Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Burenrecht. Onrechtmatige hinder door bouw garage met nokhoogte 4 meter tegen erfgrens? Nee.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 292877 / HA ZA 10-1979

Vonnis van 4 mei 2011

in de zaak van

1. [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. M. Herens te Almere,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers]. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2011 en de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers]. is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. [gedaagde] is eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats]. Partijen zijn achterburen; hun achtertuinen grenzen aan de achterzijde tegen elkaar.

2.2. [gedaagde] heeft aan de linkerkant van zijn achtertuin een garage laten bouwen, nadat hij daartoe een bouwvergunning had aangevraagd en verkregen. De garage heeft een puntdak, waarvan de nokhoogte 4 meter is. De goothoogte van de garage is (ongeveer) 2,6 meter hoog. De garage is met de korte kant tegen (of vlak langs) de grens met het perceel van [eisers]. aangebouwd.

2.3. De buren van [eisers]. die op het adres [adres 3] wonen, hebben (in het verleden) eveneens een garage in hun achtertuin gebouwd. Deze garage is ongeveer 5,5 meter hoog en grenst aan de linkerzijde van de achtertuin van [eiser].

2.4. [eisers]. heeft zelf (in het verleden) zijn woning uitgebouwd, waarbij hij ongeveer de helft van de oppervlakte zijn achtertuin heeft bebouwd. De uitbouw is hoofdzakelijk aan de linkerhelft van zijn achtertuin gerealiseerd, tegen de perceelsgrens met [adres 3] aan. De rechterhelft van de achtertuin van [eisers]. fungeert nog als tuin. De garage van [gedaagde] grenst aan dit gedeelte van de achtertuin van [eisers].

2.5. De achtertuin van [eisers]. is gelegen op het noordwesten.

3. Het geschil

3.1. [eisers]. vordert samengevat - dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om zijn garage te verlagen en verlaagd te houden tot een hoogte van 2,6 meter en om de garage te voorzien van een plat dak, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eisers]. grondt zijn vordering op artikel 5:37 juncto 6:162 van het Burgerlijk Wetboek . Hij voert aan dat het puntdak van de garage van [gedaagde] onrechtmatige hinder aan hem toebrengt, doordat de inval van (zon)licht in zijn tuin ernstig wordt belemmerd, evenals zijn uitzicht op de lucht. [eisers]. stelt voorts dat hij door de hoogte van de garage van [gedaagde] in combinatie met de hoogte van de garage van zijn buren aan de linkerzijde, het gevoel heeft te zijn ingebouwd. Met de bouw van de garage van [gedaagde] is volgens [eiser] een kokereffect ontstaan, dat het verlies van lichtinval en uitzicht in hoge mate versterkt.

4.2. [gedaagde] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat van onrechtmatige hinder geen sprake is. Van derving van zonlicht is volgens hem niet of nauwelijks sprake, aangezien de tuin van [eisers]. op het noordwesten is gelegen en de garage, gezien zijn positionering en gezien de stand en draaiing van de zon, met name schaduw werpt in de tuinen van de [adres 4] en de [adres 5] en niet of nauwelijks in de tuin van [eisers]. Ook anderszins is volgens [gedaagde] geen sprake van een zodanige derving van licht of uitzicht dat sprake is van een onrechtmatige situatie. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat er voorheen een coniferenhaag langs de achterzijde van zijn tuin stond, die ook reeds 3,5 meter hoog was, en dat er in de linkerachterhoek voorts een nog hogere boom stond. Daarnaast stelt hij dat [eisers]. zelf debet is aan het gevoel opgesloten te zijn, aangezien [eisers]. (meer dan) de helft van zijn achtertuin heeft volgebouwd. En ook de linkerburen van [eisers]. hebben een hoge garage gebouwd. Van een kokereffect is bovendien geen sprake, omdat zijn garage met de korte kant tegen de achterzijde van de achtertuin van [eiser] is gebouwd. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij belang heeft bij de garage in zijn huidige vorm en omvang, aangezien zijn woning een kleine arbeiderswoning is, met een oppervlakte van slechts 110 vierkante meter en weinig bergruimte heeft. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat [eiser] en veel andere buren eveneens hebben bijgebouwd, zoals ook uit de kaart blijkt. Voorts sluit het puntdak van de garage, die is ontworpen door een architect, aan bij de stijl van de woning.

4.3. De maatstaf die wordt gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, is dat dit afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid –mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat [eisers]. onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat (het dak van) de garage leidt tot een substantiële vermindering van zon in zijn tuin. [gedaagde] heeft aan de hand van de kadastrale kaart en een aantal foto’s gemotiveerd uiteengezet dat de schaduw van de garage, gezien de stand en draaiing van de zon, met name in de tuinen van de [adres 2] en de [adres 5] valt en dat de garage hooguit aan het einde van de dag een klein puntje extra schaduw in de tuin van [eisers]. werpt, dat in omvang en in tijd beperkt is. In reactie hierop heeft [eisers]. volstaan met de enkele opmerking dat de extra schaduw toch vrij substantieel is en dat dit blijkt uit de bij dagvaarding overgelegde foto’s. Dit blijkt echter niet zonder meer uit die foto’s, nu de schaduwvorming die daarop te zien is tevens wordt veroorzaakt door de schutting die op de perceelsgrens staat. Bij gebreke van een nadere onderbouwing op dit punt, legt deze opmerking van [eisers]. onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het gemotiveerde betoog van [gedaagde], zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Dat betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat de garage slechts in zeer geringe mate extra schaduw in de tuin van [eisers]. werpt.

4.5. Dat laat echter onverlet dat (het dak van) de garage van [gedaagde] de lichtinval in de tuin van [eisers]. vermindert en het uitzicht van [eisers]. belemmert.

In het onderhavige geval gaat het om een garage die, zoals op de door [eisers]. overgelegde foto’s duidelijk te zien is, flink uitrijst boven de twee meter hoge schutting die op de perceelsgrens staat. Hoe hoog de voormalige coniferenhaag en de boom in de linkerachterhoek van de tuin van (de rechtsvoorgangster van) [gedaagde] precies waren, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven, nu het uitzicht op een garage iets wezenlijk anders is dan het uitzicht op bomen en struiken. Dat [eisers]. hinder ondervindt van (het puntdak van) de garage van [gedaagde], staat voor de rechtbank dan ook buiten twijfel. De rechtbank overweegt voorts dat (het dak van) de garage van [gedaagde] een permanent verlies aan licht en uitzicht voor [eisers]. betekent, nu de garage is gebouwd met het doel daar te blijven staan en niet slechts voor een korte periode is opgericht.

4.6. Met betrekking tot de mate van hinder die door (het dak van) de garage van [gedaagde] aan [eisers]. wordt toegebracht, overweegt de rechtbank het volgende.

De stelling van [eisers]. dat sprake is van een kokereffect, wordt verworpen. De garage van [gedaagde] grenst immers aan de achterzijde van de tuin van [eisers]., terwijl de garage van de buren van [eisers]. die aan de [adres 3] wonen, aan de linker zijkant van de tuin van [eisers]. grenst. Bovendien zijn beide garages met de korte zijde tegen het perceel van [eisers]. aangebouwd. Van een kokereffect is dan geen sprake. Dat laat echter onverlet dat aan twee zijden van de achtertuin van [eisers]. sprake is van vrij hoge bebouwing. Dat [eisers]., als hij zich in zijn achtertuin bevindt, het gevoel heeft te zijn ingesloten door bebouwing, is tot op zekere hoogte voorstelbaar, maar de door hem zelf gerealiseerde bebouwing is hier mede debet aan. [eisers]. heeft immers de helft van zijn achtertuin bebouwd, waarbij een deel van de gerealiseerde uitbouw, zoals hij ter comparitie op de overgelegde foto’s heeft aangewezen, is voorzien van een extra verdieping. Een deel van de bebouwing van [eisers]. zelf is derhalve eveneens vrij hoog en voorts is de feitelijk nog resterende achtertuin van [eisers]. aanzienlijk verkleind, waardoor ook de afstand tot de garage van [gedaagde] aanzienlijk kleiner is dan zonder de door [eisers]. gerealiseerde uitbouw het geval zou zijn geweest. De mate waarin [eisers]. hinder ondervindt van de garage van [gedaagde] wordt aldus vergroot door de door [eisers]. zelf gerealiseerde extra bebouwing.

4.7. De rechtbank neemt voorts in aanmerking het belang van [gedaagde] bij de garage in zijn huidige vorm. Als onbetwist staat vast dat de woning van [gedaagde] een beperkte omvang heeft, te weten 110 vierkante meter. Dat [gedaagde] behoefte heeft aan extra bergruimte is dan ook voorstelbaar. Voorts kan worden aangenomen dat hij niet alleen staat in zijn behoefte aan extra ruimte; [eisers]. en de bewoners van [adres 3] hebben immers eveneens bijgebouwd op hun perceel en [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat dit ook voor veel andere buurtbewoners geldt. De rechtbank verwerpt de in dit verband opgeworpen stelling van [eisers]. dat 110 vierkante meter voldoende woonruimte is voor [gedaagde] omdat hij alleen is en dat hijzelf drie kinderen heeft en daarom, in tegenstelling tot [gedaagde], wel belang heeft bij zijn eigen uitbouw. Gezien de leeftijd van [gedaagde] en de levensfase waarin hij zich (gelet op hetgeen hij daarover ter comparitie heeft verteld) bevindt, gaat de rechtbank er van uit dat [gedaagde] de woning niet alleen zal blijven bewonen. Voorts gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [eisers]. dat [gedaagde] ook een dakkapel had kunnen realiseren om extra (berg)ruimte te creëren, nu [gedaagde] deze stelling ter comparitie gemotiveerd heeft weerlegd en [eisers]. hierop vervolgens niet meer hebben gereageerd.

In het kader van de afweging van de belangen van partijen weegt de rechtbank verder mee dat de garage van [gedaagde] in zijn huidige staat (voorzien van een puntdak met dakpannen), zoals ook zichtbaar is op de overgelegde foto’s, aansluit bij de stijl van de woning van [gedaagde] en van de omliggende woningen.

4.8. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van onrechtmatige hinder. Dat betekent dat de vordering van [eisers]. zal worden afgewezen.

4.9. [eisers]. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.167,00

4.10. De nakosten, waarvan [gedaagde] betaling vordert, zijn toewijsbaar en zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisers]. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.167,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [eisers]. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature