Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging alimentatieverplichting op grond van art.1:160 BW. Blijkens detectiverapportage is de stelling van de vrouw, dat slechts sprake is geweest van een LAT-relatie, niet houdbaar.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 17 mei 2011

Zaaknummer: HV 200.079.119/01

Zaaknummer eerste aanleg: 100937/ FA RK 10-670

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. Y.G.M.J. Breukers,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.M.G. Pustjens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 6 oktober 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 december 2010, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1) voor recht te verklaren dat op grond van artikel 1:160 BW de verplichting van de man tot het verschaffen van levensonderhoud aan de vrouw is geëindigd en tevens de bij beschikking van 22 oktober 2008 vastgestelde partneralimentatie te beëindigen in dier voege dat deze met ingang van 1 oktober 2009, althans vanaf de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift, althans vanaf een door het hof te bepalen datum, nihil zal zijn;

2) de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de alimentatietermijnen over de maanden oktober 2009 tot en met april 2010 ad in totaal € 9.100,=, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de respectievelijke data van betaling van de alimentatietermijnen en voorts tot terugbetaling van de na april 2010 door de man aan de vrouw betaalde alimentatietermijnen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaaldatum;

3) de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans de procedure in eerste aanleg.

2.2. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 2 februari 2011, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het door de man ingestelde beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van de man in de proceskosten van beide instanties.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Y.G.M.J. Breukers;

- de vrouw, bijgestaan door mr. N.M.G. Pustjens.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 30 december 2010;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 4 maart 2011.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Partijen zijn op 21 december 1973 met elkaar gehuwd.

3.2. Bij beschikking van 22 oktober 2008 heeft de rechtbank Roermond tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 13 november 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. Bij deze beschikking heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 1.300,= per maand met ingang van 13 november 2008.

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 1.394,20 per maand.

3.4. De man heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht voor recht te verklaren dat zijn alimentatieverplichting is geëindigd met ingang van (primair) 1 oktober 2009 op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. Het hof overweegt als volgt.

3.5.1. De man stelt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd dat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd.

Hij voert aan dat de vrouw in ieder geval sinds 1 oktober 2009 met de heer [Z.] samenleeft als bedoeld in artikel 1:160 BW . Ingevolge dat artikel eindigt de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

De vrouw erkent dat zij een duurzame affectieve relatie met de heer [Z.] heeft gehad, maar zij betwist dat zij met hem heeft samengeleefd als waren zij gehuwd.

3.5.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is er sprake van samenleven in de zin van artikel 1:160 BW indien de onderhoudsgerechtigde en haar partner een (1) affectieve relatie van (2) duurzame aard hebben, (3) samenwonen, (4) elkaar wederzijds verzorgen en (5) een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Duurzame affectieve relatie (1 en 2)

3.5.3. Als erkend door de vrouw staat vast dat er tussen november 2008 en januari 2010 sprake is geweest van een duurzame affectieve relatie tussen haar en de heer [Z.].

De vrouw stelt dat die relatie inmiddels is verbroken. De heer [Z.] is volgens de verklaring van de vrouw in juni 2010 in Duitsland gearresteerd en is aldaar in hechtenis genomen op verdenking van fraude.

Samenwoning (3)

3.5.4. De vraag is vervolgens of sprake is (geweest) van een feitelijk samenwonen, in ieder geval vanaf 1 oktober 2009.

3.5.5. Het hof is van oordeel dat op basis van de voorhanden gegevens – waaronder met name het onderzoeksrapport van Square Fair d.d. 12 januari 2010 – voldoende is vast komen te staan dat de vrouw met de heer [Z.] feitelijk heeft samengewoond. Het hof neemt hiertoe de navolgende omstandigheden in aanmerking.

Uit het in eerste aanleg door de man overgelegde en hiervoor genoemd onderzoeksrapport van Square Fair komt naar voren dat de heer [Z.] in de observatieperiode van 12 oktober 2009 tot 12 januari 2010 nagenoeg dagelijks in de woning van de vrouw verbleef en dat de heer [Z.] voor zijn maatschappelijke activiteiten nagenoeg iedere dag ’s ochtends vroeg vertrok vanuit de woning van de vrouw. Ook is de hierna te melden, door de heer [Z.] gebruikte auto Toyota RAV, gedurende bijna alle dagen van de observatieperiode tegenover de woning of op de oprit van de woning van de vrouw waargenomen. Voorts blijkt uit het onderzoeksrapport dat de heer [Z.] ’s ochtends hij het verlaten van de woning van de vrouw meerdere malen is gezien in kledingstukken die hij de dag ervoor niet droeg, terwijl hij de woning niet had verlaten. Dit duidt erop dat de heer [Z.] (een deel) van zijn garderobe heeft ondergebracht in de woning van de vrouw. Blijkens de rapportage is daarnaast geconstateerd dat de heer [Z.] in de observatieperiode een sleutel bezat van de woning van de vrouw, aldaar regelmatig met haar maaltijden nuttigde en in de woonkamer alleen dan wel samen televisie keek. Verder is uit het genoemde rapport gebleken dat de heer [Z.] in de winter een motorfiets heeft laten bezorgen aan het adres van de woning van de vrouw en dat hij deze aldaar heeft gestald.

3.5.6. Dat de heer [Z.] tot eind september 2010 een woning huurde op een vakantiepark in Heel, doet aan het vorenstaande oordeel van het hof, dat de vrouw met de heer [Z.] samenwoonde, niet af. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat de huurwoning van de heer [Z.] op een vakantiepark is gesitueerd, waar permanente bewoning niet is toegestaan, zodat één en ander, in het licht van bovenstaande omstandigheden, maakt dat niet aannemelijk is dat de heer [Z.] zijn hoofdverblijfplaats had in de door hem gehuurde woning. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de heer [Z.] zich slechts sporadisch naar zijn op het vakantiepark gesitueerde woning heeft begeven, zodat niet gesproken kan worden van het hebben van een LAT-relatie zoals door de vrouw in hoger beroep is bepleit.

Wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding (4 en 5)

3.5.7. Wat betreft het hiervoor genoemde vierde en vijfde criterium, de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, zoekt het hof aansluiting bij de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit blijkt dat daarvan onder meer sprake is als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Financiële verstrengeling van beide inkomens is niet vereist.

3.5.8. De vrouw stelt dat zij en de heer [Z.] een separate huishouding voerden en over en weer geen bijdragen hierin leverden. Op grond van de vaststelling van het hof dat de heer [Z.] en de vrouw samenwoonden, terwijl de heer [Z.] blijkens het onderzoeksrapport vrijwel niet in zijn eigen woning verbleef, is deze stelling naar het oordeel van het hof niet houdbaar. Het hof is op grond van het navolgende van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat de vrouw en de heer [Z.] elkaar wederzijds hebben verzorgd en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.

Uit genoemd onderzoeksrapport d.d. 12 januari 2010 komt naar voren dat de heer [Z.] (onbetaald) schilderswerkzaamheden aan de woning van de vrouw heeft uitgevoerd en dat hij een laminaatvloer in de woning van de vrouw heeft gelegd. Ook blijkt dat hij voor het huishouden bestemde meubels in ontvangst heeft genomen en deze de woning van de vrouw heeft binnengedragen. Tegenover de bijdragen die de heer [Z.] aan het huishouden leverden staat dat de heer [Z.] het medegenot had van de woning samen met de vrouw de maaltijden nuttigde, televisie keek en werd voorzien van, althans kon hij zorgen voor, (schone) kleding. Ook beschikte hij over een sleutel van de woning zodat hij zelfstandig naar believen de woning kon betreden en verlaten. Daarnaast was er gezamenlijk bezoek aan familie, de notaris en de verzekeringstussenpersoon hetgeen door de vrouw niet wordt betwist.

Dat de vrouw en de heer [Z.] een gezamenlijke huishouding voerden, leidt het hof voorts af uit het feit dat de heer [Z.] dagelijks verbleef bij de vrouw, dat de heer [Z.] volgens de verklaring van de vrouw steeds over geld beschikte en dat de vrouw niet heeft gesteld dat zij de kosten voor de huishouding in de periode dat de heer [Z.] nagenoeg dagelijks bij haar verbleef, steeds alleen voor haar rekening heeft genomen.

Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat de heer [Z.] een auto van de vrouw tot zijn beschikking had en deze blijkens het onderzoeksrapport dagelijks gebruikte gedurende de observatieperiode. De vrouw heeft hieromtrent verklaard dat zij in oktober 2008 bedoelde Toyota RAV (met kenteken [kentekennummer A.]) heeft gekocht en dat zij op dat moment reeds een Toyota (Yaris met kenteken [kentekennummer B.]) bezat. De Toyota RAV heeft zij direct na aanschaf aan de heer [Z.] ter beschikking gesteld. Deze handelwijze van de vrouw past naar het oordeel van het hof veeleer bij een affectieve relatie en (bijbehorende) wederzijdse verzorging dan bij de stelling van de vrouw dat zij deze auto heeft betaald en deze aan de heer [Z.] ter beschikking heeft gesteld in het kader van een vriendendienst. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de overeenkomst van geldlening, overgelegd door de vrouw in hoger beroep, gedateerd is op 6 juni 2010, overigens zonder rentebepaling. Wanneer de vrouw inderdaad zekerheid wilde voor de terugbetaling van het door haar aan de heer [Z.] geleende bedrag – zoals door haar bepleit door te stellen dat zij niet voor niets het kenteken van de Toyota RAV op haar naam heeft laten registreren – had zij deze overeenkomst naar de overtuiging van het hof direct moeten aangaan en niet bijna twee jaar na aankoop en terhandstelling van de betreffende auto.

3.5.9. Op grond van de vorengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, benevens in acht genomen het oordeel van het hof dat de heer [Z.] met de vrouw samenwoonde in haar woning in [woonplaats], is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

3.5.10. Al het vorenstaande brengt het hof tot de slotsom dat de vrouw vanaf (in ieder geval) 1 oktober 2009 tot (in ieder geval) januari 2010 heeft samengewoond met de heer [Z.] als waren zij gehuwd, zodat de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw met ingang van 1 oktober 2009 van rechtswege is komen te vervallen.

3.5.11. Nu naar het oordeel van het hof vaststaat dat de alimentatieverplichting van de man van rechtswege is geëindigd op 1 oktober 2009, wordt zijn verzoek tot terugbetaling toegewezen. De door de man aan de vrouw betaalde alimentatietermijnen betreffende de periode vanaf 1 oktober 2009 dient de vrouw aan de man terug te betalen.

Proceskosten en wettelijke rente

3.5.12. In hetgeen door de man dan wel door de vrouw ter zake is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

Evenmin ziet het hof aanleiding om het verzoek van de man tot betaling van de wettelijke rente over de terug te betalen alimentatietermijnen toe te wijzen, welk verzoek de man blijkens zijn stellingen in eerste aanleg baseert op onrechtmatig handelen van de vrouw jegens hem. Daargelaten dat de man niet heeft verzocht om vast te stellen dat de vrouw jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, biedt de verzoekschriftprocedure hiervoor naar het oordeel van het hof geen ruimte.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 6 oktober 2010;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de verplichting van de man om levensonderhoud aan de vrouw te verschaffen ingevolge het bepaalde in artikel 1:160 BW is ge ëindigd op 1 oktober 2009;

bepaalt dat de vrouw de van de man ontvangen alimentatietermijnen ter zake de periode vanaf 1 oktober 2009 aan de man dient terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.N. van der Spoel en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature