Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van het handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, en het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601088-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Utrecht – HvB Nieuwegein,

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 7 februari 2011 en 4 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 oktober 2010, opzettelijk heroïne en/of cocaïne en/of methadon en/of amfetamine heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;

Feit 2: op 31 oktober 2010 hoeveelheden heroïne en/of cocaïne en/of methadon en/of amfetamine opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat betreffende de methadon en amfetamine slechts het aanwezig hebben bewezen kan worden verklaard en niet de verkoop daarvan.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde -met uitzondering van enkele hierna te noemen onderdelen- wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Op 31 oktober 2010 komt er een melding binnen bij de politie dat een aantal mannen zich verdacht ophoudt bij de Gamma te Utrecht. Ter plaatse zien een verbalisant en een getuige dat verdachte iets weggooit, wat later een portemonnee met daarin bolletjes cocaïne blijkt te zijn. Vervolgens houdt de politie verdachte aan op verdenking van de handel in en het bezit van verdovende middelen.

Medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]) heeft bij de politie verklaard dat hij gedurende enkele maanden, in de periode vanaf april 2010 tot en met juni 2010, in verdovende middelen heeft gehandeld voor [verdachte]. (De rechtbank heeft uit het onderzoek ter terechtzitting geconcludeerd dat met [verdachte] verdachte wordt bedoeld.) [medeverdachte] hield bij wat hij verkocht en aan wie hij verkocht door dit op te schrijven. Tevens schreef hij brieven, gericht aan [verdachte], waarin hij onder meer vraagt om nieuwe pakketten. Deze administratie en brieven zijn aangetroffen bij de doorzoeking van het huis van verdachte.

Tijdens de doorzoeking van het huis van verdachte op 31 oktober 2010 zijn, naast de administratie, een forse hoeveelheid verdovende middelen, weegschaaltjes, glasplaten, een pillenmaler en een vergruizer aangetroffen. De aangetroffen verdovende middelen bleken na onderzoek te bestaan uit heroïne, cocaïne, methadon en amfetamine. De verklaring van verdachte dat hij deze drugs gestolen heeft van een ander, acht de rechtbank niet aannemelijk. De aangetroffen hoeveelheid drugs, de aangetroffen goederen en de aangetroffen administratie duiden naar het oordeel van de rechtbank op handel.

Reeds op 7 oktober 2010 is verdachte door verbalisanten in het bijzijn van [A] (bekend bij de wijkagenten vanwege gezondheidsproblemen en vermoedelijk gebruikster van harddrugs) waargenomen. [A] vertelde aan verbalisanten dat zij zojuist van verdachte cocaïne had gekocht. [A] toonde het telefoonnummer van verdachte in haar telefoon, welke opgeslagen was onder de naam “[verdachte] nieuw”.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft geen aanwijzingen aangetroffen in het dossier dat verdachte opzettelijk methadon en amfetamine heeft verkocht, afgeleverd of verstrekt. Derhalve zal de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen.

- de bekennende verklaring van verdachte ;

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende de aanhouding van verdachte ;

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] ;

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende een onderzoek naar de aangetroffen verdovende middelen ;

- het rapport van het NFI, betreffende een onderzoek naar de aangetroffen verdovende middelen .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 oktober 2010 te Utrecht,

telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt,

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 31 oktober 2010 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad

-ongeveer 127 ,48 gram van een materiaal bevattende cocaïne en

-ongeveer 174,32 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en

-een hoeveelheid van een materiaalbevattende methadon en

-een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en heroïne en methadon en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1: Handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2: Handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 16 maanden redelijk zou zijn.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan handel in harddrugs en het opzettelijk aanwezig hebben daarvan. Dit zijn ernstige feiten, die een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Verdachte heeft de gezondheid van iedere afnemer van de verdovende middelen ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij een leidende rol heeft gespeeld in de handel in verdovende middelen en geen enkel inzicht toont in de ernst van de feiten. In beginsel is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook een passende straf.

De rechtbank heeft in het kader van de persoon van de verdachte het volgende meegewogen:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor het handelen in strijd met de Opiumwet in 2003;

- een verdachte betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 18 maart 2011.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen briefgeld van

€ 2.925,- vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en dit geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen.

7.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van het in beslag genomen muntgeld van €70,06, aangezien niet vast is komen staan dat verdachte dit geldbedrag door middel van de strafbare feiten heeft verkregen en derhalve niet vatbaar is voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet .

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: Handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2: Handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten het muntgeld ten bedrage van € 70,06;

- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten het briefgeld ten bedrage van € 2.925,-;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 mei 2011.

Mr. Aksu is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature