Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Een uitspraak van de geheimhoudingskamer in een KB-Lux zaak. De eerste vraag gaat over de weigering van de inspecteur om de integrale en ongeschoonde versie van het zgn. Draaiboek over te leggen. Het Hof oordeelt dat de redenen van de inspecteur voor geheimhouding aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisname. De eerste vraag wordt dus conform het standpunt van de inspecteur beantwoord. De tweede vraag betreft de weigering van de inspecteur om de ongeschoonde fiche te overleggen. Het beroep van de inspecteur op zijn geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR verwerpt het Hof. Een beroep op de WOB kan de inspecteur evenmin baten. Maar het publiek worden van de namen op het fiche is voor belanghebbendes procedure in het geheel niet van belang, zodat ook de tweede vraag conform het standpunt van de inspecteur wordt beantwoord. De derde vraag heeft betrekking op een brief met 19 bijlagen van de Belgisch belastingdienst. De betreffende brief is tijdens de mondelinge behandeling van de zaak in ongeschoonde versie overgelegd aan de geheimhoudingskamer. Met betrekking tot deze brief en de bijlagen krijgt de inspecteur maar gedeeltelijk gelijk en het Hof geeft in de uitspraak exact aan wat wel en wat niet overgelegd moet worden. Bij de uitspraak wordt een geschoond pv (voor belanghebbende en de meervoudige kamer die de hoofdzaak verder behandelt) en een ongeschoond pv( voor de inspecteur) gevoegd.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige belastingkamer

Optredende, en hierna aangeduid, als 'geheimhoudingskamer'

Kenmerk: 04/02823-GHK

Uitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het beroep van

de heer X te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Oost-Brabant,

hierna (evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Oost-Brabant, van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is): de Inspecteur,

op de bezwaarschriften betreffende na te noemen navorderingsaanslagen, kwijtscheldingsbesluiten, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

1. Procesverloop

1.1. Het beroep van belanghebbende is gericht tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 24 december 2004 op de bezwaarschriften betreffende de aan belanghebbende opgelegde

- navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen:

Jaar Aanslagnummer Dagtekening

1991 000.00.000.H.18 30 december 2003

1992 000.00.000.H.28 30 april 2004

1993 000.00.000.H.38 30 april 2004

1994 000.00.000.H.48 30 april 2004

1995 000.00.000.H.57 30 april 2004

1996 000.00.000.H.67 10 juni 2004

1997 000.00.000.H.77 10 juni 2004

1998 000.00.000.H.87 10 juni 2004

1999 000.00.000.H.97 10 juni 2004

2000 000.00.000.H.07 10 juni 2004

- navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting:

Jaar Aanslagnummer Dagtekening

1992 000.00.000.K.28 30 december 2003

1993 000.00.000.K.38 30 april 2004

1994 000.00.000.K.48 30 april 2004

1995 000.00.000.K.58 30 april 2004

1996 000.00.000.K.67 30 april 2004

1997 000.00.000.K.77 10 juni 2004

1998 000.00.000.K.87 10 juni 2004

1999 000.00.000.K.97 10 juni 2004

2000 000.00.000.K.07 10 juni 2004

alsmede tegen de uitspraken betreffende de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen respectievelijk de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen vastgestelde boetebeschikkingen, alsmede tegen de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen vastgestelde beschikkingen heffingsrente.

1.2. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.4. De eerste meervoudige Belastingkamer heeft het beroep behandeld ter zitting van 7 januari 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is namens de procespartijen niemand verschenen.

1.5. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat door de in deze zaak als raadsheer-commissaris aangewezen mr. J.G. Verseput.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 14 januari 2010 in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Op 8 februari 2010 zijn voor het verstrekken van inlichtingen voor de raadsheer-commissaris verschenen, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.8. Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 19 februari 2010 in afschrift aan partijen is verzonden.

De raadsheer-commissaris heeft partijen opgedragen bepaalde nader in het proces-verbaal genoemde inlichtingen te verstrekken en bepaalde stukken aan het Hof toe te zenden. Voorts heeft hij partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het behandelde ter zitting, de inhoud van het proces-verbaal van het vertrekken van inlichtingen en verder aan het Hof mede te delen al hetgeen zij dienstig achten.

1.9. Tot de stukken van het geding behoort de door de raadsheer-commissaris met partijen na 8 februari 2010 in het kader van het verstrekken van inlichtingen gevoerde briefwisseling.

1.10. Op 21 september 2010 zijn voor het verstrekken van inlichtingen voor de raadsheer-commissaris verschenen, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.11. Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 22 september 2010 in afschrift aan partijen is verzonden. De raadsheer-commissaris heeft partijen opgedragen bepaalde nader in het proces-verbaal genoemde inlichtingen te verstrekken.

1.12. Tot de stukken van het geding behoort de door de raadsheer-commissaris met partijen na 22 september 2010 in het kader van het verstrekken van inlichtingen gevoerde briefwisseling.

1.13. Bij brieven van 11 juni 2010 heeft de raadsheer-commissaris aan partijen ondertussen bericht dat het dossier in handen wordt gesteld van de geheimhoudingskamer.

1.14. Bij brief van 19 juli 2010 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer aan de Inspecteur verzocht kopieën in te zenden van de integrale versie van het volledige Draaiboek, van alle Nieuwsbrieven, van alle interne memo's ter zake van het KB-Lux rekeningenproject en van de originele afdrukken van de microfiches en daarbij aan te geven ten aanzien van welke stukken of gedeelten van stukken hij zich beroept op geheimhouding of beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Een kopie van de aan de Inspecteur verzonden brief is met gelijke post aan belanghebbende verzonden.

1.15. Bij brief van 26 augustus 2010 heeft de Inspecteur aan de geheimhoudingskamer de volgende stukken toegezonden:

Bijlage 1: Kopie Draaiboek en Nieuwsbrieven integraal

(rood voorloopblad)

Dit stuk betreft de integrale/ongeschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven.

Bij zijn pleitnota van 21 januari 2010 in de hoofdzaak heeft de Inspecteur aan het Hof en aan belanghebbende een kopie toegezonden van de geschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven.

Dit stuk betreft de integrale/geschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven waarbij de passages, waarvoor het beroep op gewichtige redenen bij de tussenuitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 april 2006, nummer 04/04923, LJN: AW2127 is gehonoreerd, grijs zijn gemarkeerd. Dit stuk is een kopie van de versie van het Draaiboek welke door de geheimhoudingskamer van het Gerechtshof Amsterdam ten behoeve van de inspecteur in de hoofdzaak bij dat Hof is verstrekt (hierna: de Amsterdamse versie). In deze versie van het Draaiboek heeft de Inspecteur vervolgens aangegeven welke passages of regels nadien nog zijn vrijgegeven op grond van de tussenuitspraak van de Rechtbank Breda van 3 januari 2007, nummer 05/2586, LJN: AZ5534 (hierna: de verbeterde Amsterdamse versie). Op grond van deze tussenuitspraak zijn ook alle namen in de Nieuwsbrieven via een NN-aanduiding kenbaar. De Inspecteur heeft de genummerde namen niet gemarkeerd, omdat naar zijn mening ook zonder deze markering duidelijk is dat alle namen zijn weggelaten en vervangen door een NN-aanduiding. De passages waarvoor de Inspecteur zich beroept op geheimhouding c.q. beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb zijn de passages waarvoor het beroep op geheimhouding zowel door het Gerechtshof Amsterdam als de Rechtbank Breda zijn gehonoreerd (grijs gemarkeerd).

Het Gerechtshof Arnhem heeft in zijn tussenuitspraak van 16 maart 2010, nummer 04/01262, LJN: BL9025, nog een aantal bijlagen vrijgegeven. Deze ongeschoonde stukken wenst de Inspecteur alsnog in kopie over te leggen (zie bijlage 3) en worden door hem aangeduid als "errata Arnhem".

In de pleitnota van 21 januari 2010 heeft de Inspecteur aangegeven waarom hij van mening is dat bepaalde passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven niet aan belanghebbende hoeven te worden verstrekt. Voor de motivering van zijn beroep op gewichtige redenen verwijst hij in zijn brief van

26 augustus 2010 naar genoemde pleitnota.

Bijlage 2: Microfiches: ongeschoonde kopieën van vier

pagina's

Op deze ongeschoonde kopieën van een afdruk van het microfiche staan ook gegevens van derden.

De Inspecteur meent dat uitsluitend die pagina's die op een individuele belastingplichtige betrekking hebben en die zijn geschoond van de gegevens van derden, in het dossier van die belastingplichtige behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (in casu de geschoonde pagina's 3972, 5363, 5655 en 5874). Deze vier geschoonde pagina's zijn door de Inspecteur reeds in kopie overgelegd bij zijn verweerschrift en aan belanghebbende in kopie toegezonden.

Bijlage 3: Errata Arnhem

Deze betreffen de door het Gerechtshof Arnhem in zijn tussenuitspraak van 16 maart 2010, nummer 04/01262, LJN: BL9025, vrijgegeven bijlagen die door de Inspecteur worden aangeduid als "errata Arnhem" en die alsnog in kopie aan belanghebbende worden verstrekt.

Bijlage 4: Brief van het Ministerie van Financiën/

Directoraat Generaal Belastingdienst d.d.

20 maart 2009:

In deze brief wordt bevestigd dat de toepassing van artikel 8:29 van de Awb in de zaken van het rekeningenproject (KB Lux) steeds in overleg met het team particulieren en formeel recht van Directoraat Generaal Belastingdienst heeft plaatsgevonden.

1.16. Bij brief van 10 september 2010 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer aan belanghebbende een kopie verzonden van de brief van de Inspecteur van 26 augustus 2010 en van de daarin genoemde bijlagen 3 en 4 en hem medegedeeld dat de in de brief van de Inspecteur genoemde bijlagen 1 en 2 uitsluitend zijn bedoeld voor de geheimhoudingskamer. De griffier heeft vervolgens namens de geheimhoudingskamer aan belanghebbende verzocht op de inhoud van deze stukken schriftelijk te reageren.

1.17. Bij brief van 30 september 2010 reageert belanghebbende op de hem toegezonden stukken van de Inspecteur. Hij vraagt daarin ondermeer om toezending van een ongeschoonde kopie van bijlage A2 (D/09). Dit document, waarop de coderekening en de naam van belanghebbende staan vermeld, is eveneens ontvangen van de Belgische autoriteiten en wel bij brief van 21 februari 2003. Ook voor dit document geldt, aldus belanghebbende, dat een ongeschoonde kopie aan de geheimhoudingskamer dient te worden verstrekt. Dit geldt volgens hem voor de gehele set die door de Belgische autoriteiten is toegestuurd op 21 februari 2003 en waarvan de bijlage A2 (D/09) deel uitmaakt.

Belanghebbende verwijst in zijn brief van 30 september 2010 tenslotte naar de "NOTA artikel 8:29 Awb betreffende het Draaiboek en de Nieuwsbrieven Rekeningenproject " behorende bij zijn op voorhand ingezonden pleitnota van 4 februari 2010 voor het verstrekken van inlichtingen voor de raadsheer-commissaris op 8 februari 2010.

1.18. Bij brief van 22 oktober 2010 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer aan de Inspecteur een kopie verzonden van de brief van belanghebbende van 30 september 2010 en hem verzocht op de inhoud van deze brief schriftelijk te reageren.

1.19. Bij brief van 9 november 2010 reageert de Inspecteur op de hem toegezonden brief van belanghebbende. Hij komt daarbij tot de conclusie dat hetgeen belanghebbende thans aan stukken vraagt, géén op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De Inspecteur beschikt niet over deze stukken en heeft er ook nooit over beschikt of er over kunnen beschikken. De inbrengverplichting van stukken gaat, aldus de Inspecteur, niet zover dat ook stukken die hem nimmer ter beschikking hebben gestaan en waar hij uit hoofde van de aanslagregeling van belanghebbende ook nimmer de beschikking over had of kon krijgen, zouden moeten worden ingebracht.

1.20. Bij brief van 22 november 2010 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer aan belanghebbende een kopie verzonden van de brief van de Inspecteur van 9 november 2010 en hem verzocht op de inhoud van deze brief schriftelijk te reageren.

1.21. Bij brief van 20 december 2010 reageert belanghebbende op de hem toegezonden brief van de Inspecteur. In zijn reactie blijft belanghebbende van mening dat ook de achterliggende documentatie bij de onder punt 1.17 bedoelde brief van 21 februari 2003 al dan niet geanonimiseerd door de Inspecteur moet worden verstrekt.

1.22. Een kopie van de brief van belanghebbende van

20 december 2010 is op 14 januari 2011 ter kennisneming aan de Inspecteur verzonden.

1.23. Bij brief van 15 maart 2011 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer de Inspecteur uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek ter zitting van de geheimhoudingskamer.

1.24. Bij brief van 15 maart 2011 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer belanghebbende eveneens uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek ter zitting van de geheimhoudingskamer en belanghebbende daarbij een kopie verzonden van de hiervoor onder 1.23 genoemde brief aan de Inspecteur.

1.25. Het onderzoek door de geheimhoudingskamer ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.26. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.27 Van de zitting zijn twee processen-verbaal opgemaakt, één ongeschoond proces-verbaal ten behoeve van de Inspecteur en één geschoond proces-verbaal ten behoeve van belanghebbende en de Inspecteur. Aan belanghebbende is het geschoonde proces-verbaal gezonden en aan de Inspecteur zowel het geschoonde als het ongeschoonde proces-verbaal.

2. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is sprake van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de integrale /ongeschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven over te leggen?

2. Is sprake van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de ongeschoonde kopie ën van het microfiche over te leggen?

3. Is sprake van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de ongeschoonde kopie ën van de brief van de Belgische belastingdienst van 21 februari 2003 en de daarbij behorende negentien bijlagen over te leggen?

3. Beoordeling van het geschil

Vooraf

3.1. De geheimhoudingskamer heeft kennis genomen van het gehele procesdossier, het proces-verbaal van de zitting van

7 januari 2010, de processen-verbaal van het verstrekken van inlichtingen ter zitting van respectievelijk 8 februari 2010 en 21 september 2010, de nadien door de raadsheer-commissaris en door de geheimhoudingskamer met partijen gevoerde briefwisseling en de daarbij overgelegde stukken.

3.2. Artikel 8:29, eerste lid, van de Awb bepaalt:

"Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.".

3.3. De omstandigheid dat stukken behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet mee dat die stukken reeds daarom volledig, dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt, aan belanghebbende ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt juist de mogelijkheid delen van een op de zaak betrekking hebbend stuk voor belanghebbende geheim te houden of te anonimiseren indien daartoe gewichtige redenen bestaan.

3.4. De omstandigheid dat in dezen mede sprake is van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) - aan belanghebbende zijn immers belastingaanslagen met verhogingen en boetes opgelegd - leidt niet tot een ander oordeel. Het recht op kennisneming van de stukken dat besloten ligt in het in voormeld artikellid verwoorde recht op een eerlijke behandeling, is immers geen absoluut recht. In zijn arrest van 16 februari 2000, nr. 28901/95, BNB 2000/259, overwoog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM):

"(...) the entitlement to disclosure (...) is not an absolute right (...) there may be competing interests (...) which must be weighed against the right of the accused (...). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest."

3.5. Zo dit al niet voorvloeit uit de artikelen 8:42 en 8:29 van de Awb , brengt echter in ieder geval het van toepassing zijn van artikel 6 EVRM mee dat bij het geheimhouden voor belanghebbende van delen van op de zaak betrekking hebbende stukken de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht. Beslissend bij de vraag of de Inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of onleesbaar gemaakte delen van op de zaak betrekking hebbende stukken en/of bekendmaking van de identiteit van personen voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.6. Geheimhouding van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van gewichtige redenen is niet in strijd met het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende recht op een eerlijk proces, omdat een eerlijke berechting door de regeling in artikel 8:29 van de Awb voldoende is gewaarborgd. Zo al sprake is van een inbreuk op een door belanghebbende aan het EVRM te ontlenen recht door de geheimhouding, is die inbreuk dan ook gerechtvaardigd.

3.7. De geheimhoudingskamer wijst er in dit verband voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de rechter toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd (vgl. het hiervoor aangehaalde arrest van het EHRM, paragraaf 61:

"(...) any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities").

Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.8. De onder 3.5, derde volzin, verwoorde belangenafweging moet plaats vinden in de concrete aan de rechter voorgelegde zaak en na kennisneming, door de rechter die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

Ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag

3.9. De Inspecteur heeft in zijn brief van 26 augustus 2010 expliciet gesteld dat de passages waarvoor hij zich beroept op geheimhouding c.q. beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb de passages zijn in het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, waarvoor het beroep op geheimhouding zowel door het Gerechtshof Amsterdam (de tussenuitspraak van 19 april 2006, nr. 04/04923, LJN: AW2127) als de Rechtbank Breda (de tussenuitspraak van 3 januari 2007, AWB 05/2586, LJN: AZ5534) zijn gehonoreerd.

3.10. Tussen partijen is niet in geschil dat het door de Inspecteur bij zijn brief van 26 augustus 2010 aan de geheimhoudingskamer ingezonden Draaiboek en de Nieuwsbrieven, behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb .

3.11. Bij de onder 3.5 bedoelde belangenafweging heeft de geheimhoudingskamer aan de zijde van de Inspecteur de volgende gewichtige redenen onderkend die geheimhouding van bepaalde passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven in dezen rechtvaardigen:

a. het belang bij een effectieve controle en controlestrategie, waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze;

b. het belang van geheimhouding van passages die specifiek op andere vergelijkbare projecten betrekking hebben.

3.12. Met betrekking tot de onder 3.11 gemelde redenen onderschrijft de geheimhoudingskamer hetgeen het Gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 19 april 2006, nummer 04/04923, LJN: AW2127, heeft overwogen onder onderscheidenlijk 3.18.1 en 3.19, hetgeen eveneens is onderschreven door de Rechtbank Breda in zijn uitspraak van 3 januari 2007, nummer 05/2586, LJN: AZ5534, en door het Hof in zijn uitspraak van 25 januari 2010, nummer 04/01501, LJN: BL5468, luidende voor zover hier van belang:

"3.18.1. Passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven aan welke belanghebbende (alsmede iedere belastingplichtige) inzichten kan ontlenen over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt, dan wel - mede in dit verband - haar werkprocessen inricht en logistiek organiseert, worden niet geopenbaard. Deze ten behoeve van het toezicht en de controle(strategie) geheim te houden informatie omvat bijvoorbeeld scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen en klantbehandeling, voorschriften en tips over de toe te passen tactiek en methodiek om aangiften en verklaringen van belastingplichtigen te toetsen, alsmede informatie betreffende dossiervorming en automatiseringssystemen. Deze strategieën en werkwijzen zijn in beginsel ook toepasbaar buiten het KB-Lux project en overstijgen daarmede de omvang van dit project, terwijl voorts voor de hand liggend is te achten dat zij ook daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen. In zoverre acht het Hof aannemelijk dat het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet manifest zou kunnen worden doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de Belastingdienst. Het Hof acht te dezen het algemene publieke belang van een - ook op het terrein van het toezicht en de controle - adequaat functionerende Belastingdienst van een groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende.

Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat evenzeer voor de hand liggend is te achten dat, nu de Belastingdienst ter zake van het Rekeningenproject met andere opsporingsinstanties (heeft) samen(ge)werkt, de in het Draaiboek verwerkte strategieën en werkwijzen mede zijn gebaseerd op door die andere opsporingsinstanties gehanteerde en aangereikte tactieken en methodieken en dat openbaarmaking daarvan ook voor (de toekomstige taakuitoefening van) die instanties tot onaanvaardbare - en door de Belastingdienst noch het Hof goed te overziene - gevolgen zou kunnen leiden."

en:

"3.19. Ten slotte zijn in met name het Draaiboek nog passages onderkend die zo specifiek op andere, nog lopende, vergelijkbare 'rekeningenprojecten' (niet zijnde het KB-Lux project) betrekking hebben dat bij een afweging van belangen moet worden geoordeeld dat de betrekkelijk geringe relevantie ervan voor (de beslechting van) het onderhavige geschil en een potentieel doch op zichzelf minder concreet belang bij kennisneming van die passages door belanghebbende ondergeschikt moeten worden geacht aan het - (...) - belang van de Belastingdienst bij geheimhouding daarvan met het oog op die nog lopende, vergelijkbare projecten.".

3.13. Met inachtneming van al het vorenstaande komt de geheimhoudingskamer tot het oordeel dat de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, zodat in het onderhavige geval sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding zoals hierna omschreven rechtvaardigen.

3.14. De geheimhoudingskamer acht het onleesbaar maken van passages in het Draaiboek en de Nieuwsbrieven zoals dat heeft plaatsgevonden in de door de Inspecteur als bijlage bij zijn pleitnota van 21 januari 2010 aan het Hof en aan belanghebbende toegezonden geschoonde versie van die stukken (de verbeterde Amsterdamse versie), aangevuld met de stukken genoemd in de slotsom van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 16 maart 2010, nummer 04/01262, LJN: BL9025, daarom gerechtvaardigd (bijlage 3 bij de brief van de Inspecteur van 26 augustus 2010).

Ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag

3.15. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet de beschikking heeft over de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan. De microfiches en afdrukken zijn in België in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen, maken deel uit van het Belgische strafdossier en zijn nooit aan Nederland toegezonden of ter beschikking gesteld. Het is derhalve, aldus de Inspecteur, onmogelijk om de originele microfiches of de originele afdrukken daarvan in een Nederlandse procedure in te brengen. De Belgische fiscus heeft toestemming gekregen kopieën te maken van de originele afdrukken van de microfiches en heeft van die toestemming gebruik gemaakt. Vervolgens zijn deze kopieën, voor zover van belang voor de Nederlandse autoriteiten, aan de Nederlandse bevoegde autoriteit verstrekt.

3.16. De Inspecteur heeft als bijlage 2, bij zijn brief van

26 augustus 2010, uitsluitend ten behoeve van de geheimhoudingskamer, vier pagina's kopieën overgelegd van een ongeschoonde afdruk van het microfiche. De door de Inspecteur geschoonde versies van deze pagina's zijn door hem in kopie overgelegd bij zijn verweerschrift en aan belanghebbende toegezonden. Deze geschoonde pagina's bevatten een afdruk van een microfiche met betrekking tot belanghebbende. Gegevens met betrekking tot andere rekeninghouders zijn verwijderd.

3.17. De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat het verzoek om geheimhouding van de Inspecteur uitsluitend betrekking heeft op namen van derden, die op de kopieën van de afdrukken van de microfiches vermeld staan tussen nummers van bankrekeningen en bedragen.

3.18. De Inspecteur heeft zich met betrekking tot de onder 3.17 bedoelde namen van derden beroepen op artikel 67 van de AWR . Naar zijn mening is het hem uit hoofde van artikel 67 van de AWR verboden vorenbedoelde namen te verstrekken, omdat verstrekking van die gegevens niet noodzakelijk is in het kader van de uitvoering van de belastingwet. Hiertoe overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. Een verplichting tot geheimhouding uit hoofde van artikel 67 van de AWR vormt als zodanig geen gewichtige reden als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb . Indien de Inspecteur stukken voor de wederpartij geheim wenst te houden voorziet de in artikel 8:29 van de Awb vermelde procedure er juist in, zoals overwogen onder 3. 5, dat de belastingrechter de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde (gewichtige) redenen afweegt tegen het belang dat een belanghebbende heeft bij kennisneming van die stukken. De blote stelling van de Inspecteur, dat op hem een geheimhoudingsverplichting rust ingevolge artikel 67 van de AWR brengt niet met zich dat deze geheimhoudingsverplichting aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van een belanghebbende bij bekendmaking van desbetreffende gegevens en deze stelling van de Inspecteur rechtvaardigt dan ook niet zonder meer geheimhouding van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het standpunt van de Inspecteur, dat de onder 3.17 bedoelde namen niet behoeven te worden verstrekt omdat deze op grond van artikel 67 van de AWR moeten worden geheim gehouden wordt door de geheimhoudingskamer verworpen.

3.19. De Inspecteur heeft zich met betrekking tot de onder 3.17 bedoelde namen van derden voorts beroepen op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, zoals die tot uitdrukking komt in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB). Hiertoe overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. Mede gelet op het bepaalde in artikel 8:29, lid 2, van de Awb is het feit dat het gaat om namen van derden, die wellicht op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de WOB voor de toepassing van die wet niet openbaar gemaakt behoeven te worden, onvoldoende om aan te nemen dat er gewichtige redenen zijn om deze in de onderhavige procedure geheim te houden. Bij de WOB gaat het om bekendmaking aan derden, terwijl het in het kader van artikel 8:29 van de Awb gaat om bekendmaking aan belanghebbende van stukken, die op zijn zaak betrekking hebben.

3.20. In de memorie van toelichting, Tweede Kamer, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 149 en 150, is, voor zover te dezen relevant, vermeld:

'In navolging van artikel 109 van de Provinciewet en artikel 153 van het ontwerp-Gemeentewet wordt het achterhouden van stukken slechts mogelijk gemaakt voor zover dit om 'gewichtige' redenen geboden is. De bedoeling daarvan is om aan te geven, dat voor de weigering van inzage een sterkere grond aanwezig moet zijn dan de redenen waarom krachtens de Wet openbaarheid van bestuur een verzoek om informatie kan worden geweigerd (zie de toelichting op artikel 153 van het ontwerp-Gemeentewet, Kamerstukken II, 19 403, nr. 3 ). Dit verschil berust op het feit dat het bij laatstgenoemde wet gaat om een recht van iedere burger, terwijl het hier een burger betreft die een procedure voert over een hem direct rakende aangelegenheid.'.

3.21. In de memorie van toelichting, Tweede Kamer, 1991/92,

22 495, nr. 3, blz. 119 en 120, is vermeld, voor zover te dezen relevant:

'Het eerste lid [Hof: van artikel 8:29 van de Awb] geeft aan dat het criterium is, of er in het concrete geval gewichtige redenen bestaan die tot absolute of relatieve geheimhouding nopen. Dit criterium is ontleend aan de artikelen 7:4, zesde lid, en 7:18, zesde lid, van de Awb .

In een procedure voor de administratieve rechter behoort het niet ter vrije beslissing van partijen te staan, de omvang van hun informatieplicht te bepalen. Dat is een taak voor de rechter. Hij dient na afweging van bovengenoemde belangen een beslissing hierover te nemen. De rechter zal erop toezien dat het evenwicht tussen de posities van partijen niet wordt verstoord. Wanneer een bestuursorgaan op deze bepaling een beroep doet, vindt de rechter in de criteria van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een ondergrens. Overeenkomstig de artikelen 7:4, achtste lid, en 7:18, achtste lid, is in het tweede lid bepaald dat een gewichtige reden voor het bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig is, voor zover het ingevolge de Wob verplicht zou zijn tot het geven van informatie. De omstandigheid dat een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van die wet zou kunnen afwijzen, kan echter niet zonder meer doorslaggevend zijn in een procedure tussen partijen.'.

3.22. Gelet op de onder 3.21 weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis vormen de criteria van de WOB een ondergrens. Voorts volgt uit deze passage en uit de onder 3.20 weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis dat voor een weigering van de Inspecteur om gegevens en bescheiden (ter inzage te geven op de voet van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb respectievelijk ) te overleggen op de voet van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb een sterkere grond aanwezig moet zijn dan de redenen waarom krachtens de WOB een verzoek om informatie kan worden geweigerd.

3.23. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft in haar uitspraak van 26 juli 1999, nummer H01.98.0941, onder meer gepubliceerd in JB 1999/226, het volgende overwogen:

'2.2. In deze zaak is de verhouding tussen de WOB en de Awb aan de orde, meer specifiek de vraag of artikel 7:4 van de Awb een uitputtende openbaarmakingsregeling behelst. De Afdeling overweegt hierover het volgende.

2.2.1. Vooropgesteld dient te worden dat het recht op openbaarmaking van informatie ingevolge de WOB uitsluitend het belang dient van een goede en democratische bestuursvoering. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve kan - zeer specifieke situaties daargelaten - ten aanzien van de publieke openbaarheid van gegevens geen onderscheid worden gemaakt naargelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Zulk een onderscheid zou in strijd komen met het beginsel van gelijke behandeling. Het zou bovendien om praktische redenen niet werkbaar zijn.

2.2.2. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in haar uitspraak van 3 maart 1998 inz. no. H01.97.0393/Q01, AB 1998, 435, wijkt de WOB als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Zo'n regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door (afzonderlijke) toepassing van de WOB afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet.

2.2.3. Artikel 7: 4 (in bezwaar), artikel 7:1 8 (in administratief beroep) en artikel 8:29 (in de rechterlijke fase) van de Awb hebben betrekking op de kennisneming van gedingstukken door partijen /belanghebbenden in een bezwaar- of beroepsprocedure.

Anders dan de WOB, regelen zij niet de publieke toegang tot informatie, doch de partijtoegang; er is sprake van een processuele functie.

2.2.4. Aan een belanghebbende kan niet, op grond van zijn betrokkenheid in een procedure tegen de overheid, het recht worden ontzegd op kennisneming van gegevens die voor andere burgers openbaar zijn. Het recht van een belanghebbende op kennisneming van gedingstukken is dus minimaal gelijk aan de aanspraak op publieke openbaarheid die aan eenieder toekomt. De mate van publieke toegang is de ondergrens voor de partijtoegang. Bepalingen zoals artikel 7:4, zevende lid, van de Awb geven uitdrukking aan dit beginsel. Omgekeerd rechtvaardigt een weigering van publieke openbaarheid nog geen geheimhouding in de Awb-procedure. Daartoe is een afzonderlijke toets op 'gewichtige redenen' vereist. (Aldus ook de Memorie van Toelichting bij artikel 8:29 van de Awb , PG Awb II, p. 417 ).'.

(Tevens wijst de geheimhoudingskamer op de uitspraak van de ABRvS van 4 december 2002, nummer 20021176/1, onder meer gepubliceerd in JB 2003/34.)

3.24. Uit het vorenoverwogene volgt, dat zelfs indien in het kader van de toepassing van de WOB het beroep van de Inspecteur op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de WOB gegrond zou zijn dit geen gewichtige reden als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb vormt om de onder 3.17 bedoelde namen van derden geheim te houden. Immers, zoals eerder overwogen moet voor geheimhouding op de voet van artikel 8:29 van de Awb een sterkere grond aanwezig zijn dan de redenen waarom krachtens de WOB een verzoek om informatie kan worden geweigerd.

3.25. Echter, in het onderhavige geval vormt het publiek worden van de namen, zoals die voorkomen op de prints, door het verlenen van inzage aan belanghebbende, een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden, die niet gerechtvaardigd is, omdat de geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat deze namen voor de beslissing van de onderhavige zaak in het geheel niet van belang zijn. De door belanghebbende aangevoerde belangen zijn in de onderhavige zaak van onvoldoende gewicht om op te wegen tegen het aanzienlijke door de Inspecteur te beschermen belang van anderen bij geheimhouding van de (mogelijk) op hen betrekking hebbende gegevens op de prints. De geheimhoudingskamer is met de Inspecteur van oordeel dat hij zich met betrekking tot de door hem als bijlage 2 toegezonden ongeschoonde versies van vier pagina's met kopieën van de afdruk van het microfiche, genoemd onder punt 1.15, "Bijlage 2:", van deze uitspraak, terecht en op goede gronden beroept op gewichtige redenen voor geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb en dat geheimhouding in de door de Inspecteur voorgestane zin gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van de derde in geschil zijnde vraag

3.26. Bij brief van 15 maart 2011 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer de Inspecteur uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek ter zitting van de geheimhoudingskamer. Die brief luidt als volgt:

'(...) Bij brief van 14 januari 2011 heb ik u ter kennisneming een kopie gezonden van de brief van uw wederpartij van 20 december 2010. Ik heb u daarbij bericht dat u over het verdere verloop van de procedure nog bericht ontvangt.

Het is de geheimhoudingskamer uit de stukken van het geding duidelijk geworden dat belanghebbende onder meer ongeschoonde kopieën wenst te krijgen van de brief van de Belgische belastingdienst van 21 februari 2003 en de daarbij behorende negentien bijlagen. (...)

De geheimhoudingskamer overweegt voorlopig als volgt:

In beginsel is de geheimhoudingskamer van oordeel dat de vraag of bepaalde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) beantwoord behoort te worden door de Kamer die de hoofdzaak behandelt. In het onderhavige geval is daarbij echter een opmerking te maken.

De geheimhoudingskamer begrijpt het door de Inspecteur ingenomen standpunt met betrekking tot bovenvermelde brief van de Belgische belastingdienst van 21 februari 2003 en de daarbij behorende negentien bijlagen (hierna: de brief met bijlagen) als volgt:

1) De Inspecteur beschikt niet over die brief met bijlagen, en

2) die brief met bijlagen heeft niet ten grondslag gelegen aan de vaststelling van de belastingaanslag en evenmin aan de uitspraak op het bezwaar daartegen.

Ten aanzien van punt 1 is de geheimhoudingskamer voorlopig van oordeel, dat het standpunt van de Inspecteur dat hij niet over een ongeschoonde versie van de brief met bijlagen beschikt niet juist kan zijn. Immers, uit het dossier kan - naar het voorlopige oordeel van de geheimhoudingskamer - worden opgemaakt dat die brief met bijlagen door België aan de rijksbelastingdienst, althans de FIOD, in ongeschoonde versie ter beschikking is gesteld. Voor zover de Inspecteur bedoelt dat niet hij over de brief met bijlagen beschikt, maar de rijksbelastingdienst, althans de FIOD, wel, is de geheimhoudingskamer voorlopig van oordeel dat, mede gelet op wijze waarop de rijksbelastingdienst is georganiseerd inzake de ontvangst van internationaal uitgewisselde informatie, de beschikbaarheid van de brief met bijlagen bij de FIOD impliceert dat ook de Inspecteur daarover moet kunnen beschikken.

Ten aanzien van punt 2 overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. Naar het voorlopige oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de brief met bijlagen op de zaak betrekking hebbende stukken. Anders dan de Inspecteur lijkt te verdedigen is ook sprake van op de zaak betrekking hebbende stukken als deze niet ten grondslag hebben gelegen aan de vaststelling van de belastingaanslag en evenmin aan de uitspraak op het bezwaar daartegen, maar deze stukken wel van belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter. Naar het voorlopige oordeel van de geheimhoudingskamer kan dit laatste op dit moment niet worden uitgesloten. Hierbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de betwisting door de Inspecteur dat de stukken van belang zouden kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter. Die betwisting - evenals haar onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van die stukken) die aan belanghebbende en het hof niet bekend zijn, zodat zij door belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door het hof niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de Inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van de stukken verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 van de Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 van de Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (vergelijk r.o. 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr. 43 791, LJN: BB5868).

De geheimhoudingskamer wenst onnodige vertraging van de beslissing van de onderhavige zaak te voorkomen. Er bestaat immers naar het voorlopige oordeel van de geheimhoudingskamer een gerede kans, als de geheimhoudingskamer de beslissing inzake het al dan niet overleggen van de brief met bijlagen zou overlaten aan de Kamer die de hoofdzaak behandelt, dat met betrekking tot de brief met bijlagen de zaak wederom naar de geheimhoudingskamer zou moeten worden verwezen.

Namens de geheimhoudingskamer verzoek ik u een ongeschoonde versie van bedoelde brief van

21 februari 2003 en de daarbij behorende negentien bijlagen mee te brengen naar zitting van de geheimhoudingskamer, (...)

Op die zitting zal worden besproken of u bereid bent bedoelde stukken in ongeschoonde versie aan de geheimhoudingskamer over te leggen. U kunt daarbij aangeven ten aanzien van welke stukken of gedeelten van stukken u zich beroept op geheimhouding of beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb . De geheimhoudingskamer geeft u in overweging u voor te bereiden op de vraag of u gemotiveerd kunt onderbouwen welke gewichtige redenen in de zin van artikel 8:29 van de Awb naar uw mening er aan in de weg staan die stukken of gedeelten van stukken aan uw wederpartij ter beschikking te stellen. De geheimhoudingskamer geeft u daarbij voorts in overweging dit door middel van een schriftelijke pleitnota te doen en - indien u zich zult gaan beroepen op (gedeeltelijke) geheimhouding - reeds een geschoonde versie mee te nemen zoals die volgens u aan belanghebbende kan worden overgelegd.

Een kopie van deze brief heb ik vandaag ter informatie aan uw wederpartij verzonden.'.

3.27. Tijdens het onderzoek door de geheimhoudingskamer ter zitting van 5 april 2011 heeft de Inspecteur in zijn pleitnota uitdrukkelijk en gemotiveerd afstand genomen van hetgeen is vermeld in de onder 3.26 geciteerde brief van de geheimhoudingskamer.

3.28. Ook nadat de Inspecteur tijdens die zitting erop is gewezen dat de geheimhoudingskamer de Inspecteur niet heeft verplicht tot overlegging van stukken - ook niet op basis van artikel 8:45 van de Awb - heeft de Inspecteur om hem moverende redenen evenwel de ongeschoonde versie van de brief van 21 februari 2003 met de negentien bijlagen aan de geheimhoudingskamer overgelegd. Uit de door de Inspecteur overgelegde geschoonde stukken blijkt dat hij bereid is alsnog een ongeschoond exemplaar van de brief van 21 februari 2003 over te leggen met drie bijbehorende pagina's (FIOD nummering D/041, D/042 en D/043), waarop zijn geschoond: namen van derden, nationaliteit, (huidig) adres en geboortedatum. Voorts blijkt daaruit dat de Inspecteur bereid is alsnog geschoonde exemplaren van de bijlagen 3 tot en met 19 over te leggen, waarbij uitsluitend niet te lezen zullen zijn:

- alle namen,

- adresgegevens (behalve landaanduiding),

- nationaliteit,

- beroep,

- alle rekeningnummers,

- de aard van de beleggingen,

- de kredietlimieten,

- de relatie (man/vrouw/echtgenoot van etc.) tussen meerdere rekeningnummers,

- de bevoegdheden van de rekeninghouders ten opzichte van de rekeningen,

- de data waarop de rekeningen geopend en gewijzigd zijn, en

- de codenamen van de rekeninghouders.

De bijlagen 1 en 2 hebben betrekking op Belgische belastingplichtigen en zijn, aldus de Inspecteur, niet aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Indien deze bijlagen wel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden gerekend, zijn deze zo geheel anders van aard en zo gespecificeerd dat bij schoning uitsluitend witte pagina's resteren met mogelijk een enkel woord daarop.

3.29. Belanghebbende heeft desgevraagd tijdens het onderzoek ter zitting van 5 april 2011 verklaard dat hij genoegen neemt met het overleggen door de Inspecteur van de ongeschoonde brief van 21 februari 2003 met drie bijbehorende pagina's, zoals geschoond door de Inspecteur, en met geschoonde exemplaren van de bijlagen 1 tot en met 19, zij het dat daarop naar zijn mening in ieder geval nog wel te lezen moet zijn:

- de data waarop de rekeningen geopend zijn, en

- de codenamen van de rekeninghouders.

3.30. Anders dan de Inspecteur meent, zijn naar het oordeel van de geheimhoudingskamer ook de bijlagen 1 en 2 aan te merken als de op de zaak betrekking hebbende stukken, zijnde immers deze bijlagen door de Belgische belastingdienst bij brief van 21 februari 2003 aan de rijksbelastingdienst aangeboden en niet bij voorbaat geheel zonder belang voor de beslissing van de zaak van belanghebbende.

3.31. De geheimhoudingskamer neemt ten aanzien van bijlagen 1 en 2 in aanmerking dat deze bijlagen uitsluitend betrekking hebben op Belgische belastingplichtigen en dat de vermelde gegevens zo specifiek van aard zijn en niet relevant voor de beslissing van de zaak van belanghebbende dat het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze bijlagen niet opweegt tegen het door de Inspecteur te beschermen belang van voorkoming van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de door de Inspecteur aangevoerde redenen tot geheimhouding van de bijlagen 1 en 2 van zodanig gewicht, dat het gerechtvaardigd is deze stukken in het geheel niet in het geding te brengen.

3.32. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de door de Inspecteur aangevoerde redenen tot geheimhouding van de data waarop de rekeningen geopend zijn en de codenamen van de rekeninghouders op de bijlagen 3 tot en met 19, niet van zodanig gewicht, dat het gerechtvaardigd is deze onderdelen onleesbaar te maken in de alsnog over te leggen stukken. Immers, deze gegevens leiden niet tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden, nu deze gegevens, na schoning zoals overigens onder 3.28 is vermeld, niet herleid kunnen worden tot bepaalde personen.

Slotsom

3.33. De door de Inspecteur aangevoerde gewichtige redenen tot geheimhouding zijn deels gerechtvaardigd. Hij kan volstaan met het overleggen van de geschoonde versies van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven onderscheidenlijk de geschoonde versies van vier pagina's kopieën van de afdruk van het microfiche dat op belanghebbende betrekking heeft. De geschoonde versies van genoemde stukken zijn reeds met instemming van de Inspecteur aan belanghebbende verstrekt.

3.34. De Inspecteur heeft reeds overgelegd de ongeschoonde brief van de Belgische belastingdienst van 21 februari 2003 met drie bijbehorende geschoonde pagina's. De Inspecteur zal alsnog de bij die brief behorende bijlagen 3 tot en met 19 in geschoonde vorm in het geding moeten brengen, waarbij in die bijlagen uitsluitend de volgende onderdelen onleesbaar mogen worden gemaakt:

- alle namen,

- adresgegevens (behalve landaanduiding),

- nationaliteit,

- beroep,

- alle rekeningnummers,

- de aard van de beleggingen,

- de kredietlimieten,

- de relatie (man/vrouw/echtgenoot van etc.) tussen meerdere rekeningnummers, en

- de bevoegdheden van de rekeninghouders ten opzichte van de rekeningen.

3.35. Nu de onderhavige beslissing voor de Inspecteur de verplichting meebrengt, de onder 3.34 genoemde stukken op de aldaar omschreven wijze geschoond in te zenden, wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt.

3.36. Het voorgaande leidt tot de hierna volgende beslissing.

4. Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- verstaat dat de door de Inspecteur aangevoerde gewichtige redenen deels gerechtvaardigd zijn;

- bepaalt dat de door de Inspecteur bij zijn brief van

26 augustus 2010 aan de geheimhoudingskamer als bijlage 1 toegezonden integrale/ongeschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, genoemd onder punt 1.15, "Bijlage 1:", van deze uitspraak, behoort tot de stukken waarop de geheimhouding in de door de Inspecteur voorgestane zin gerechtvaardigd is;

- bepaalt dat de door de Inspecteur bij zijn brief van 26 augustus 2010 aan de geheimhoudingskamer als bijlage 2 toegezonden ongeschoonde versies van vier pagina's kopieën van de afdruk van het microfiche, genoemd onder punt 1.15, "Bijlage 2:", van deze uitspraak, eveneens behoort tot de stukken waarop de geheimhouding in de door de Inspecteur voorgestane zin gerechtvaardigd is;

- bepaalt dat geheimhouding van de bij de brief van de Belgische belastingdienst van 21 februari 2003 behorende negentien bijlagen slechts gerechtvaardigd is voor de bijlagen 1 en 2 en voor de bijlagen 3 tot en met 19 in de onder 3.34 genoemde zin;

- verzoekt de Inspecteur binnen twee weken na verzending van deze uitspraak aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de in 3.34 genoemde bijlagen 3 tot en met 19 op de aldaar omschreven wijze te schonen en deze aldus geschoonde stukken alsnog in het geding te brengen, en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken;

- verwijst de zaak naar de eerste meervoudige kamer die de hoofdzaak behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt het procesdossier, doch uitsluitend voor zover op de daartoe behorende stukken geen geheimhouding gerechtvaardigd is en uitsluitend het geschoonde proces-verbaal van het onderzoek ter zitting op 5 april 2011, daarna ter beschikking van die kamer.

Aldus gedaan op: 17 mei 2011 door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en V.M. van Daalen-Mannaerts, leden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, nr. 43 294, BNB 2008/51).


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken