Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

1) Weigering ziekengeld is terecht. Geschikt voor eigen werk. Richtlijn MAOC. Moeilijk objectiveerbare aandoeningen. De surmenageklachten zijn aannemelijk. Geen sprake van ongeschiktheid als gevolg van ziekte gelet op alle activiteiten die appellant (dagelijks) onderneemt en verricht. Juiste toepassing art. 8:72 Awb. 2) Toekenning WGA-uitkering. Voor de vaststelling van de maatman is terecht uitgegaan van de langdurige werkloze met als inkomen het wettelijk minimumloon. Geen strijd met art. 9 IAO-verdrag. Geen sprake van beroepsziekte.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



09/2838 ZW en 10/1607 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Assen van 16 april 2009, 07/1002 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 4 februari 2010, 08/953 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Wind, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond te Utrecht hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 2.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Bij uitspraak van 27 juni 2007, 05/3900 ZW (LJN BA8613), heeft de Raad het besluit op bezwaar van 25 mei 2004 vernietigd op de grond dat bij dat besluit door het Uwv voor het eerst over de arbeids(on)geschiktheid van appellant in de zin van de Ziektewet (ZW) is beslist. Naar het oordeel van de Raad was voormeld besluit, waarbij appellant met ingang van 4 december 2003 arbeidsgeschikt werd geacht, in zoverre een primair besluit waartegen eerst bezwaar had moeten worden gemaakt alvorens beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, heeft de Raad het beroepschrift onder toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar het Uwv ter behandeling als bezwaarschrift.

1.2. In de uitspraak van 27 juni 2007 heeft de Raad, in een overweging ten overvloede ter voorlichting van het Uwv, aangegeven dat hij uit de gedingstukken de indruk heeft gekregen dat de verzekeringsartsen die appellant hebben onderzocht, de surmenageklachten van appellant niet in aanmerking hebben willen nemen, omdat deze klachten naar hun mening niet duidelijk objectiveerbaar zijn. Volgens de Raad lijkt daarmee te zijn voorbijgegaan aan de Richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (hierna: Richtlijn) die, naar de Raad reeds vaker heeft overwogen, ook in het kader van de ZW van toepassing is. Bovendien heeft de Raad nog gewezen op zijn uitspraak van 27 november 1996, LJN ZB6561, RSV 1997/68, waarin is overwogen dat surmenageklachten die zijn ontstaan door een arbeidsconflict aanleiding kunnen zijn om arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW aan te nemen.

1.3. Naar aanleiding van meergenoemde uitspraak van de Raad heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 12 oktober 2007 en in navolging van het daartoe op 15 augustus 2007 gegeven advies van de bezwaarverzekeringsarts, J. Miedema, zijn besluit van 25 mei 2004 gehandhaafd waarbij appellant met ingang van 4 december 2003 een uitkering ingevolge de ZW is geweigerd, omdat appellant per die datum geschikt wordt geacht om zijn eigen werkzaamheden van docent MBO te verrichten.

1.4. Op 2 maart 2006 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wegens psychische klachten en daarmee verband houdende lichamelijke klachten ziek gemeld. Appellant heeft op 8 november 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In dat verband heeft de verzekeringsarts, J.E. Schrader-Reinking, op 8 februari 2008 een rapportage uitgebracht met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant. Op basis van eigen onderzoek en inlichtingen van de behandelende psychologe, drs. M.G. Visser, van 1 februari 2008 heeft de verzekeringsarts bij appellant verschillende beperkingen vastgesteld die zijn neergelegd in de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) van eveneens 8 februari 2008. Appellant is vervolgens door de arbeidsdeskundige A. Vos gezien. Blijkens de rapportage van 27 februari 2008 heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat voor appellant maatgevend is het wettelijk minimumloon, omdat hij ten tijde van zijn ziekmelding de vervolguitkering van de WW genoot. Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat, gelet op appellants krachten, bekwaamheden, opleiding en arbeidservaring, onvoldoende voorbeeldfuncties zijn te duiden waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden gesteld op 80 tot 100%.

1.5. Bij besluit van 29 februari 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 28 februari 2008 op grond van de Wet WIA een loongerelateerde uitkering werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) toegekend op basis van een dagloon van € 83,72. Bij besluit van 5 mei 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 28 mei 2008 en appellant vanaf die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij het standpunt ingenomen dat hij recht heeft op de zogeheten verkorte wachttijd zoals bedoeld in artikel 43a Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bovendien acht appellant de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering in strijd met het Verdrag 121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (hierna: IAO-verdrag nr. 121) in het bijzonder met artikel 9 van dat verdrag. Bij afzonderlijke besluiten van 13 oktober 2008 heeft het Uwv de respectievelijke bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

3. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 13 oktober 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 43a, eerste lid, van de WAO gestelde voorwaarden aangezien hem destijds per einde wachttijd op 21 februari 2003 een uitkering ingevolge de WAO is geweigerd wegens arbeidsgeschiktheid voor zijn eigen werk van docent. Voorts was de rechtbank van oordeel dat in het geval van appellant geen sprake is van klachten voortkomend uit een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor de door appellant ingeroepen verdragsbepalingen geen toepassing kunnen vinden. Aan de stelling van appellant dat de referte-eisen van de Wet WIA en de WGA-uitkering in strijd zouden zijn met de Europese code inzake sociale zekerheid is de rechtbank voorbijgegaan aangezien appellant die stelling niet heeft geconcretiseerd noch op enigerlei wijze heeft onderbouwd.

4. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad als volgt.

09/2838 ZW

4.1. In vervolg op 's Raads uitspraak van 27 juni 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Miedema dossieronderzoek verricht. Daarbij heeft deze arts de beschikking gehad over informatie van de behandelende sector. Bij brief van 26 juli 2007 heeft appellant laten weten geen prijs te stellen op het bijwonen van de hoorzitting van 1 augustus 2007, omdat er volgens hem in ruime mate gegevens inzake zijn gezondheidstoestand aanwezig zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapportage van 15 augustus 2007 vastgesteld dat appellant de diverse, invoelbare gezondheidsklachten heeft en dat deze klachten voortkomen uit een in 2001 ontstaan arbeidsconflict met de toenmalige werkgever van appellant, de onbevredigende zaken ten aanzien van de beëindiging van het dienstverband alsmede de onbevredigende zaken ten aanzien van de daaropvolgende uitkeringssituatie van appellant.

Volgens de bezwaarverzekeringsarts ontstaan in de grond van de zaak de klachten (en worden die onderhouden, dan wel verergerd) door de situatie in het werk. Dit enkele feit op zich is niet voldoende om te komen tot ongeschiktheid voor zijn werk. De bezwaarverzekeringsarts is nagegaan of tijdens of na die periode een dusdanig consistent geheel van stoornissen heeft bestaan op grond waarvan er wel arbeidsongeschiktheid aan de orde is. De bezwaarverzekeringsarts heeft op goede gronden geconcludeerd dat hiervan geen sprake is. De bezwaarverzekeringsarts Miedema heeft geconcludeerd dat appellant surmenageklachten heeft, maar dat deze niet tot gevolg hebben dat appellant in de periode hier in geding arbeidsongeschikt zou zijn geweest en dat er dus geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel zoals ten grondslag is gelegd aan het besluit van 25 mei 2004.

4.2. Op grond van het voorgaande is de Raad - evenals de rechtbank - van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv bij de voorbereiding van het bestreden besluit van 12 oktober 2007 onzorgvuldig heeft gehandeld. Ook de Raad leest in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Miedema dat deze arts bij de herbeoordeling in bezwaar zowel de Richtlijn als ook 's Raads toepasselijke jurisprudentie in acht heeft genomen. Conform de tekst van paragraaf 4.6 “Problematiek rond ‘moeilijk objectiveerbare’ aandoeningen” van de Richtlijn heeft Miedema eerst vastgesteld dat de surmenageklachten van appellant aannemelijk zijn te achten en heeft hij vervolgens onderzocht in hoeverre met die klachten ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. Zoals reeds in 4.1 is aangegeven achtte Miedema van ongeschiktheid als gevolg van ziekte geen sprake gelet op alle activiteiten die appellant (dagelijks) onderneemt en verricht. Het hoger beroep van appellant kan dan in zoverre niet slagen.

4.3. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 een vreemde juridische situatie heeft laten ontstaan door het bestreden besluit van 12 oktober 2007 te vernietigen en de rechtsgevolgen ervan in stand te laten, overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 8:72, eerste lid, van de Awb dient de rechtbank indien zij het beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Ingevolge het derde lid van artikel 8:72 van de Awb kan de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Blijkens de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv er veel te lang over heeft gedaan om het bestreden besluit van 12 oktober 2007 te nemen, waardoor het Uwv heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Vanwege deze strijd met artikel 6 van het EVRM heeft de rechtbank het bestreden besluit van 12 oktober 2007 vernietigd. Aangezien de rechtbank van oordeel was dat het bestreden besluit van 12 oktober 2007 inhoudelijk de rechterlijke toets kan doorstaan, heeft zij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 12 oktober 2007 in stand gelaten. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank daarmee een juiste toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb .

10/1607 WIA

4.4. Met betrekking tot de in hoger beroep door appellant herhaalde stelling dat artikel 43a van de WAO op hem van toepassing is, overweegt de Raad - evenals de rechtbank dat heeft gedaan - dat die stelling geen doel kan treffen, omdat appellant per einde wachttijd op 4 december 2003 door het Uwv niet ongeschikt is geacht voor zijn arbeid. Dat appellant de mening is toegedaan dat hij vanaf februari 2003 volledig arbeidsongeschikt was, maakt dat niet anders.

4.5. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon ten onrechte niet is uitgegaan van het loon dat hij verdiende als docent MBO aan het [naam school], overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat appellant op de datum van zijn uitval wegens ziekte per 2 maart 2006 een WW-vervolguitkering ontving. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, zie onder andere de uitspraak van de Raad van 30 september 2009, LJN BJ9758, is de Raad van oordeel dat gelet op deze omstandigheden het gerechtvaardigd wordt geacht dat voor de vaststelling van de maatman niet meer als uitgangpunt wordt genomen de laatstelijk verrichte arbeid, maar de langdurige werkloze met als inkomen het wettelijk minimumloon.

4.6. Met de rechtbank kan de Raad tot slot de visie van appellant niet onderschrijven dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met - met name - artikel 9 van het IAO-verdrag nr. 121. Daargelaten of deze bepaling kan worden beschouwd als eenieder verbindende bepaling in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet , is de Raad van oordeel dat de met ingang van 2 maart 2006 geaccepteerde arbeidsongeschiktheid van appellant niet voortkomt uit een beroepsziekte of een arbeidsongeval. In zijn brief van 14 juni 2010 heeft appellant aangegeven dat zijn ziekte rechtstreeks het gevolg is van de langslepende en ziekmakende procedure met het Uwv. Dat appellant zijn ziekte zelf kwalificeert als een beroepsziekte doet aan het vorenstaande niet af.

5. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, en C.P.J. Goorden en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

NK


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature