Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Illegale lotto. De rechtbank acht verdachte schuldig aan: deelnemen aan een criminele organisatie, medeplegen organiseren van illegale lotto. De rechtbank verwerpt de verweren t.a.v. vormverzuimen in het onderzoek. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van 1.000 euro.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600853-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1962]

wonende te [woonplaats], [adres][woonplaats][adres]

raadsman mr. F. van Seventer, advocaat te Naarden

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 4, 7, 12 en 19 april en 9 mei 2011 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak van verdachte, hierna ook te noemen [verdachte], is tegelijk maar niet gevoegd behandeld met -een aantal van- de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16/711566-08) hierna te noemen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] (16/711565-08) hierna te noemen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] (16/710760-09) hierna te noemen [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] (16/710769-09) hierna te noemen [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] (16/710921-09) hierna te noemen [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] (16/710752-09) hierna te noemen [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] (16/600854-10) hierna te noemen [medeverdachte 7], [medeverdachte 8] (16/600841-10) hierna te noemen [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] (16/600842-10) hierna te noemen [medeverdachte 9], [medeverdachte 10] (16/600845-10) hierna te noemen [medeverdachte 10], [medeverdachte 11] (16/600846-10) hierna te noemen [medeverdachte 11], [medeverdachte 12] (16/600847-10) hierna te noemen [medeverdachte 12], [medeverdachte 13] (16/600848-10) hierna te noemen [medeverdachte 13], [medeverdachte 14] (16/600850-10), hierna te noemen [medeverdachte 14], [medeverdachte 15] (16/600849-10) hierna te noemen [medeverdachte 15], [medeverdachte 16] (16/600852-10) hierna te noemen [medeverdachte 16] en [medeverdachte 17] (16/600851-10), hierna te noemen [medeverdachte 17].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 16 februari 2010 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (gewoonte)witwassen en gelegenheid geven mee te doen aan illegale kansspelen;

feit 2: in de periode van 1 januari 2009 tot en met 16 februari 2010 tezamen en in vereniging de gelegenheid heeft gegeven mee te doen aan illegale kansspelen.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De rechtbank overweegt in dat verband, in reactie op gevoerde verweren dan wel ambtshalve, het volgende.

Bevoegdheid van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank Utrecht onbevoegd is, omdat de tenlastelegging ziet op feiten die hebben plaatsgevonden in [woonplaats]. De verdediging is van mening dat de rechtbank Amsterdam in deze bevoegd is.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 2 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering onder meer bevoegd is de rechtbank binnen welker rechtsgebied het feit is begaan. Nu de tenlastelegging niet alleen [woonplaats], maar ook Utrecht vermeldt als de plaats waar het feit zou zijn begaan, is de rechtbank Utrecht bevoegd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie, tevens inhoudende beslissing omtrent een aantal verweren tot bewijsuitsluiting en strafvermindering

De verdediging stelt dat op meerdere gronden sprake is van verzuim van vormen door de officier van justitie. De verdediging voert daartoe aan dat de officier van justitie:

1. niet heeft voldaan aan een opdracht van de rechtbank;

2. informatie achterhoudt die mogelijk van belang kan zijn voor de beoordeling van de start van het onderzoek;

3. geen inzicht geeft in de actualiteit van de CIE-informatie;

4. opsporingsmiddelen heeft ingezet waarbij niet is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

Dit verzuim van vormen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, dan wel tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering. De rechtbank zal bovengenoemde punten achtereenvolgens bespreken

Ad 1. Niet voldoen aan opdracht rechtbank

De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank d.d. 13 december 2010 om een aanvullend proces-verbaal op te maken waarin zo concreet mogelijk de informatie moet worden aangeduid die de aanleiding heeft gevormd voor de start van het onderzoek op 14 mei 2008. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 7 maart 2011 voldeed in ieder geval niet aan de opdracht van de rechtbank, getuige de voorzittersbeslissing d.d. 31 maart 2011 waarbij de officier van justitie nogmaals werd opgedragen om een proces-verbaal te laten opmaken met daarin de concrete feiten en omstandigheden op basis waarvan het onderzoek op 14 mei 2008 tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gestart. Het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans van 1 april 2011 voldoet volgens de verdediging evenmin aan de opdracht van de rechtbank omdat dit proces-verbaal geen nieuwe informatie bevat maar slechts verwijst naar informatie in het zogenaamde Romp proces-verbaal-01 dat zich op 13 december 2010 al in het dossier bevond. Deze handelwijze van het openbaar ministerie is op te vatten als een weigering om aan de opdracht van de rechtbank te voldoen en is voorts te kenschetsen als minachting van de rechtbank. Gelet hierop moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat het politieonderzoek in deze zaak zich in drie fasen heeft voltrokken en aanvankelijk alleen was gericht op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. In de eerste fase (hierna: ROO-fase) heeft de Divisie Informatie van de regiopolitie Utrecht informatie over genoemde personen, die beschikbaar was in de politiesystemen, geïnventariseerd, gemonitord en geanalyseerd. In een zogenaamd pre-weegdocument is de beschikbare operationele informatie uit alle politiesystemen en openbare bronnen gerelateerd. De weegploeg van het Regionaal Overleg Opsporing (ROO) heeft vervolgens besloten tot het opstarten van een strafrechtelijk onderzoek en daartoe de opdracht verstrekt aan Bureau Projectvoorbereiding (BPV). BPV is op 14 mei 2008 dat onderzoek gestart en daarmee is de tweede fase van het politieonderzoek (hierna: BPV-fase) ingegaan. In februari 2009 is het onderzoek door een rechercheteam voortgezet, hetgeen de derde fase vormt. Een en ander blijkt uit het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans d.d. 1 april 2011.

Het dossier dat ter gelegenheid van de regiezitting van 13 december 2010 aan de rechtbank en de verdediging is verstrekt, bevatte geen informatie over de aard en omvang van de activiteiten in de ROO-fase en over de feiten en omstandigheden die de aanleiding hebben gevormd voor de start van het strafrechtelijk onderzoek op 14 mei 2008 naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (start BPV-fase). Verspreid in het dossier bevond zich weliswaar informatie die kennelijk eerder dan 14 mei 2008 bij de politie bekend was, maar voor de rechtbank (en de verdediging) was aan de hand van het dossier niet vast te stellen of die informatie in de ROO-fase naar voren was gekomen, welke activiteiten waren ontplooid in de ROO-fase en welke informatie aanleiding vormde voor de start van de BPV-fase. Teneinde de rechtmatigheid van het totale onderzoek (waaronder de ROO-fase) te kunnen toetsen en zich een oordeel te kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek, heeft de rechtbank op de regiezitting van 13 december 2010 de officier van justitie opdracht gegeven om een aanvullend proces-verbaal te doen opmaken waarin uiteen wordt gezet wat de aanleiding was voor de start van het onderzoek tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 14 mei 2008. Daarin diende zo concreet mogelijk de informatie te worden aangeduid die de aanleiding heeft gevormd voor het onderzoek.

Op 30 maart 2011 heeft de rechtbank bedoeld aanvullend proces-verbaal ontvangen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant]. [verbalisant] was blijkens zijn proces-verbaal echter betrokken bij de BPV-fase en niet bij de ROO-fase. Hij relateert: “De informatie die tot de beslissing van het ROO heeft geleid is mij niet bekend.” Vervolgens kan hij alleen de probleembeschrijving van de weegploeg, die zich al bevond in het dossier, weergeven. De rechtbank heeft dan ook geconstateerd dat met het insturen van dit proces-verbaal niet werd voldaan aan haar vraagstelling. Met haar opdracht van 13 december 2010 beoogde de rechtbank nu juist inzicht te verkrijgen in de activiteiten in de ROO-fase en de daaruit voortvloeiende informatie die de aanleiding hebben gevormd tot het onderzoek (BPV-fase). Met het overleggen van het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans van 1 april 2011 is vervolgens wél voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Daarmee is immers het beoogde inzicht verschaft in de ROO-fase. Allereerst wordt hierin algemene informatie verschaft over deze fase van onderzoek:

“De Divisie Informatie van de regiopolitie Utrecht inventariseert, monitort en analyseert de informatie welke beschikbaar is in de politiesystemen, in het bijzonder de informatie in het zogenaamde ‘zwacri-register’(artikel 10 WPG) waarin de CIE-informatie wordt bewaard. In het kader van de geprioriteerde criminaliteitsproblemen wordt in overleg met de informatie-officier van justitie een zogenaamd pre-weegdocument opgesteld. Dit betreft een informatie-rapport welke is opgesteld door een analist van de Divisie Informatie. Dit pre-weegdocument relateert de beschikbare operationele informatie uit alle politie-systemen en openbare bronnen en zo mogelijk zijn door de analist vermoedelijke verbanden gelegd tussen de informatie.”

En voorts specifieke informatie over de ROO-fase in dit onderzoek:

“Bij het onderzoek Aerosol heeft de weegploeg de keuze op 10 april 2008 tot het opstarten van een strafrechtelijk onderzoek gebaseerd op de informatie die binnen de (politie)systemen op dat moment bekend was. De herkomst van de informatie was van de RCIE, Blueview (landelijk politiesysteem), Kamer van Koophandel, Kadaster, HKS (politiesysteem) en Rijksdienst voor het Wegverkeer. In het romp proces-verbaal 080806.0000 Romp01 treft u een gedetailleerde uitwerking aan van informatie die in het pre-weegdocument is opgenomen. In het pre-weegdocument bevindt zich tevens summiere informatie die niet in Aerosol is gebruikt. De inhoud van deze informatie is -evenals het gehele document- geheim, onder meer vanwege de privacy en belangen van anderen.”

Daarmee heeft de officier van justitie voldaan aan de opdracht van de rechtbank.

De verdediging stelt tot slot tevergeefs dat het niet ter beschikking stellen van de in het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans genoemde “summiere informatie” in ieder geval is te beschouwen als een weigering om te voldoen aan de opdracht van de rechtbank. De verdediging miskent met dit standpunt dat de rechtbank het openbaar ministerie niet heeft verzocht om het pre-weegdocument aan het dossier toe te voegen of om inzicht te verschaffen in alle informatie die in de ROO-fase bij de politie beschikbaar was. De rechtbank wenste inzicht in de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de start van het onderzoek op 14 mei 2008 en inzicht in de activiteiten waaruit die feiten en omstandigheden zijn gebleken. Het openbaar ministerie heeft, zoals hiervoor overwogen, dat inzicht verschaft met het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans. Het enkele niet ter beschikking stellen van een deel van de informatie uit het pre-weegdocument is dus niet op te vatten als een weigering van het openbaar ministerie om te voldoen aan de opdracht van de rechtbank.

De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een weigering om de opdracht van de rechtbank te vervullen. Nu geen vormverzuim wordt geconstateerd, kan van niet-ontvankelijkheid (dan wel bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering) om deze reden geen sprake zijn.

Ad 2. Achterhouden van informatie

De verdediging stelt dat volledig inzicht moet worden geboden in de bevindingen van de ROO-fase, waaronder ook in het pre-weegdocument en het project-voorstel, nu voor de verdediging niet duidelijk is dat en waarom de niet ter beschikking gestelde informatie uit het pre-weegdocument niet gebruikt is in het onderzoek. Mogelijk gaat het hier om ontlastende informatie. Voorts blijkt volgens de verdediging uit het dossier dat er al heel wat onderzoek is verricht in de ROO-fase. Er is een zeer reële kans dat daarbij BOB-opsporingsmiddelen zijn gebruikt, zoals het stelselmatig inwinnen van informatie. Inzage in het pre-weegdocument en het project-voorstel kan daarover wellicht duidelijkheid verschaffen, aldus de verdediging.

De rechtbank heeft bij beslissing van 7 april 2011 de verzoeken van de verdediging om het pre-weegdocument en het projectvoorstel toe te voegen aan het dossier afgewezen.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in de ROO-fase niet kan worden aangemerkt als een opsporingsonderzoek. Hoewel wettelijke bepalingen omtrent de vastlegging van verrichtingen en bevindingen in die fase ontbreken, zal al naar gelang de aard en omvang van het in die fase verrichte onderzoek verslaglegging in enigerlei vorm niet achterwege mogen blijven. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter in het eindonderzoek in staat zal moeten zijn de rechtmatigheid van het onderzoek te toetsen en zich een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek. Informatie die redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing behoeft niet te worden vastgelegd. Hieruit volgt dat informatie uit de ROO-fase die wel is vastgelegd, maar niet van belang is voor enig te nemen beslissing in het eindonderzoek

-behoudens bijzondere omstandigheden- ook niet aan de rechtbank en de verdediging ter beschikking hoeft te worden gesteld.

De enkele stelling dat het pre-weegdocument misschien informatie bevat die in verband met het onderzoek van belang kan zijn, is onvoldoende om aanspraak te maken op een afschrift van dit document dan wel volledig inzicht te verkrijgen in dat document. In het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans is aangegeven dat het ROO beschikte over informatie die niet aan de verdachte en de rechtbank is verstrekt. Die informatie is volgens de officier van justitie niet ter kennis gebracht van het BPV en het rechercheteam en ook niet gebruikt bij het opsporingsonderzoek. Voorts is in het romp-proces-verbaal-01 aangegeven op welke informatie de beslissing was gebaseerd om een onderzoek door het BPV te laten starten en waaruit die informatie was gebleken. Deze beslissing kan dus getoetst worden door de rechtbank. Aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de toelichting van de officier van justitie onjuist is, ontbreken. Bij de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen is in het aanvraag proces-verbaal telkens gerelateerd welke informatie redengevend was voor de verdenking en voor de inzet van de opsporingsmiddelen zodat de verdediging en de rechtbank kunnen toetsen welke informatie in het onderzoek is gebruikt.

Ook de enkele stelling dat er mogelijk op stelselmatige wijze informatie is ingewonnen, biedt onvoldoende grondslag om het openbaar ministerie op te dragen meer openheid te geven over de ROO-fase. Volgens het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans is het onderzoek in de ROO-fase beperkt gebleven tot het raadplegen van de politiesystemen en het raadplegen van openbare bronnen. Hoewel deze onderzoekshandelingen gericht waren op twee specifieke personen ([medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]), is daarmee nog geen sprake van op stelselmatige wijze inwinnen van informatie. Door stelselmatige inwinning van informatie (als bedoeld in artikel 126j Wetboek van Strafvordering ) wordt immers actief geïnterfereerd in het leven van verdachte. Er bevinden zich geen aanwijzingen in het dossier dat in de ROO-fase dergelijk actief handelen heeft plaatsgehad. De verdediging heeft verder gewezen op CIE-informatie die in de ROO-fase bekend was. Uit het proces-verbaal van officier van justitie Geldermans blijkt dat het informatie uit twee CIE-processen-verbaal (nr. 322-2008 en nr. 349-2008) betreft. Ook de enkele aanwezigheid van CIE-informatie leidt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat sprake is geweest van stelselmatige informatie-inwinning.

Bij het raadplegen van digitale registers en systemen gaat het om een beperkte inbreuk die op de persoonlijke levenssfeer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is gemaakt. Deze inbreuk wordt gedekt door algemene taakstellende artikelen als artikel 2 Politiewet en de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat de officier van justitie informatie heeft achtergehouden die in redelijkheid van belang kan zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in het eindonderzoek. Nu geen vormverzuim wordt geconstateerd, kan van niet-ontvankelijkheid (dan wel bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering) om deze reden geen sprake zijn.

Ad 3. Actualiteit CIE-informatie

De verdediging betoogt dat niet te beoordelen is of de in het onderzoek gebruikte CIE-informatie voldoende actueel was. Er is immers slechts bekend wanneer de desbetreffende informatie is binnengekomen bij de CIE, niet wanneer de informant deze heeft verkregen. Dit betekent volgens de verdediging dat de CIE-informatie buiten beschouwing moet worden gelaten, hetgeen ertoe leidt dat er onvoldoende basis bestond voor de start van het onderzoek en de toepassing van bijzondere opsporingsmiddelen. Een en ander zou moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie dan wel uitsluiting van de resultaten van die opsporingsmiddelen voor het bewijs.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat, met weglating van de CIE-informatie (in verband met het niet kunnen toetsen van de actualiteit ervan), er in de eerste plaats onvoldoende basis was om een opsporingsonderzoek te starten.

De CIE-informatie die (onder meer) heeft geleid tot de start van het onderzoek, hield het volgende in:

Proces-verbaal CIE nr. 322-2008 d.d. 18 juni 2008 met informatie die in de maand maart 2008 bij de RCIE is binnengekomen:

“[medeverdachte 2], ongeveer 45-50 jaar oud, heeft samen met de ongeveer even oude [medeverdachte 1] uit [woonplaats] een vastgoedbedrijf in de [adres] in [woonplaats]onder de naam [bedrijf]. Zij zijn volop bezig met de hennephandel. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben meerdere hennepkwekerijen, waaronder ook grotere, in panden van het bedrijf [bedrijf]. Dit zijn panden die door [bedrijf] verhuurd worden dan wel op naam staan van [bedrijf]. De dochter van [medeverdachte 1] helpt onder andere bij het knippen van de hennepplanten.”

De verstrekte informatie wordt door de RCIE als betrouwbaar aangemerkt.

Proces-verbaal CIE nr. 349-2008 d.d. 8 juli 2008 met informatie die in de maand juli 2008 bij de RCIE is binnengekomen:

“[medeverdachte 2] uit [woonplaats], organiseert al jaren samen met [medeverdachte 1] een illegale Lotto in Utrecht en plaatsen in de omgeving van Utrecht. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn beiden ongeveer even oud en [medeverdachte 1] heeft een pokdalig gezicht. Met de illegale lotto halen ze heel veel geld op. Dit geld wordt ieder weekend in de kroegen opgehaald door een medewerker van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de voornaam [X], een dochter van [medeverdachte 2] en door een dochter van [medeverdachte 1], die enige weken geleden te zien was in een Tv-programma.

In diverse cafés, buurthuizen en sportkantines kan je meedoen aan die Lotto.”

Over de betrouwbaarheid van de informatie kan de RCIE geen oordeel geven.

Officier van justitie Geldermans heeft in haar proces-verbaal van 1 april 2011 vermeld dat de informatie uit het proces-verbaal met nummer 349-2008 reeds in maart 2008 in minder gedetailleerde vorm beschikbaar was.

De rechtbank stelt voorop dat op 14 mei 2008 werd gestart met een opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 132a Wetboek van Strafvordering: een onderzoek in verband met strafbare feiten, maar waarvoor het bestaan van een verdenking niet bepalend is. De rechtbank dient aldus te toetsen of er voldoende aanleiding bestond om een onderzoek te starten naar mogelijke strafbare feiten waarbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren. De hiervoor geciteerde CIE-informatie gaf voldoende grondslag voor de start van zo’n onderzoek, ook als daarbij wordt betrokken dat niet getoetst kan worden wanneer de informant de betreffende informatie heeft verkregen. Bedoelde CIE-informatie kwam in maart 2008 bij de RCIE binnen en is gedetailleerd en concreet van aard. Voorts heeft de politie antecedenten bij [medeverdachte 2] geconstateerd op (onder meer) het gebied van de Opiumwet en de Wet op de Kansspelen en bij [medeverdachte 1] op (onder meer) het gebied van de Wet op de Kansspelen. Ook heeft de politie vastgesteld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (via een aantal B.V.’s) directeur / grootaandeelhouder zijn van [bedrijf] en al dan niet via die B.V. eigenaar zijn van een groot aantal panden. Daarmee bestond voldoende basis voor een opsporingsonderzoek naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hun mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging voorts in die zin dat, met weglating van de CIE-informatie (in verband met het niet kunnen toetsen van de actualiteit ervan), er geen sprake meer is van een voldoende verdenking van strafbare feiten om opsporingsmiddelen te kunnen inzetten. De verdediging heeft niet specifiek aangeduid op welke CIE-informatie en op welke opsporingsmiddelen zij met dit verweer doelt. De rechtbank zal het verweer aldus opvatten dat het betrekking heeft op de inzet van de eerste opsporingsmiddelen.

In het zogenaamde proces-verbaal van overdracht (090211200.AMB) staat beschreven dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 juli 2008 zijn aangemerkt als verdachten. Vervolgens zijn vanaf 22 augustus 2008 diverse bijzondere opsporingsmiddelen ingezet tegen de hiervoor genoemde [medeverdachte 1]en [medeverdachte 2]. De zogenaamde romp processen-verbaal vormden telkens de basis voor de aanvraag en onderbouwing van de bijzondere opsporingsmiddelen. Het eerste rompverbaal (080806.0000ROMP01) dateert van 6 augustus 2008 en vermeldt een drietal CIE-processen-verbaal. Het betreft de processen-verbaal met nummers 322-2008 en 349-2008 die hiervoor zijn geciteerd en verder het volgende proces-verbaal:

Proces-verbaal CIE nr. 372-2008 d.d. 9 juli 2008 met informatie die in de maand juli 2008 bij de RCIE is binnengekomen:

“[medeverdachte 2] uit [woonplaats] en [medeverdachte 1] met wie [medeverdachte 2] veel omgaat hebben een groot hennephok van enkele duizenden planten medegefinancierd. Dit hennephok wordt onderhouden door ene [Y] die rijdt in een BMW met het kenteken [kenteken] en woont aan de [adres] in[woonplaats].

Daarnaast onderhoudt [Y] nog meerdere hennephokken. Deze staan onder andere bij zijn schoonmoeder en zijn schoonzuster die alle twee in [woonplaats] wonen. Ongeveer 8 personen knippen regelmatig de weed voor [Y].”

Over de betrouwbaarheid van de informatie kan de RCIE geen oordeel geven.

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet bekend is wanneer de informant de desbetreffende informatie heeft verkregen, er niet toe leidt dat deze CIE-informatie buiten beschouwing moet blijven. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake was van voldoende grond voor een verdenking van een misdrijf, zijn meer factoren van belang. Zo acht de rechtbank ten aanzien van de CIE-informatie van belang dat in het proces-verbaal is vermeld wanneer de informatie binnen is gekomen bij de RCIE, zodat in dat opzicht kan worden getoetst of de informatie actueel is. Voorts dient de inhoud van de informatie een rol te spelen: is de informatie gedetailleerd en concreet van aard, zijn elementen ervan te verifiëren of te falsificeren? Tenslotte dient te worden bezien welke andere onderzoeksinformatie voorhanden is die, tezamen met de CIE-informatie, de grondslag heeft gevormd voor inzet van bijzondere opsporingsmiddelen.

De rechtbank overweegt over deze factoren dat de CIE-informatie die (onder meer) de basis vormde voor de inzet van de eerste bijzondere opsporingsmiddelen in augustus 2008, bij de RCIE is binnengekomen in maart en juli 2008. Het betrof dus informatie die in de vijf maanden voorafgaand aan de inzet van de opsporingsmiddelen bekend was geworden. In alle drie CIE-processen-verbaal staat concrete en gedetailleerde informatie over bij naam genoemde personen. Een deel van die informatie is ook te controleren, bijvoorbeeld aan de hand van gegevens uit het GBA en het Kadaster. Voorts is in het zogenaamde rompverbaal (080806.0000ROMP01) gerelateerd welke overige onderzoeksinformatie dient ter onderbouwing van de verdenking van betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij een criminele organisatie, valsheid in geschrift, (gewoonte)witwassen, handel in dan wel bezit van softdrugs en overtreding van de Wet op de Kansspelen.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er ten tijde van de inzet van de eerste bijzondere opsporingsmiddelen (bevel stelselmatige observatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] d.d. 22 augustus 2008) voldoende grond voor een verdenking van betrokkenheid van beiden bij handel in dan wel bezit van softdrugs alsmede van overtreding van de Wet op de Kansspelen. Voor wat betreft de veronderstelde illegale lotto wordt de hiervoor geciteerde CIE-informatie ondersteund door een verklaring van een getuige, afgelegd op 22 oktober 2007. Deze getuige verklaart dat er bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ‘zwarte lotto’ gespeeld kan worden. De CIE informatie wordt voorts mede ondersteund door de omstandigheid dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] antecedenten hebben terzake de Wet op de Kansspelen. Voor wat betreft de betrokkenheid bij handel in dan wel bezit van softdrugs wordt de CIE-informatie ondersteund door de vondst van drie hennepkwekerijen (tweemaal in 2004, eenmaal in 2006) in panden die eigendom zijn van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Over de vondst van één van de hennepkwekerijen in 2004 wordt gerelateerd dat de huurder verklaarde dat de betreffende hennepkwekerij van hem was. De betreffende huurder wordt bij de vondst van de hennepkwekerij in 2006 in het proces-verbaal genoemd als beheerder namens [bedrijf], de rechtspersoon van de onderneming van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

De rechtbank constateert dat de informatie op basis waarvan tot de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen is overgegaan, voor een belangrijk gedeelte niet bijzonder recent was. Niettemin acht de rechtbank de informatie van voldoende gewicht om er een verdenking op te baseren. De informatie, met name de CIE-informatie, duidt immers op omvangrijke en structurele criminele activiteiten. Aannemelijk is dat informatie over dergelijke activiteiten gedurende langere tijd haar gelding blijft behouden.

Uit het voorgaande volgt dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. Nu geen vormverzuim wordt geconstateerd, kan van niet-ontvankelijkheid (dan wel bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering) om deze reden geen sprake zijn.

Ad 4. Subsidiariteit en proportionaliteit opsporingsmiddelen

De verdediging betoogt dat het openbaar ministerie een lange reeks van bijzondere opsporingsmiddelen heeft ingezet jegens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die een ernstige inbreuk hebben gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Er bestond onvoldoende grond voor de inzet van die opsporingsmiddelen, althans onvoldoende grond om die middelen te blijven inzetten omdat er uit het onderzoek geen belastende informatie naar voren kwam anders dan de bevindingen rond de illegale lotto. De veronderstelde illegale lotto rechtvaardigt echter niet de inzet van dergelijke ingrijpende opsporingsmiddelen. Voorts was het bewijs van de lotto al vóór juni 2009 rond zodat het voor die verdenking niet van belang was om na die datum vergaande middelen zoals het opnemen van vertrouwelijke communicatie en een inkijkoperatie toe te passen. Volgens de verdediging levert dit een ernstig vormverzuim op waaraan als consequentie de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet worden verbonden. Subsidiair dient het met de opsporingsmiddelen verkregen bewijs te worden uitgesloten. Meer subsidiair dient strafvermindering te volgen.

De rechtbank constateert met de verdediging dat een reeks van bijzondere opsporingsmiddelen is ingezet in het onderzoek Aerosol, welk onderzoek in totaal bijna twee jaar heeft geduurd. De verdediging heeft, naast een algemene verwijzing naar de ingezette opsporingsmiddelen, zich in haar pleidooi expliciet gericht tegen het opnemen van vertrouwelijke communicatie in het pand aan de [adres] en de inkijkoperaties op dezelfde locatie. Daarbij heeft de verdediging zich tevens op het standpunt gesteld dat dit pand een woning (van de heer [Z]) betrof en dat reeds om die reden de in dat pand gebruikte opsporingsmethoden onrechtmatig zijn ingezet.

Ten aanzien van de hoedanigheid van het pand aan de [adres] te [woonplaats] overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat verdachte het pand aan de [adres] niet als bewoner in gebruik had. Bij de beoordeling van deze zaak kan in het midden blijven of dit pand wel door [Z] als woning werd gebruikt. Immers, ook indien dit juist is, kan verdachte geen beroep doen op de onrechtmatigheid van de gebruikte opsporingsmethoden. Iemand die een pand niet ter bewoning in gebruik heeft, wordt ook niet in zijn belang als bewoner getroffen in geval er onrechtmatig wordt binnengetreden. Dit geldt ook indien hij naast de bewoner het pand wel feitelijk (zij het niet ter bewoning maar bijvoorbeeld als kantoorruimte) in gebruik had. Voor zover er al sprake zou zijn van onrechtmatige opsporingsmethoden in die zin dat het openbaar ministerie ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake was van een woning, valt dan ook niet in te zien in welk rechtens te beschermen belang verdachte hierdoor is getroffen.

De inkijkoperaties op [adres] (ex artikel 126k Wetboek van Strafvordering ) hebben eind juni 2009 plaatsgevonden. Daartoe was een schriftelijk bevel gegeven op 25 mei 2009, dat op 22 juni 2009 is verlengd. Voorts is op 29 juni 2009 een machtiging verkregen van de rechter-commissaris tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie door apparatuur te plaatsen in het appartement aan de [adres]. Op 4 en 25 juli 2009 heeft er opname plaatsgevonden van communicatie in [adres]. Zowel de bevelen voor de inkijkoperaties als de machtiging voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie zijn verleend terzake verdenkingen van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van artikel 1 onder A van de Wet op de Kansspelen , valsheid in geschrift, witwassen en overtreding van de artikelen 3 onder A, B, C en D en artikel 11A van de Opiumwet .

De rechtbank oordeelt dat aan de vereisten voor toepassing van de inkijk is voldaan. Er was immers sprake van verdenking van misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en er is een schriftelijk bevel gegeven door de officier van justitie. De inzet van dit opsporingsmiddel was in het belang van het onderzoek en voldeed ook voor het overige aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. In het onderzoek tot dan toe was zicht verkregen op het bestaan van een illegale lotto en betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] daarbij. De locatie [adres] fungeerde in dat kader, zo was de indruk op basis van het onderzoek, als kantoor voor de illegale lotto. Tegen de achtergrond van de overige verdenkingen die er jegens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestonden -niet alleen betrokkenheid bij een illegale lotto en in dat kader deelname aan een criminele organisatie en (gewoonte)witwassen, maar ook (gezamenlijke) betrokkenheid bij hennephandel- was het verkrijgen van duidelijkheid over de functie van het appartement een gerechtvaardigd onderzoeksbelang.

Voor de beoordeling van de inzet van het opnemen van vertrouwelijke communicatie geldt een ander toetsingskader. De rechtbank dient te beoordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging heeft kunnen komen, dat wil zeggen inclusief zijn oordeel over de proportionaliteit en subsidiariteit van het middel. Bij die toetsing is de rechtbank niet gebonden aan de betreffende vordering van de officier van justitie en het onderliggende proces-verbaal van aanvraag, maar kan zij alle destijds bekende feiten en omstandigheden uit het dossier betrekken (zie HR 11/10/2005, NJ 2006/625).

Allereerst is aan de orde de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat sprake was van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat gezien zijn aard of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden niet alleen verdacht van betrokkenheid bij een illegale lotto en in dat kader deelname aan een criminele organisatie en (gewoonte)witwassen, maar ook van betrokkenheid bij hennephandel. Die laatste verdenking werd niet alleen onderbouwd door de CIE-informatie die (onder meer) de aanleiding voor het onderzoek vormde, maar ook door meer recente CIE-informatie. Daar komt bij dat op 9 en 18 juni 2009 nieuwe CIE-informatie binnenkwam die onder meer inhield dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich bezig houden met financiering van drugstransporten van cocaïne en xtc-pillen naar het buitenland.

Voorts staat ter beoordeling of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat het onderzoek deze maatregel dringend vorderde. In dat kader spelen dezelfde onderzoeksbelangen als die de rechtbank heeft benoemd bij de inkijkoperaties. De rechter-commissaris heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat er, los van het verkrijgen van inzicht in de duur en omvang van de lotto (waarvoor gelet op de stand van het onderzoek het opnemen van vertrouwelijke communicatie niet dringend werd gevorderd) voldoende onderzoeksbelangen resteerden - mede gelet op de recent binnengekomen CIE-informatie - die maakten dat het onderzoek de inzet van dit opsporingsmiddel dringend vorderde.

De verweren van de verdediging ten aanzien van de opsporingsmiddelen worden derhalve verworpen. Nu geen vormverzuim wordt geconstateerd, kan van niet-ontvankelijkheid (dan wel bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering) om deze reden geen sprake zijn.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het algemene onderzoek met betrekking tot de illegale lotto en in het bijzonder op het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij fungeerde als tussenpersoon voor de illegale lotto. Deze verklaring wordt ondersteund door diverse lottogerelateerde telefoongesprekken en faxberichten. Tevens worden bij doorzoeking van de woning van medeverdachte [medeverdachte 5] geschriften aangetroffen met betrekking tot de cijferreeksen en inleg van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten.

Ten aanzien van feit 1 voert de verdediging aan dat er geen sprake is van deelname aan een criminele organisatie. Vereisten voor deelneming zijn het behoren tot een samenwerkingsverband alsmede het hebben van wetenschap dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij moet de deelnemer aandeel hebben in of ondersteuning bieden aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk. De deelnemer moet weten dat de organisatie het plegen van misdrijven als oogmerk heeft. Niet bewezen kan worden dat het opzet van verdachte gericht was op het plegen van strafbare feiten en al helemaal niet dat het oogmerk van de criminele organisatie ook zijn oogmerk was. Verdachte stond niet in een hiërarchische structuur tot leden van de organisatie. De organisatie functioneerde ook zonder verdachte. Verdachte was slechts een schakel tussen de spelers en de organisatie, zonder deel uit te maken van die organisatie.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 2

[medeverdachte 3] heeft op 16 februari 2010 verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in Utrecht een illegale lotto organiseerden. [medeverdachte 3] is er zelf tenminste twee jaar bij betrokken. Met name op zaterdagen verrichtte hij in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werkzaamheden voor de illegale lotto. Hij kreeg hiervoor € 100,- per dag. Mensen schreven op een stuk papier op welke getallen ze wilden inzetten en deden dat in een dichte envelop. In die enveloppen deden zij ook het geld. Sommigen faxten de getallen waarmee ze wilden spelen. [medeverdachte 3] haalde ’s morgens de inzet op bij de personen die meededen. Hij had vijf stopadressen in onder andere IJmuiden, Haarlem en Amsterdam. De enveloppen gaf hij vervolgens af op kantoor aan de [adres]. Dat betreft het pand aan [adres] in [woonplaats]. De winnende getallen waren gelijk aan de winnende getallen van de legale Lotto. Zodra de winnende getallen bekend waren keek [medeverdachte 3] de briefjes uit. Aan de hand van de inzet en de gevallen nummers bekeek hij of mensen prijs hadden. ’s Avonds bracht hij in een envelop het prijzengeld. Geconfronteerd met een aantal getapte telefoongesprekken heeft [medeverdachte 3] voorts verklaard dat ook telefonisch lottogetallen werden doorgegeven.

[medeverdachte 3] heeft verder verklaard dat er nog meer mensen betrokken waren bij de illegale lotto van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Zo heeft hij verklaard dat hij als hij [medeverdachte 4] zag, dit op zaterdagen in het pand aan de [adres] te [woonplaats] was. De dochter van [medeverdachte 1], [medeverdachte 6], en de twee dochters van [medeverdachte 2] kende hij ook via de illegale lotto.

Er is vertrouwelijke communicatie opgenomen in het pand aan de [adres] te [woonplaats]. Op basis van stemherkenning is vastgesteld dat op zaterdag 4 juli 2009 in het pand [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] aanwezig waren. Geconfronteerd met de gesprekken die in genoemde locatie zijn gevoerd tussen 19.18 uur en 20.30 uur heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij de prijzen opnoemde, iemand anders het geld telde en dit aan hem gaf en dat hij het geld daarna in een envelop stopte.

De verklaring van [medeverdachte 3] wordt ondersteund door verklaringen van andere personen, waaronder de volgende.

[medeverdachte 12], eigenaar van café [A] te[woonplaats], heeft op 18 maart 2010 verklaard dat hij tenminste een jaar geleden in aanraking kwam met [medeverdachte 1], die vertelde dat hij een illegale lotto organiseerde. [medeverdachte 12] is daaraan mee gaan doen. Hij speelde mee samen met een aantal mensen uit zijn café. Hij moest daarvoor een bonnenboekje invullen. Hierin schreef hij het bedrag waarmee en de getallen waarop men speelde. Hij deed de bonnetjes en de inzet in enveloppen en een [medeverdachte 3] kwam die enveloppen ophalen. Er is ook een paar keer een meisje geweest om de bonnetjes en het geld op te halen. [medeverdachte 3]kwam een week later terug met het prijzengeld en [medeverdachte 12] betaalde dan uit aan de prijswinnaars.

[medeverdachte 13], wonende te [woonplaats], heeft op 17 maart 2010 verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een illegale lotto organiseerden en dat hij, [medeverdachte 13], daaraan meedeed. Een aantal personen gaf telefonisch aan [medeverdachte 13] door met welke nummers ze wilden meespelen. Hij schreef dit dan op en belde de nummers door naar een telefoonnummer dat hij van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] had gekregen. De inzet en administratie van de illegale lotto, die hij in een envelop deed, werd vervolgens door een jongen of een meisje opgehaald. [medeverdachte 6] kwam sinds een half jaar bij hem langs om de inzet en de administratie op te halen. [medeverdachte 3] kwam altijd het prijzengeld brengen. Ook heeft een dochter van [medeverdachte 2] wel eens het prijzengeld gebracht. Het prijzengeld betaalde hij later uit aan de winnaars. Als tussenpersoon kreeg hij, [medeverdachte 13], 25% van de inzet.

[medeverdachte 17], klant bij café [B]te [woonplaats], heeft op 30 maart 2010 verklaard dat hij enveloppen verzamelde van mensen die wilden meespelen met de illegale lotto. De enveloppen werden op zaterdagen opgehaald voor de deur van [B] en waren bestemd voor de illegale lotto van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De enveloppen werden meestal opgehaald door [medeverdachte 6] of [medeverdachte 7]. [medeverdachte 4] bracht het prijzengeld en[medeverdachte 17] gaf het geld dan weer af aan de prijswinnaars.

[medeverdachte 16] heeft op 24 maart 2010 eveneens verklaard dat hij meespeelde met de lotto en heeft, nadat hij werd geconfronteerd met telefoongesprekken tussen hem en een vrouw genaamd [medeverdachte 5] hierover aanvullend verklaard dat hij de nummers waarmee werd gespeeld aan haar doorbelde. De rechtbank overweegt dat het desbetreffende telefoonnummer kennelijk in gebruik was bij [medeverdachte 5], hetgeen bijvoorbeeld kan worden afgeleid uit de opgenomen telefoongesprekken met [X] ([X]), haar partner.

De verklaringen worden ondersteund door de kasboeken die bij een inkijkoperatie zijn aangetroffen in het pand aan de [adres] te [woonplaats]. De gegevens uit de kasboeken zijn door de politie verwerkt, waarbij per jaar de totale inleg van de lotto is vastgesteld. De totale inleg van het jaar 2006 bedroeg € 956.710,-. . In het kasboek staat bij de datum 1 januari 2006 vermeld dat het kassaldo van de vorige periode € 26.016,00 bedroeg en het kassaldo heden € 26.015,00. Voorts worden vanaf 7 januari 2006 wekelijks bedragen aan (ondermeer) inleg en uitbetaling geboekt. De totale inleg van 2007 bedroeg € 1.069.495,-. De totale inleg van 2008 bedroeg € 955.860,-. Verder blijkt uit de kasboeken dat een groot deel van de inzet werd uitgekeerd als prijzengeld, dat daarnaast elk jaar aan zowel [medeverdachte 2] als aan [medeverdachte 1] een bedrag van € 30.000,- werd uitgekeerd, dat de kosten jaarlijks werden vastgesteld op € 39.000,- en dat elk jaar rond de € 12.000,- aan kerstgratificaties werd uitgekeerd.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn aangehouden op 16 februari 2010.

[medeverdachte 14] heeft ten aanzien van het einde van zijn deelname aan de lotto verklaard dat hij op een gegeven moment geen gehoor meer kreeg als hij [medeverdachte 3] belde. Iemand uit zijn café vertelde hem vervolgens dat de illegale lotto was opgerold. [medeverdachte 14] heeft verklaard dat hij er uiteindelijk geld bij is ingeschoten. Bij de laatste trekking was er namelijk een prijs gevallen die hij heeft uitbetaald aan de winnaar. Hij heeft echter niet meer al het geld ontvangen van de organisatie. Dit is volgens [medeverdachte 14] ook af te leiden uit de fax d.d. 13 februari -de rechtbank begrijpt hieruit 2010-, welke tijdens het verhoor aan hem is getoond.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging met onder anderen [medeverdachte 3] wekelijks een lotto organiseerden. Het is een feit van algemene bekendheid dat in Nederland alleen de Stichting Nationale Sporttotalisator een vergunning heeft voor het organiseren van De Lotto. Hiermee staat dan ook vast dat voor de lotto zoals die is georganiseerd door [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en consorten. geen vergunning was verleend. De rechtbank overweegt voorts dat uit het strafdossier blijkt dat met de in de tenlastelegging genoemde ‘R+N Lotto’ wordt bedoeld de illegale lotto waarvan is gebleken uit het onderzoek, te weten de lotto die werd georganiseerd door in het bijzonder [medeverdachte 1] (R) en [medeverdachte 2] (N). De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

[verdachte], eigenaar van café [C] te [woonplaats], heeft op 1 april 2010 verklaard dat hij sinds ruim een jaar betrokken is bij de lotto. Hij deed dit in het kader van klantenbinding. Klanten konden bij hem lottopapieren invullen. Hij, [verdachte], faxte die door, verzamelde de inleg en betaalde de winst uit. Hij kreeg hiervoor een vergoeding van de organisatie, waarvan hij de klanten die meespeelden wat te drinken gaf. [verdachte] faxte de lottobescheiden onder anderen naar [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] kwam ook het financiële gedeelte ophalen en belde door welke getallen waren gevallen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vanaf januari 2009 heeft meegedaan aan de organisatie van de illegale lotto van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en aldus het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1

Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij samen met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Hierbij gaat het -kort gezegd- om witwassen en het organiseren van een illegale lotto.

Juridisch kader

Onder een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één ander persoon’. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, waaronder begrepen het gedurende enige tijd misdrijven begaan van slechts één soort, zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of de onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel van de organisatie en, meer in het algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichtte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Van deelname aan een criminele organisatie is slechts dan sprake, indien de betrokkene:

1. behoort tot het samenwerkingsverband; en

2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 bedoelde oogmerk.

Voor deelneming is daarbij voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er moet sprake zijn van een zodanige rol in het geheel van handelingen dat het samenwerkingsverband daardoor functioneert of functioneren kan.

Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en verwijst daarbij naar de bewijsmiddelen zoals door de rechtbank beschreven ten aanzien van feit 2. De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 voorts als volgt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake was van deelname aan een criminele organisatie. De verdediging voert daartoe aan, zakelijk weergegeven, dat verdachte geen onderdeel uitmaakte van de organisatie die de lotto organiseerde. Het oogmerk van verdachte was ook helemaal niet gericht op het plegen van misdrijven. Er was ook geen gezagsverhouding en er waren geen regels waren waaraan verdachte zich diende te houden. Er kon geen druk op verdachte worden uitgeoefend, en het stond verdachte te allen tijde vrij om met zijn werkzaamheden voor de lotto te stoppen. Verdachte was voor de organisatie volstrekt inwisselbaar.

De rechtbank overweegt als volgt. Onder omstandigheden kunnen het bestaan van een gezagsverhouding, het bestaan van regels waaraan mensen zich dienen te houden, de mogelijkheid om druk uit te oefenen en het gebrek aan vrijheid om met werkzaamheden ten dienste van de organisatie te stoppen, omstandigheden zijn op grond waarvan een samenwerkingsverband als criminele organisatie moet worden bestempeld. Anders dan de verdediging stelt, gaat het hierbij echter niet om noodzakelijke voorwaarden voor het vaststellen van een criminele organisatie. Ook in andere omstandigheden kan het bestaan van een criminele organisatie worden aangenomen. De rechtbank heeft hiervoor het juridisch kader geschetst aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of er sprake is van een criminele organisatie. Gelet op dat kader en op voornoemde bewijsmiddelen, moet verdachte worden aangemerkt als deelnemer aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft een ondersteunende rol gespeeld bij de organisatie van de lotto. Deze rol was weliswaar beperkt, maar tegelijkertijd van wezenlijk belang voor het goed functioneren van de organisatie. Zonder tussenpersonen als verdachte kan een lotto immers niet bestaan. Dat verdachte zelf ook speler was in de lotto leidt er niet toe dat hij niet als organisator is aan te merken. De rechtbank acht daarbij van belang dat verdachte via zijn horecagelegenheid aan (willekeurige) personen de mogelijkheid bood om mee te spelen in de lotto. Veel mensen zullen bij een veroordeling voor ‘deelname aan een criminele organisatie’ niet als eerste denken aan het verzamelen van de inleg en de te spelen lotto-getallen, het doorgeven van lotto-getallen en het uitkeren van prijzen. Dat neemt niet weg dat verdachte, zoals de rechtbank ten aanzien van feit twee heeft overwogen, gelegenheid heeft gegeven tot het spelen van de lotto, terwijl daar geen vergunning voor was gegeven. Dat is een misdrijf. Nu de organisatie waarvoor verdachte zijn werkzaamheden verrichtte onder meer het wekelijks organiseren van de lotto tot doel had, kan dan ook niet anders worden geoordeeld dan dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had en dat verdachte dat wist.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2009 tot en met 16 februari 2010 te Utrecht en elders in

Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk misdrijven strafbaar gesteld in:

- artikel 420bi s (witwassen) en/of 420ter (gewoontewitwassen) van het Wetboek

van Strafrecht en

- artikel 1 van de Wet op de Kansspelen ;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 16 februari 2010 te Utrecht en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens in/vanuit de [adres] te [woonplaats] en in/via diverse horecagelegenheden in Utrecht en elders in Nederland gelegen, telkens opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan personen uit het publiek om door middel van het kansspel De Lotto, bestaande uit een combinatie van het legale kansspel bekend onder de naam De Lotto en de R + N Lotto (laatstgenoemd spel zijnde een spel waarbij deelnemers door het invullen en/of opgeven van één of meer lottogetallen en/of verzending van een deelnamelijst en/of deelnameformulier en/of het inleggen van enig geldbedrag - na trekking van de winnende lottogetallen van De (legale) Lotto - kans maken op een prijs van enig geldbedrag), mede te dingen naar prijzen, waarbij de aanwijzing der winnaar geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor telkens geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 1.000,-.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Doel van de Wet op de kansspelen

Het is verboden om zonder vergunning een lotto te organiseren. Doel hiervan is niet slechts het voorkomen van gokverslaving, maar ook het beschermen van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit. Een vergunningstelsel maakt het mogelijk om (voorafgaand) toezicht te houden op de aanbieders van kansspelen. De organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, heeft zich aan dat toezicht onttrokken. Dat de organisatie vanwege het éénvergunningstelsel tot voor kort nooit in aanmerking zou komen voor een vergunning -die was immers al vergeven aan De Lotto- maakt dat niet anders. Dit rechtvaardigt nog niet het eigenmachtig opzetten van een lotto.

De verdediging heeft betoogd dat in deze zaak geen sprake is geweest van oplichting of misleiding van de consument, dat de trekkingen eerlijk en feitelijk onder notarieel toezicht verliepen, dat ongeveer 88% van de inleg als prijzengeld werd uitgekeerd, dat de organisatoren zich na aftrek van kosten niet bovenmatig hebben verrijkt ten koste van de consument, dat gewonnen prijzen ook daadwerkelijk werden uitbetaald, en dat er op geen enkele manier sprake is geweest van (bedreiging met) geweld. De rechtbank houdt hiermee rekening bij het bepalen van de strafmaat, maar dit kan niet leiden tot straffeloosheid. Feit blijft immers dat de organisatie zich heeft ontrokken aan het (voorafgaand) toezicht van de overheid.

Geen gewijzigd inzicht wetgever omtrent strafwaardigheid

De verdediging heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de “Beleidsvisie kansspelen” d.d. 19 maart 2011 van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, dat in deze tijd anders wordt gedacht over illegaal gokken dan bij de totstandkoming van de Wet op de kansspelen. De staatssecretaris is op dit moment voornemens het Nederlandse gokbeleid te versoepelen. Dit zou, zo begrijpt de rechtbank de verdediging, een matigende rol moeten spelen bij het bepalen van de strafmaat.

De staatssecretaris stelt inderdaad dat hij van mening is dat consumenten desgewenst moeten kunnen beschikken over een passend en attractief aanbod van kansspelen. Ook schrijft de staatsecretaris dat hij de mogelijkheden wil onderzoeken om meer marktwerking in te voeren en daar waar dat mogelijk is het éénvergunningstelsel te verlaten. Nog daargelaten of en op welke wijze dit voornemen van de staatssecretaris wordt omgezet in wetgeving dan wel beleid, kan een en ander geen invloed hebben op de strafmaat in deze zaak. Anders dan de verdediging lijkt te suggereren, is het uitgangspunt van de staatssecretaris dat hij de nagestreefde doelstellingen zoveel mogelijk wil bereiken door strikte regels te stellen (in wet en vergunningen) en goed toezicht op de naleving van die regels te houden. Ook in een stelsel zoals de staatsecretaris dat beoogt zal sprake zijn van een vergunningenstelsel met als doel het voorkomen van gokverslaving, het beschermen van de consument en het tegengaan van criminaliteit en illegaliteit. Ook in een dergelijk stelsel zal, om dezelfde redenen als dat nu het geval is, het organiseren van een lotto zonder vergunning strafbaar zijn. Uit de beleidsvisie van de staatsecretaris kan dan ook niet worden afgeleid dat er op het punt van de strafwaardigheid van het organiseren van een lotto zonder vergunning sprake is van een gewijzigd inzicht.

De rol van verdachte

Verdachte heeft ondersteunende werkzaamheden verricht ten behoeve van een illegale lotto (feit 2). De rechtbank overweegt dat in de bewezenverklaring van dit feit in wezen de deelname aan een criminele organisatie ligt besloten. De officier van justitie heeft er echter voor gekozen de deelname aan een criminele organisatie ook nog apart ten laste te leggen. Hoewel dit feit bewezen kan worden, werkt dit in de gegeven omstandigheden niet strafverhogend. De straf die de rechtbank oplegt is gelijk aan de straf die zou zijn opgelegd indien verdachte alleen voor het organiseren van de illegale lotto zou zijn vervolgd.

De werkzaamheden van verdachte ten behoeve van de lotto bestonden uit het verzamelen van deelnemersformulieren en de bijbehorende inleg, en het overhandigen hiervan aan de koeriers van de organisatie. Zijn werkzaamheden waren hiermee beperkt van aard en omvang. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat. Dat neemt niet weg dat werkzaamheden zoals die door verdachte zijn verricht van belang waren voor het goed functioneren van de lotto. Zonder tussenpersonen is een lotto op deze schaal immers niet goed denkbaar. Verdachte heeft ook een financiële vergoeding ontvangen voor zijn werkzaamheden. De rechtbank acht daarnaast aannemelijk dat verdachte ook op andere wijze voordeel heeft behaald uit zijn rol als tussenpersoon. Het aanbieden van de mogelijkheid om mee te doen met de illegale lotto kan immers worden aangemerkt als een vorm van klantenbinding.

De op te leggen straf

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een geldboete van € 1.000,- passend en geboden, bij niet betaling te vervangen door tien dagen hechtenis.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 57, 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1 van de Wet op de Economische delicten en 31 van de Wet op de kansspelen zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,-;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. L.M.G. de Weerd, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 mei 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature