Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling ter zake mishandeling (bijten in arm van beveiligingsbeambte) tot werkstraf.

Vordering benadeelde partij toegewezen met oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak



Gerechtshof Arnhem

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003379-09

Uitspraak d.d.: 17 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. M.H. Aalmoes, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 08 oktober 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) met haar tanden en/of kiezen in diens rechter (onder)arm heeft gebeten en/of (vervolgens) diens rechter (onder)arm met haar tanden en/of kiezen vastgebeten heeft gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 08 oktober 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], met kracht, met haar tanden in diens rechteronderarm heeft gebeten en vervolgens diens rechteronderarm met haar tanden vastgebeten heeft gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 8 oktober 2009 schuldig gemaakt aan mishandeling van een beveiligingsbeambte, aangever [benadeelde], door hem in zijn arm te bijten. Het betreft een forse beet door de trui van aangever heen waarbij zijn huid gepenetreerd is.

Verdachte heeft door aldus te handelen de lichamelijke integriteit van aangever geschonden. Daar komt bij dat aangever in verband met gevaar voor mogelijke besmetting met (een) virus(sen) medische onderzoeken heeft moeten ondergaan en geruime tijd in onzekerheid heeft moeten leven in afwachting op de uitslagen hiervan. Dit betrof een onzekere periode voor zowel aangever als zijn levenspartner. Het hof rekent dit verdachte aan.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 maart 2011 blijkt dat verdachte eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting van het hof door verdachte en haar raadsvrouw naar voren zijn gebracht.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, een passende bestraffing is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Blijkens het voegingsformulier vordert de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 600,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij gematigd dient te worden tot de helft van het gevorderde bedrag nu sprake is van eigen schuld omdat de aanhouding van verdachte onrechtmatig heeft plaatsgevonden en verdachte door toedoen van de beveiligingsbeambte ook zelf schade heeft geleden.

Het hof is van oordeel dat van een onrechtmatige aanhouding geen sprake is nu de door de raadsvrouw daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden.

Het hof is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte ook zelf schade heeft opgelopen door toedoen van aangever niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt de schadevergoedingsplicht van verdachte te verminderen. Het daartoe strekkend verweer van de raadsvrouw stuit af op de vaststelling dat de bijdrage van de benadeelde partij aan het ontstaan van de schade uit het oogpunt van causaliteit in het niet valt bij die van de verdachte en deze ontstaan is gedurende de aanhouding van verdachte waarbij zij zich verzette, terwijl bovendien de schade door de verdachte opzettelijk is toegebracht. Voor enige vermindering van de schadevergoedingsplicht wegens 'eigen schuld' bestaat dan ook geen grond.

Nu de vordering voldoende is onderbouwd en de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen tot een bedrag van € 600,00.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof,

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 2 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enig in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. P.W.J. Sekeris en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 17 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature