Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Opheffing gemeenschap van goederen wegens weigering man inlichtingen te verschaffen

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.074.071

(zaaknummer rechtbank 283307 / FA RK 10-1310)

beschikking van de familiekamer van 19 april 2011

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. L.H. van der Schaaf te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 september 2010, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat er sprake is van de in artikel 1:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde gronden en de gemeenschap van goederen tussen partijen op te heffen, met handhaving van de ter zitting bij de rechtbank Utrecht op 29 maart 2010 gemaakte afspraak tussen partijen dat de vaststelling van de verplichting van de man tot vergoeding van de aangerichte schade aan de gemeenschap gelijktijdig zal worden behandeld met het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 november 2010, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat verzoek af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 26 januari 2011 een brief van mr. Spaargaren van 25 januari 2011 met bijlagen;

- op 28 januari 2011 een brief van mr. Van der Schaaf van 27 januari 2011 met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 8 februari 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten.

2.5 Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, binnengekomen:

- op 15 februari 2011 een brief van mr. Van der Schaaf van 14 februari 2011 met bijlagen;

- op 15 februari 2011 een faxbericht van mr. Spaargaren van diezelfde datum;

- op 18 februari 2011 een faxbericht van mr. Spaargaren van diezelfde datum met bijlagen;

- op 4 april 2011 een faxbericht van mr. Spaargaren van diezelfde datum met een bijlage;

- op 6 april 2011 een faxbericht van mr. Spaargaren van diezelfde datum met bijlagen;

- op 6 april 2011 een faxbericht van mr. Spaargaren van diezelfde datum met een bijlage.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 5 juni 2002 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, die beiden minderjarig zijn en bij de vrouw woonachtig zijn. Partijen wonen sinds 24 december 2009 gescheiden.

3.2 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 november 2009 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam Stork Wescar Aruba N.V. (verder te noemen “Stork”) verlof verleend voor het leggen van beslag onder APX B.V. ten laste van [de man] met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 3.6 van die beschikking, onder vaststelling van het bedrag waarvoor verlof wordt verleend, met inbegrip van rente en kosten waarin [de man] kan worden veroordeeld, op 628.650,- Antilliaanse guldens.

3.3 Bij verzoekschrift van 9 februari 2010 heeft de vrouw de rechtbank Utrecht verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeenschap van goederen op te heffen onder vaststelling van de verplichting van de man tot vergoeding van de aangerichte schade aan de gemeenschap en de man te veroordelen in de kosten van het geding. Dit verzoek van de vrouw is op verzoek van haar advocaat op 15 februari 2010 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister ter griffie van de rechtbank te ’s-Gravenhage en openlijk bekend gemaakt.

3.4 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank zijn partijen het erover eens geworden dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de verplichting van de man tot vergoeding van de aangerichte schade aan de gemeenschap gelijktijdig zal worden behandeld met het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

3.5 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot opheffing van de gemeenschap van goederen van partijen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Op grond van artikel 1:109 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een echtgenoot opheffing van de gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen der gemeenschap verspilt, handelingen verricht, die kennelijk indruisen tegen het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde bestuur.

4.2 Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is

gebleken dat de man met zijn voormalige werkgever Stork op dit moment verwikkeld is in twee gerechtelijke procedures, te weten een door de man geëntameerde loonprocedure en een door Stork gestarte procedure, betreffende een vordering van Stork op basis van een vermeende door de man gepleegde verduistering van geld. De vrouw heeft gesteld dat de man haar onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over de achtergronden en het verloop van genoemde procedures en dat zij wordt geconfronteerd met diverse schuldeisers. De man heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij de vrouw steeds van een en ander op de hoogte heeft gehouden, maar dat hij voorzichtiger is geworden en geen processtukken meer met de vrouw heeft gedeeld omdat de vrouw buiten zijn medeweten bij de advocaat van Stork informatie probeerde te verkrijgen omtrent genoemde procedures.

4.3 Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen aan de vrouw volledig openheid van zaken te geven omdat eventuele privé-schulden van de man die voortvloeien uit een van voormelde procedures op de gemeenschap van goederen van partijen kunnen worden verhaald. De man heeft deze volledige openheid niet verschaft. Hiermee staat vast dat de man heeft nagelaten de vrouw van voldoende informatie te voorzien over de stand van de op de goederen van de gemeenschap verhaalbare schulden. De vrouw heeft, gelet op het voorgaande, voldoende gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van een van de in artikel 1:109 BW genoemde gronden die opheffing van de gemeenschap van goederen rechtvaardigen. Het verzoek van de vrouw dient daarom te worden toegewezen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de opheffing 31 maart 2010 zal zijn, nu uit de na de mondelinge behandeling bij dit hof ingekomen correspondentie blijkt dat op die datum correcte publicatie in een dagblad (als bedoeld in artikel 1:110 lid 1 BW) heeft plaatsgevonden.

4.4 Het hof zal de proceskosten compenseren, gelet op het feit dat partijen elkaars echtgenoten zijn.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2010;

en opnieuw beschikkende in hoger beroep:

heft op de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen met ingang van 31 maart 2010;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 19 april 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature