Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek verstrekking minuut v/e beschikking op grond van de WOB en de Wbp . Het door verweerder gestelde belang van ongestoorde gedachtenwisseling onder ambtenaren is geen gewichtig belang als bedoeld in artikel 43 van de Wbp op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op het recht van eiser op kennisneming. Verweerder is echter niet zonder meer gehouden de minuut integraal te verstrekken. Het in het verweerschrift afwijzen van het verzoek op grond van de WOB is om procesecconomische redenen aangemerkt als primair besluit. Verweerder dient in een nieuw besluit op bezwaar tevens de bezwaren tegen dit besluit op grond van de WOB te betrekken.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/350 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.J.G. Uiterwaal,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde mr. B.M. Kristel.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om toezending van de minuut van de beschikking van 11 augustus 2009 afgewezen.

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2011. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Bij fax van 19 augustus 2009 heeft eiser verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om toezending van de minuut van een op eiser betrekking hebbende toewijzende beschikking van 10 augustus 2009.

1.2 Bij brief van 25 augustus 2009 heeft eiser een herhaald verzoek gedaan om inzage in zijn persoonsgegevens, naar aanleiding van de brief van verweerder van 20 augustus 2009, waarin verweerder reageert op het verzoek tot inzage in de minuut. Eiser merkt daarbij op dat zijn verzoek ook moet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

1.3 Bij primair besluit heeft verweerder besloten dat de persoonsgegevens van eiser, neergelegd in de minuut van 11 augustus 2009, niet ter inzage worden gegeven, omdat dit in strijd zou komen met artikel 43, onder e, van de Wbp, aangezien de rechten en vrijheden van anderen in het geding zijn.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de minuut bij een brief of beschikking dient als weergave van een voorstel van een ambtenaar aan zijn leidinggevende(n). Daarin wordt, naast de persoonsgegevens van de betrokken vreemdeling waarvan bekend is dat de IND die bezit, een analyse van de zaak gegeven. Deze analyse valt niet onder het inzagerecht van de Wbp. De verantwoordelijke, in het onderhavige geval verweerder en de onder diens verantwoordelijkheid werkende personen, waaronder begrepen de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), hebben er belang bij om in vrijheid met elkaar van gedachten te kunnen wisselen over individuele zaken, zonder dat de persoon om wie het gaat kennis kan hebben van hetgeen daarover op papier is gezet. Bovendien wordt een minuut op een verkeerde manier opgevat. De minuut geeft de aanzet tot de interne discussie, maar is nooit de volledige weergave daarvan. Verweerder verwijst ter ondersteuning van dit standpunt naar de Nota naar aanleiding van het Verslag bij het wetsvoorstel voor de Vreemdelingenwet 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 732, nr. 7, hierna: de Nota). In de brief van 20 augustus 2009 is reeds aangegeven welke persoonsgegevens in de minuut van 11 augustus 2009 zijn opgenomen. Daarmee is aan het verzoek tot inzage tegemoet gekomen.

1.5 Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de minuut met daarin de analyse van de zaak wel degelijk persoonsgegevens in de zin van de Wbp betreffen. Het standpunt van verweerder, dat met de brief van 20 augustus 2009 voldoende tegemoet is gekomen aan het verzoek om inzage, is onjuist. Verweerder heeft op geen enkele manier inzage gegeven in de wijze waarop tot het besluit tot inwilliging van de verblijfsvergunning is gekomen, noch welke persoonsgegevens van eiser in de beoordeling zijn betrokken. Verweerder kan niet volstaan met een summiere en globale duiding van de gestelde inhoud van de minuut. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat er sprake is van het belang van een ongestoorde gedachtewisseling. Een minuut is een voorstel voor een afdoening op basis van de persoonsgegevens van in dit geval eiser. Er is dan niet zonder meer sprake van een gedachtewisseling. Verweerder heeft dit slechts gesteld en ten onrechte niet nader gemotiveerd. Het is niet goed denkbaar waarom de noodzaak tot de bescherming van de rechten van verweerder thans – sinds de nieuwe IND-werkinstructie – aan de orde zou zijn, terwijl vóór deze werkinstructie de minuten wel werden verstrekt. Daarnaast heeft eiser in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of een – al dan niet gedeeltelijke – openbaarmaking van de minuut op grond van de Wob had kunnen plaatsvinden.

2. Wettelijk kader

2.1 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder persoonsgegeven elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

2.2 Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Ingevolge het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

2.3 Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp - voor zover thans van belang - kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennis genomen van de door verweerder overgelegde vertrouwelijke minuut. De rechtbank stelt vast dat in de minuut persoonsgegevens van eiser staan vermeld.

3.2 In geschil is de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen zoals bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp dient te prevaleren boven het belang dat eiser heeft bij verstrekking van de minuut van 11 augustus 2009.

3.3 De Afdeling bestuurrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld dat niet ieder gewichtig belang van een ander dan de verzoeker tot inzage kan worden aangemerkt als een recht of vrijheid in de zin van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. Het door verweerder aangevoerde belang van hemzelf als verantwoordelijke en van de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen, waaronder begrepen de ambtenaren van de IND, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als een zodanig gewichtig belang, dat dit het buiten toepassing laten van artikel 35, tweede lid, van de Wbp rechtvaardigt. Bij een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker gaat het om gewichtige belangen op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op het recht van de betrokkene op kennisneming. Het belang van de ongestoorde gedachtewisseling tussen ambtenaren behoort daar niet toe. De verwijzing naar hetgeen is vermeld in de Nota leidt voorts niet tot het oordeel dat er sprake is van een gewichtig belang dat het buiten toepassing laten van artikel 35, tweede lid, van de Wbp rechtvaardigt, reeds omdat het daarbij gaat om een Vreemdelingenwet die niet in deze procedure toepasselijk recht behelst. De stelling van verweerder dat sommigen de minuut op een verkeerde manier opvatten, leidt daar evenmin toe (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BP2831).

3.4 Reeds op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van eiser ondergeschikt is aan het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, aangezien de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde belang van de ongestoorde gedachtewisseling tussen ambtenaren geen gewichtig belang is op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op het recht van eiser op kennisneming. De rechtbank overweegt dat er, gelet op het voorgaande, geen sprake is van een weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 43 van de Wbp waar verweerder zich op kan beroepen.

3.5 De Afdeling heeft in dezelfde uitspraak overwogen dat het vorenstaande niet betekent dat verweerder zonder meer is gehouden de minuut integraal aan eiser te verstrekken. De Wbp voorziet niet in een recht op inzage in de stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. Gegeven het aan de Wbp ten grondslag liggende transparantiebeginsel is inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen aan de orde indien niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst daarvan, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden.

3.6 De rechtbank dient in het onderhavige geval te onderzoeken of verweerder bij brief van 20 augustus 2009 op adequate wijze heeft voorzien in een dergelijke kennisgeving. Uit de hierboven aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat verweerder in een geval als het onderhavige, waarin de minuut is opgemaakt ter voorbereiding van de besluitvorming in de zaak van eiser, behoudens toepasselijkheid van artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden, gehouden is tot verstrekking van een overzicht van de over eiser verwerkte persoonsgegevens, alsmede van informatie over het doel van de verwerking, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. Hierbij kan rekening worden gehouden met de omstandigheid dat eiser in het bezit is van de processtukken in de zaak en worden bezien in hoeverre kan worden volstaan met een verwijzing naar die stukken.

3.7 In de brief van 20 augustus 2009 heeft verweerder eiser meegedeeld dat in de minuut, waarin een verblijfsvergunning asiel is verleend, kort weergegeven, een opsomming wordt gegeven van de relevante stappen in de gevoerde procedure(s) tot aan het moment van de beschikking en er wordt aangegeven dat er reden is om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. In de beschikking is aangegeven op welke grond de verblijfsvergunning is verleend. Daarbij is volgens verweerder niet vereist dat ingegaan wordt op de redenen om niet op een andere grond in te willigen. Verweerder heeft hier in beroep aan toegevoegd dat de analyse in de minuut een juridische analyse van de zaak betreft en geen andere persoonsgegevens bevat dan de persoonsgegevens die reeds bij eiser bekend zijn. De gegevens blijken volgens verweerder reeds uit de stukken welke zich in het dossier bevinden, zoals het verslag van het eerste en nadere gehoor.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de brief van 20 augustus 2009 niet op adequate wijze heeft voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst en de gebruikers daarvan. Het doel van de verwerking, de verlening van de verblijfsvergunning asiel, blijkt wel uit de brief van 20 augustus 2009, maar dit gegeven is onvoldoende om aan te nemen dat verweerder aan de uit de Wbp voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd aangegeven in hoeverre rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiser reeds in het bezit was de processtukken.

3.9 De rechtbank zal het beroep van eiser gegrond verklaren. Verweerder dient, met inachtneming van deze uitspraak, zich opnieuw te buigen over de vraag of eiser op grond van de Wbp recht heeft op verstrekking van een afschrift van de minuut van 11 augustus 2009 of dat met een nader gemotiveerde schriftelijke mededeling kan worden volstaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen de motivering nader aan te vullen, gelet op hetgeen hieronder wordt overwogen.

3.10 Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder het verzoek ten onrechte niet tevens heeft beoordeeld in het kader van de Wob. Verweerder heeft het verzoek van eiser om inzage op grond van de Wob aangemerkt als een verzoek om inzage op grond van de Wbp. De rechtbank stelt vast dat verweerder eerst in het verweerschrift is ingegaan op dit Wob-verzoek. Tot het moment waarop het onderzoek is gesloten heeft verweerder niet alsnog een primair besluit genomen in het kader van het verzoek van eiser om - inzage in - de minuut op grond van de Wob. Wel heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat eisers beroep op de Wob in een in dat kader nog te nemen besluit zal worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob alsmede artikel 11, eerste lid, van de Wob.

3.11 De rechtbank acht het om proceseconomische redenen geraden deze overwegingen van verweerder aan te merken als een afwijzend primair besluit, waartegen eiser tijdig in bezwaar is gekomen. In rechtsoverweging 3.9 heeft de rechtbank overwogen dat verweerder zal worden opgedragen opnieuw op de bezwaren tegen afwijzing van het Wbp-verzoek te beslissen. Gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 3.10 is overwogen, draagt de rechtbank verweerder tevens op om eiser in de gelegenheid te stellen zijn bezwaren tegen het als primair besluit aangemerkte onderdeel van het verweerschrift nader schriftelijk te onderbouwen, en zo nodig te horen, zodat verweerder in het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens op de bezwaren tegen afwijzing van het Wob-verzoek, kan besluiten.

4. Conclusie

4.1 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond zal worden verklaard en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. Verweerder zal worden opgedragen binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.2 Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht in beroep begroot op € 874,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift ad € 437,- per punt). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 150,- aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de bezwaren;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature