Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank is van oordeel dat indien, zoals in dit geval, concrete afspraken worden gemaakt over tijden en plaatsen van de locatiebezoeken de betrokken partijen gehouden zijn om zich te houden aan die gemaakte afspraken. De op 18 mei 2010 gemaakte afspraken zijn duidelijk zowel wat betreft de data, tijdstippen als locaties. Verweerder heeft zich niet aan de gemaakte afspraak gehouden door in plaats van op de overeengekomen data (19, 20, 21, 24 en 25 mei) op data nadien (vanaf 28 mei) locatiebezoeken te houden. Het beleid zoals omschreven onder 3.2 houdt rekening met de bijzondere positie van mensen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. In het geval van eiser is daarbij bovendien van belang dat uit de opeenvolgende verklaringen van eiser kan worden opgemaakt dat zijn verblijfplaatsen in korte tijd kunnen wijzigen. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de wijze van locatiebezoek, door na de afgesproken periode locatiebezoeken af te leggen, in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid. Aan de verklaringen die tijdens de locatiebezoeken zijn afgelegd kan niet die betekenis worden toegekend die verweerder er aan wenst toe te kennen. Nu de originele handgeschreven weergave van de verklaringen van derden ontbreken, kunnen de samenvattingen van de verklaringen, zoals opgenomen in het Rapport niet worden geverifieerd.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4735 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J. Nijssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde F.H.W. Fris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers bijstandsaanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 24 augustus 2010 (AWB 10/3321 WWB) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2010 (het primaire besluit II) heeft verweerder eisers verzoek om gebruik te maken van een briefadres afgewezen. Ook tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 september 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2011.

Namens eiser is verschenen, mr. E. Schermerhorn, een kantoorgenoot van mr. Nijssen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Afwijzing van de aanvraag

Feiten en standpunten van partijen

1.1. Op 16 april 2010 heeft eiser als dak- en thuisloze bij de afdeling ‘Bijzondere Doelgroepen IJsbaanpad’ van verweerder een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering. Bij zijn aanvraag heeft eiser aangegeven afwisselend op vier verschillende adressen te verblijven, te weten de [adres 1], de [adres 2] B, de [adres 3] en de [adres 4]. Tijdens het intakegesprek op 4 mei 2010 heeft eiser aangegeven dat hij niet meer op deze adressen, maar in het Westerpark verblijft.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder met eiser een schriftelijke afspraak gemaakt waarin staat dat eiser gedurende een periode van vijf werkdagen na dagtekening van deze afspraak tot 11:00 uur op de door eiser bij die gelegenheid opgegeven locaties aanwezig moest zijn. De bevindingen van de locatiebezoeken zijn neergelegd in het Rapport van bevindingen ‘Bijzondere Doelgroepen aanvraag’ (het Rapport) met afsluitdatum 14 juni 2010. Verweerder heeft daaraan de conclusie verbonden dat eiser onjuiste informatie heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie en hierdoor dus zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Dit besluit heeft verweerder na bezwaar gehandhaafd.

1.3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser hij heeft, voor zover relevant, aangevoerd dat hij bij zijn aanvraag zo volledig mogelijk is geweest in het opgeven van de locaties waar hij wel eens verblijft. Op het formulier dat hij moest invullen is niet gevraagd hoe vaak hij waar verblijft en waar hij wel en niet slaapt. Dat is ook tijdens het intakegesprek geen expliciet onderwerp van gesprek geweest. Verder heeft eiser aangevoerd dat van een aanvrager die aangeeft een zwervend bestaan te leiden niet verwacht kan worden dat de situatie zoals hij die opgeeft enige tijd later nog hetzelfde is. Ten slotte heeft eiser betoogd dat de handgeschreven weergave van de door derden afgelegde verklaringen in het dossier ontbreken. Vooral nu de handhavingsspecialisten in dit geval slechts een samenvatting van de gesprekken in het Rapport hebben opgenomen, is niet vast te stellen wat de vraagstelling was en of de samenvatting volledig is.

Juridisch kader

2.1. In artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

2.2. In artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat een belanghebbende verplicht is op verzoek of uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

2.3. Indien de belanghebbende de verplichting uit artikel 17, van de WWB niet of in onvoldoende mate nakomt, is dat blijkens vaste jurisprudentie, in samenhang bezien met voornoemd artikel 11, eerste lid, van de WWB , een rechtsgrond voor weigering of be ëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

Inhoudelijk oordeel

3.1. De vraag waar iemand zijn woonadres dan wel zijn feitelijk verblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor de correcte toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. In het geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep - CRvB - van 15 september 2009, LJ-nummer: BJ8133).

3.2. Uit het Rapport komt naar voren dat met eiser conform verweerders beleid ‘Bijzondere Doelgroepen’ ter vaststelling van eisers verblijfplaatsen afspraken zijn gemaakt over het verrichten van locatiebezoeken. Op grond van dit beleid wordt aan de klant medegedeeld dat hij vanaf het inleveren van het aanvraagformulier en alle stukken vijf werkdagen tot 11:00 uur aanwezig dient te zijn op de door hem opgegeven locatie. De klant wordt op de opgegeven locatie maximaal twee keer bezocht. Indien de klant twee keer niet wordt aangetroffen op de opgegeven locatie wordt de bijstandsaanvraag afgewezen op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB .

3.3. Op 18 mei 2010 zijn met eiser afspraken gemaakt voor locatiebezoeken. Eiser gaf bij die gelegenheid de volgende adressen op: [adres 2], [adres 5], [adres 6], [adres 7], [adres 4] en de [adres 1]. Eiser moest gedurende de periode van vijf werkdagen na dagtekening van deze bevestiging tot 11 uur op (één van) deze locaties aanwezig zijn. Dat zijn dus de data 19, 20, 21, 24 en 25 mei 2010. Eiser heeft dit formulier ondertekend.

3.4. Uit het Rapport komt naar voren dat twee handhavingsspecialisten op 28 mei 2010 omstreeks 10:15 uur een bezoek gebracht aan het adres [adres 5]. De broer van eiser deed open en verklaarde dat eiser twee weken geleden voor het laatst bij hem was geweest. Voorts verklaarde hij dat er post voor hem komt, maar dat hij deze post naar zijn ouders brengt.

3.5. Vervolgens hebben de handhavingsspecialisten op 28 mei 2010 omstreeks 10:30 uur de [adres 2] bezocht. Zij troffen daar de vader van eiser aan. Hij verklaarde desgevraagd dat eiser niet bij hem woont en verblijft, maar dat hij wel eens langskomt. De week ervoor was hij er voor het laatst en hij mag niet blijven slapen, aldus de vader.

3.6. De handhavingsspecialisten hebben op 28 mei 2010 omstreeks 9:43 uur, 31 mei 2010 omstreeks 9:45 uur en 31 mei 2010 omstreeks 14:00 uur de woning aan het adres [adres 6] bezocht. Hier zou volgens eiser ene [bewoner 1] moeten wonen. Eiser noch de bewoner werden op dit adres aangetroffen. Hierop hebben de handhavingsspecialisten de gemeentelijke basisadministratie gecontroleerd en hieruit bleek dat in de [B-straat] geen [bewoner 1] verblijft.

3.7. Op 28 mei 2010 omstreeks 9:30 uur hebben de handhavingsspecialisten het adres [adres 4]-2 bezocht. Niemand werd aangetroffen. Op 31 mei 2010 rond 9:30 uur en rond 13:40 uur hebben zij het nogmaals tevergeefs geprobeerd. Ook op 1 juni 2010 en 3 juni 2010 hebben zij niemand aangetroffen. Op 7 juni 2010 omstreeks 11:00 uur deed echter de bewoner, een vriend van eiser, open en verklaarde hij desgevraagd dat hij eiser al zeker anderhalve maand niet meer had gezien of gesproken. Eiser heeft de sleutel van de zolder en de bewoner weet niet of eiser op de zolder verblijft omdat de bewoner daar niet komt. Voorts verklaart de bewoner dat eiser geen sleutel van de voordeur heeft, zodat eiser niet zomaar naar binnen kan.

3.8. Op 31 mei 2010 rond 10:15 uur hebben de handhavingsspecialisten het adres de [adres 7] bezocht. Zij troffen de bewoner, een vriend van eiser, aan en hij verklaarde dat eiser afgelopen nacht op zijn adres had geslapen en dat hij er al twee dagen verbleef. Voorts verklaarde hij dat eiser gemiddeld twee tot drie dagen per week op zijn adres slaapt. Bij het volgende bezoek op 1 juni 2010 rond 8:25 uur op dit adres werd eiser aangetroffen. Hij werd toen uitgenodigd voor een gesprek ten kantore van de DWI.

3.9. Op 1 juni 2010 heeft eiser ten kantore van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) verklaard dat hij de dag ervoor op de [adres 7] heeft geslapen en daarvoor in een kraakpand op de Zandstraat. Eiser heeft verder verklaard niet te slapen op het adres van zijn ouders. Anderhalve maand geleden heeft eiser bij zijn broertje op de [adres 5] geslapen. Bij zijn broertje heeft hij alleen een postadres. Voorts verklaarde eiser één tot twee dagen per week op de [adres 7] te slapen. Eiser slaapt niet meer op de [adres 1]. Op het adres [adres 4]-2 kan eiser met de sleutel op de zolderkamer komen. Afgelopen vrijdag en zaterdag heeft eiser daar overdag geslapen. Ten aanzien van de [adres 6] verklaarde eiser nog dat hij niet zeker is van het huisnummer en dat de b[bewoner 1] heet.

3.10. Op 14 juni 2010 hebben de handhavingsspecialisten een bezoek gebracht aan het adres [adres 1], de woning waar de moeder van eisers kind woont. Deze vrouw verklaarde desgevraagd dat eiser drie tot vier dagen per week op haar adres verblijft. Hij slaapt en eet daar dan. Eiser heeft volgens de bewoonster een sleutel van de woning. Verder verblijft eiser volgens haar ergens vlakbij bij een vriend.

3.11. De rechtbank stelt op grond van voornoemde bevindingen vast dat verweerder weliswaar locatiebezoeken heeft verricht aan de door eiser opgeven adressen, maar dat alle bezoeken zijn verricht buiten de afgesproken periode. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de handhavingsspecialisten zich bij het bezoeken van de locaties niet aan de gemaakte afspraken hebben gehouden. Hij kan uit het Rapport niet achterhalen waarom de locatiebezoeken zijn verricht buiten de afgesproken periode. Hij is niettemin van mening dat gelet op de resultaten van de huisbezoeken en de verklaringen die bij die gelegenheid zijn afgelegd, duidelijk is dat eiser geen juiste inlichtingen heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie.

3.12. De rechtbank is van oordeel dat indien, zoals in dit geval, concrete afspraken worden gemaakt over tijden en plaatsen van de locatiebezoeken de betrokken partijen gehouden zijn om zich te houden aan die gemaakte afspraken. De op 18 mei 2010 gemaakte afspraken zijn duidelijk zowel wat betreft de data, tijdstippen als locaties. Verweerder heeft zich niet aan de gemaakte afspraak gehouden door in plaats van op de overeengekomen data (19, 20, 21, 24 en 25 mei) op data nadien (vanaf 28 mei) locatiebezoeken te houden. Het beleid zoals omschreven onder 3.2 houdt rekening met de bijzondere positie van mensen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben. In het geval van eiser is daarbij bovendien van belang dat uit de opeenvolgende verklaringen van eiser kan worden opgemaakt dat zijn verblijfplaatsen in korte tijd kunnen wijzigen. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de wijze van locatiebezoek, door na de afgesproken periode locatiebezoeken af te leggen, in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid.

3.13. Aan de verklaringen die tijdens de locatiebezoeken zijn afgelegd kan niet die betekenis worden toegekend die verweerder er aan wenst toe te kennen. Nu de originele handgeschreven weergave van de verklaringen van derden ontbreken, kunnen de samenvattingen van de verklaringen, zoals opgenomen in het Rapport niet worden geverifieerd.

3.14. Deze omstandigheden tezamen maken dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit zal dan ook in zoverre worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is derhalve in zoverre gegrond.

Afwijzing briefadres

4.1. In geschil is voorts of verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om een briefadres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat de afwijzing van het verzoek om een briefadres geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb .

4.2. Ingevolge artikel 1:3, van de Awb, eerste lid, wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.3. Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de WWB , verbindt het college aan de verlening van bijstand aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat hij aangifte doet van een door hen ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van die wet.

4.4. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 15 december 2009, LJ-nummer: BK7220, overwogen dat een reactie op een verzoek om verlening van een postadres als zodanig niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en daarom niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb . De CRvB merkt daarbij echter wel op dat wanneer het college ertoe zou overgaan aan het al dan niet beschikken over een postadres gevolgen voor het verlenen van bijstand te verbinden, de daartoe strekkende beslissing wel gericht is op rechtsgevolg.

4.5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op deze uitspraak van de CRvB de afwijzing van het briefadres in zijn geval moet worden aangemerkt als een besluit. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt. In het primaire besluit van 21 juni 2010 staat: “U heeft geen recht op bijstandsuitkering. Het recht op het gebruik van een briefadres is uitsluitend toegestaan aan personen met een bijstandsuitkering”. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee een verband gelegd tussen het hebben van een postadres en de mogelijkheid bijstand te verlenen. Daardoor is er sprake van een besluit en is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.6. Het beroep is daarom eveneens gegrond. Ook dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit Proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt van

€ 41,- (zegge: éénenveertig euro);

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter,

in aanwezigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B (RR)

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature