Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Schadevergoeding na door rechtbank vernietigde bouwvergunning; enkel compensatie voor stijging bouwkosten. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 10/1745

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Eiser te woonplaats,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder.

Procesverloop

Naar aanleiding van een verzoek van eiser van 17 februari 2009, heeft verweerder bij besluit van 16 februari 2010 een schadevergoeding aan eiser toegekend ten bedrage van € 1.467,03. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 31 augustus 2010 (gedeeltelijk) gegrond verklaard. De hoogte van de schadevergoeding heeft verweerder bepaald op € 1.814,80. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 januari 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door L. Ras. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Rispens en P.E. Visser.

Overwegingen

1. De feiten

Op 29 januari 2002 heeft verweerder aan eiser een sloopvergunning verleend voor het slopen van een werktuigberging op zijn perceel aan de (…) te (…). Op 16 april 2002 heeft verweerder aan hem een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een (nieuwe) werktuigberging. Op of omstreeks 18 april 2002 heeft eiser de bestaande werktuigberging geamoveerd.

Tegen de bouwvergunning is door een derde bezwaar gemaakt. Nadat dit bezwaar ongegrond was verklaard, heeft de rechtbank bij uitspraak van 8 november 2002 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, met vernietiging van het besluit op bezwaar en schorsing van de bouwvergunning. Op 19 december 2002 heeft eiser verweerder verzocht om de bouwvergunning in te trekken.

Bij brief van 9 januari 2003 heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden als gevolg van de gebrekkige en ten opzichte van hem onrechtmatige besluitvorming. Op 31 maart 2003 heeft verweerder dat verzoek afgewezen.

Op 7 maart 2003 heeft verweerder opnieuw een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe werktuigberging. Ook daartegen is door een derde bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 12 december 2003 gegrond verklaard, met vernietiging van het bestreden besluit en schorsing van de bouwvergunning. Bij uitspraak van 6 oktober 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 2 november 2004 heeft verweerder het tegen de bouwvergunning gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, waarna de bouwvergunning onherroepelijk is geworden. Hierna heeft eiser de nieuwe werktuigberging gerealiseerd.

2. Het geschil

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door de gebrekkige en ten opzichte van hem onrechtmatige besluitvorming door verweerder schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt. De schade bestaat volgens hem uit – kort samengevat – de kosten van het elders stallen van voertuigen en machines, een tussentijdse stijging van de bouwkosten en de kosten van rechtsbijstand en bijkomende kosten (totaal: € 54.924,26 excl. wettelijke rente).

De door verweerder toegekende schadevergoeding betreft uitsluitend een compensatie voor de stijging van de bouwkosten in de periode van 18 juli 2003 (de dag waarop een besluit op bezwaar met betrekking tot de tweede bouwvergunning had moeten worden genomen) tot en met 14 december 2004 (de dag waarop de tweede bouwvergunning onherroepelijk geworden is). De andere schadeposten komen volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder het verzoek om schadevergoeding, voor zover niet toegekend, terecht heeft afgewezen.

3. De beoordeling

3.1 Verjaring

Met inachtneming van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel III, eerste lid, van de Vierde Tranche Algemene wet bestuursrecht , stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeit dat een vordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon bekend is geworden.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van eiser is verjaard voor zover de schade het gevolg zou zijn van het op 8 november 2002 door de rechtbank vernietigde besluit en de gelijktijdig geschorste bouwvergunning. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser, zo blijkt uit zijn verzoek om schadevergoeding van 9 januari 2003, toen al bekend was met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon. Ten aanzien van dit gedeelte van de vordering is de verjaringstermijn v??r het indienen van het onderhavige verzoek om schadevergoeding verstreken. Gesteld noch gebleken is dat de verjaringstermijn tussentijds is gestuit.

Voor zover de vordering van eiser niet is verjaard, overweegt de rechtbank het volgende.

3.2 Stallingskosten

Ten aanzien van de kosten van het elders stallen van voertuigen en machines overweegt de rechtbank dat eiser tot (omstreeks) 18 april 2002 over een werktuigberging beschikte. Hij heeft de werktuigberging geamoveerd voordat de bouwvergunning voor een nieuwe werktuigberging onherroepelijk was. In verband hiermee is de rechtbank van oordeel dat de door eiser gevorderde schade niet het rechtstreekse gevolg is van de besluitvorming met betrekking tot de bouwvergunning, maar van het – voortijdig – amoveren van de ‘oude’ werktuigberging. Daarom ontbreekt een voldoende causaal verband tussen de schade en de besluitvorming met betrekking tot de bouwvergunning, zodat deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Eiser heeft hierover aangevoerd dat hij op grond van de sloopvergunning verplicht was om de werktuigberging binnen 26 weken te amoveren. De rechtbank volgt dat standpunt niet. In de sloopvergunning staat dat de sloopvergunning kan worden ingetrokken als niet binnen 26 weken met de uitvoering van de werkzaamheden wordt gestart. Van een verplichting om binnen deze periode met de uitvoering te starten is geen sprake. Evenmin is sprake van een verplichting van verweerder om na het ongebruikt verstrijken van deze periode tot intrekking over te gaan.

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat deze schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de door eiser geclaimde schadeposten die met het tussentijds huren en gebruiken van stallingsruimte elders verband houden, zoals autokosten, benzinekosten en ‘manuren’. Bovendien zijn deze schadeposten onvoldoende onderbouwd. Ook deze schadeposten heeft verweerder terecht niet vergoed.

3.3 Stijging bouwkosten

Verweerder heeft de toegekende schadevergoeding voor de stijging van de bouwkosten op cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (het CBS) gebaseerd. Uit die cijfers is gebleken dat de bouwkosten in de periode van 18 juli 2003 tot en met 14 december 2004 met 2,6% zijn gestegen. Dit stijgingspercentage is door eiser niet betwist.

Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat de staalprijs enorm is gestegen en dat een gewijzigd bouwplan tot extra kosten heeft geleid, waaronder aanvullend heiwerk, nieuwe tekeningen en constructieberekeningen.

De rechtbank overweegt hierover in de eerste plaats dat eiser niet heeft gespecificeerd welk gedeelte van deze schadepost verband houdt met de gestegen staalprijs en welk gedeelte met het gewijzigde bouwplan en de daarmee samenhangende extra kosten.

Daarbij komt dat eiser niet heeft onderbouwd met welk percentage de staalprijs is gestegen en in hoeverre die stijging niet al is verdisconteerd in het stijgingspercentage van de bouwkosten, zoals blijkt uit de cijfers van het CBS.

Ten aanzien van de extra kosten die verband houden met de wijziging van het bouwplan stelt de rechtbank bovendien vast dat het bouwplan, voor de uitvoering waarvan eiser uiteindelijk een bouwvergunning heeft gekregen, afwijkt van het eerste bouwplan. De vorm van de werktuigberging is veranderd en de oppervlakte is vergroot. Niet gebleken is dat voor deze wijzigingen een noodzaak bestond. Ter zitting is gebleken dat de wijzigingen berusten op een keuze van eiser en dat het laatste bouwplan niet na overleg met verweerder tot stand is gekomen. De kosten van deze wijzigingen behoren tot de risicosfeer van eiser en kunnen dan ook niet op verweerder worden afgewenteld.

Om deze redenen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat ook de tweede schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt.

3.4 Rechtsbijstandskosten

Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij in verband met de procedures rechtsbijstandskosten en bijkomende kosten heeft moeten maken. Het betreft kosten van rechtshulpverleners en auto- en telefoonkosten.

Ten aanzien van de kosten van rechtshulpverleners vloeit uit artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voort dat een proceskostenveroordeling niet alleen kan worden uitgesproken ten gunste van een eisende partij, maar ook ten gunste van derde-partijen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 5 oktober 2000 (zaaknummer: 199900268) overwogen dat met artikel 8:75 van de Awb is beoogd een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter te bieden om een partij te voordelen tot vergoeding van de proceskosten van de andere partij. Daaruit vloeit voort dat voor vergoeding van proceskosten door middel van een verzoek om een zuiver schadebesluit geen plaats is.

In de uitspraak van de rechtbank en de Afdeling met betrekking tot de tweede bouwvergunning heeft geen proceskostenveroordeling ten gunste van eiser plaatsgevonden. Eiser kan de kosten van rechtshulpverleners niet door middel van het onderhavige verzoek om schadevergoeding alsnog vergoed krijgen.

De auto- en telefoonkosten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gespecificeerd. Evenmin is voldoende onderbouwd in hoeverre deze kosten kunnen worden toegerekend aan het vermeende schadeveroorzakende besluit. Deze kosten komen daarom ook niet voor schadevergoeding in aanmerking.

3.5 Conclusies

Om de hierboven genoemde redenen zal de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, mr W.J.B. Cornelissen, en mr. J.W.M. Bunt, rechters, en door de voorzitter en mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature