het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) verstekvonnis van 10 december 2008 heeft SHL aan [appellanten] in totaal € 9.427,93 betaald.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd dat SHL wordt veroordeeld om aan hen het bruto loon over de maand juli 2008 (inclusief vakantietoeslag en emolumenten) en buitengerechtelijke kosten te betalen. De kern van het geschil tussen partijen betreft - kort gezegd - de vraag of het aan SHL te wijten is dat [appellanten] niet met ingang van 1 augustus 2008, maar eerst met ingang van 1 september 2008 een WW-uitkering hebben ontvangen. Bij het verstekvonnis van 10 december 2008 zijn de vorderingen van [appellanten] toegewezen. In verzet zijn de vorderingen van [appellanten] afgewezen en is de reconventionele vordering van SHL tot terugbetaling van hetgeen ter voldoening aan het verstekvonnis was betaald, toegewezen. Tegen dit vonnis van 11 november 2009 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. De grieven van [appellanten] lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Het UWV hanteert bij het toekennen van een WW-uitkering een fictieve opzegtermijn op grond van artikel 16 lid 3 van de Werkloosheidswet (WW). Dat houdt in - kort gezegd - dat er geen uitkering wordt verstrekt over de periode waarin de werknemer recht zou hebben op loondoorbetaling wanneer het dienstverband met inachtneming van de geldende opzegtermijn zou zijn opgezegd. Tussen partijen staat vast dat de geldende opzegtermijn voor de onderhavige arbeidsovereenkomsten, gelet op artikel 7:672 van het Burgerlijk Wetboek (BW) één maand zou zijn. Om te bepalen vanaf wanneer deze periode aanvangt, is het in deze zaak van belang te bepalen of de arbeidsovereenkomst is geëindigd door ontbinding door de rechter (22 juli 2008), dan wel met wederzijds goedvinden (1 juli 2008). Met name dit punt houdt partijen verdeeld.

4.3 [appellanten] stellen in hoger beroep, anders dan SHL, dat geen sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden. Er zijn weliswaar door [appellanten] ondertekende beëindigingsovereenkomsten opgesteld, waarin beëindiging van de arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2008 tegen een vergoeding is overeengekomen, maar SHL heeft die beëindigingsovereenkomsten niet ondertekend. Daaruit en uit het feit dat door SHL op 18 juli 2008 nieuwe verzoekschriften tot ontbinding zijn ingediend, moet, zo stellen [appellanten], afgeleid worden dat er geen sprake was van mondelinge overeenstemming over het eindigen van het dienstverband met ingang van 1 juli 2008.

4.4 Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat voor het tot stand komen van een beëindigingsovereenkomst de algemene regels voor de totstandkoming van overeenkomsten gelden. Daarvoor is nodig dat er wilsovereenstemming is tussen partijen. Partijen moeten het in ieder geval eens zijn over de essentialia van de beëindigingsovereenkomst, zoals het einde van het dienstverband als zodanig, het tijdstip van de beëindiging en het wel of niet toekennen van een vergoeding. Het sluiten van een beëindigingsovereenkomst is in beginsel vormvrij. De schriftelijke vastlegging daarvan is met name van belang voor het leveren van bewijs.

4.5 Vaststaat dat, nadat SHL op 24 april 2008 ontbindingsverzoeken bij de kantonrechter had ingediend, opnieuw overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden over (de voorwaarden voor) beëindiging van het dienstverband van [appellanten]. [appellanten] betwisten niet dat de tekst van de op 5 juni 2008 gedateerde beëindigingsovereenkomst - waarin is opgenomen dat het dienstverband met ingang van 1 juli 2008 onvoorwaardelijk zou eindigen - na gezamenlijk overleg tussen de raadslieden van partijen door de raadsman van SHL is opgesteld en aan hen is voorgelegd. Evenmin betwisten zij dat de raadsman van [appellanten] op 6 juni 2008 aan de raadsman van SHL per e-mailbericht heeft meegedeeld dat de tekst akkoord was en dat de overeenkomst ter ondertekening aan [appellanten] is gemaild, waarna de raadsman van [appellanten] op 11 juni 2008 de door [appellanten] getekende overeenkomsten per fax aan SHL heeft doen toekomen. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat wilsovereenstemming bestond omtrent de beëindigingsovereenkomst en de daarin opgenomen bepaling dat het dienstverband met wederzijds goedvinden per 1 juli 2008 zou eindigen.

4.6 Zelfs al zouden [appellanten] de beëindigingsovereenkomst wel hebben ondertekend en SHL niet, doet dit niet af aan de geldigheid van de overeenkomst. [appellanten] hebben niet gesteld dat de overeenkomst niet alle essentialia bevatte, of dat er op enige andere wijze nog niet over alle punten overeenstemming bestond. Dat kan ook niet worden afgeleid uit het opnieuw indienen door SHL van verzoekschriften tot ontbinding bij de kantonrechter. De beëindigingsovereenkomst voorziet in een onvoorwaardelijke beëindiging die niet afhankelijk is gesteld van een ontbindingsbeschikking door de kantonrechter. Door [appellanten] is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat er een andere reden was voor het niet intrekken van de oorspronkelijke verzoeken tot ontbinding van 24 april 2008 en het - op verzoek van de kantonrechter - opnieuw indienen van de verzoekschriften op 18 juli 2008, dan het doen ontstaan van een executoriale titel voor de betaling van de door partijen overeengekomen ontbindingsvergoeding. Gesteld noch gebleken is voorts dat de (schriftelijke) beëindigingsovereenkomst niet de (juiste en volledige) weergave bevat van hetgeen partijen mondeling zijn overeengekomen. Nu [appellanten] voor het overige niets hebben gesteld dat kan leiden tot de conclusie dat de overeenkomst niet geldig is, gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van [appellanten] terzake.

4.7 Zoals hiervoor is overwogen is het dienstverband tussen SHL en [appellanten] op 1 juli 2008 met wederzijds goedvinden geëindigd. Dat de arbeidsovereenkomsten door de kantonrechter - anders dan door partijen was overeengekomen en ook anders dan door partijen verwacht - niet met ingang van 1 juli 2008 zijn ontbonden, maar, gelet op de datum van de beschikking, met ingang van 22 juli 2008, maakt dat niet anders. Een reeds geëindigde arbeidsovereenkomst kan niet meer ontbonden worden. Zoals de kantonrechter in het bestreden vonnis al heeft overwogen, heeft de ontbindingsbeschikking in zoverre geen gevolgen voor de rechtsverhouding tussen partijen. Voor het aanvragen van de WW-uitkering en de door het UWV gehanteerde fictieve opzegtermijn, zou dan ook moeten worden aangesloten bij artikel 16 lid 3 onder c WW: “indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd”. [appellanten] hadden gelet daarop met ingang van 1 augustus 2008 met recht aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering.

4.8 Indien [appellanten] hebben nagelaten een uitkering aan te vragen op grond van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, zoals SHL stelt en ten minste voor [appellante sub 1] lijkt te volgen uit de brief van het UWV aan haar van 14 augustus 2008, dan zou dit voor hun risico komen. Dit kan echter in het midden blijven, nu vaststaat dat [appellanten] geen bezwaar hebben gemaakt dan wel beroep hebben ingesteld tegen de beslissing van het UWV om hen eerst met ingang van 1 september 2008 een uitkering toe te kennen en de gevolgen daarvan in ieder geval voor hun risico komen.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 11 november 2009;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SHL begroot op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature