Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verlenging uithuisplaatsing - artikel 1:261 BW - De minderjarige wordt bedreigd in haar sociaal emotionele ontwikkeling doordat de moeder geen inzicht heeft in de ontwikkelingsbehoefte van de minderjarige en de moeder daar niet goed bij kan aansluiten. De moeder is van mening dat de minderjarige de oorzaak is van de problemen en dat zij zelf niets hoeft te leren.

Nu de moeder niet beschikt over voldoende pedagogische vaardigheden die nodig zijn in de opvoeding van de minderjarige voor een evenwichtige sociaal-emotionele ontwikkeling en tevens is vast komen te staan dat de moeder niet verder leerbaar is, is het hof – evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt – van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 BW .

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 4 mei 2011

Zaaknummer: HV 200.082.654/01

Zaaknummer eerste aanleg: 222083/JE RK 10-2368 MZ 13

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J.C.W. van de Ven,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd en mede kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 december 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2011, heeft de moeder verzocht, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, primair voor zover het betreft de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarige en subsidiair voor zover het betreft de duur van de uithuisplaatsing van één jaar en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de stichting tot verlenging van de uithuisplaatsing alsnog af te wijzen, dan wel een beperktere termijn te stellen dan in eerste aanleg is gedaan.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 maart 2011, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking in stand te laten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. A.J.C.W. van de Ven;

- de heer [Y.] (hierna te noemen: de vader);

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer L. Avastia (hierna te noemen: de gezinsvoogd) en de heer H. van Iersel;

- mevrouw [Z.], hierna te noemen: de pleegmoeder.

2.3.1. Hoewel behoorlijk opgeroepen is namens de Raad voor de Kinderbescherming – zoals aangekondigd bij brieven d.dis 25 februari 2011 en 2 maart 2011 – niemand verschenen.

2.3.2. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 december 2010;

- de brieven van de raad d.dis 25 februari 2011 en 2 maart 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 29 maart 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren [A.] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

Het gezag over [A.] berust bij de moeder.

3.2. [A.] staat sinds 18 december 2009 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 18 december 2011.

[A.] is op grond van een daartoe strekkende crisismachtiging in maart 2010 uit huis geplaatst. Zij verblijft sedert 29 maart 2010 in het huidige pleeggezin, sinds 6 april 2010 op basis van een daartoe strekkende machtiging uithuisplaatsing in een verblijf pleegouder 24-uurs. De pleegouders zijn de ouders van een voormalige klasgenoot van [A.].

3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [A.] met ingang van 18 december 2010 tot uiterlijk 18 december 2011, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

3.3.1. Volgens de moeder dient [A.] thuisgeplaatst te worden vanwege een aantal gewijzigde omstandigheden.

3.3.1.1. In maart 2010 is FFT (functionele gezinstherapie) gestart. In oktober 2010 is FFT afgesloten, waarbij is geconcludeerd dat het maximaal haalbare is bereikt tussen [A.] en de moeder. Door zowel de omstandigheid dat [A.] thans niet thuis woont als door FFT verloopt volgens de moeder de interactie tussen haar en [A.] adequaat en is het contact tussen haar en [A.] gezellig en positief. Hoewel de moeder zich vrijwillig tot hulpverlening heeft gewend, heeft zij nooit beoogd dat [A.] definitief uit huis zou worden geplaatst. Haar doel was een ‘time-out’ te realiseren en therapieën op gang te brengen.

3.3.1.2. Daarnaast stelt de moeder dat zij inzicht heeft in en kan aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van [A.]. Het oordeel van de rechtbank dat de moeder ervan overtuigd is dat er bij [A.] sprake is van een autisme spectrum stoornis behoeft nuancering.

In februari 2005 was – door psychiater [B.] – de diagnose gesteld dat [A.] ADHD en Asperger kenmerken vertoonde. Psychiater [B.] is in zijn rapport van 30 september 2010 op deze diagnose teruggekomen. Het onderwijs en de hobby’s van [A.] zijn echter op deze eerdere diagnose afgesteld. De moeder kan de eerdere onderzoeksresultaten moeilijk terzijde schuiven, nu zij vijf jaar anders is omgegaan met [A.] vanwege de autisme spectrum stoornis.

[A.] gedraagt zich meestal sociaal wenselijk, maar als zij in een omgeving is waar zij zich veilig voelt – thuis bijvoorbeeld – ziet de moeder nog altijd de gedragingen bij [A.] die destijds tot de diagnose autisme spectrum stoornis leidden.

3.3.1.3. De moeder meent dat zij [A.] de structurerende, consequente en duidelijke aanpak kan bieden die [A.] nodig heeft, desnoods met behulp van ambulante begeleiding zoals FFT. Volgens de moeder dient een ambulant gezinsbegeleider te worden ingezet om het traject “naar huis” te laten aanvangen. Zij kan ermee instemmen dat de ondertoezichtstelling daarbij in stand wordt gelaten.

Ter zitting heeft de moeder gesteld geen opvoedingsvragen c.q. hulpvragen te hebben: zij meent over voldoende pedagogische vaardigheden te beschikken. De moeder blijft echter openstaan voor nieuwe ideeën en inzichten.

3.3.2. Het contact tussen [A.] en de moeder vindt thans wekelijks plaats van vrijdagavond 18.15 uur tot - vooralsnog - zaterdag 16.00 uur. De moeder acht de tijd die zij met [A.] kan doorbrengen te kort om het tijdens FFT geleerde in de praktijk te brengen en daarbij een situatie na te bootsen waarbij de moeder in grotere mate verantwoordelijk is voor de opvoeding en verzorging van [A.], te meer nu de stichting heeft aangekondigd uiterlijk in maart 2011 een definitief standpunt in te nemen ten aanzien van toekomstperspectief van [A.].

3.3.3. Indien het hof van oordeel is dat de uithuisplaatsing voortgezet dient te worden, verzoekt de moeder (subsidiair) de termijn gedurende welke de machtiging uithuisplaatsing van kracht is te verkorten. Nu FFT haar vruchten heeft afgeworpen, de moeder bereid is vrijwillige hulpverlening en de ondertoezichtstelling te aanvaarden en [A.] bovendien terug wil naar haar moeder, dient haars inziens eerder een toetsingsmoment te worden ingebouwd. De moeder vreest dat de stichting bij een te lange termijn achterover zal gaan leunen en de zaak op zijn beloop zal laten.

3.3.4. De moeder heeft ter zitting nog aangevoerd dat het haars inziens in niemands belang is dat de stichting thans – medio april 2011 – nog geen duidelijkheid heeft verschaft over het toekomstperspectief van [A.].

3.4. De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting het volgende aan.

3.4.1. De stichting bevestigt dat [A.] en de moeder zich beiden goed hebben ingezet teneinde de communicatie tussen hen te verbeteren, zodat de gestelde doelen van FFT gedeeltelijk bereikt zijn. Vooral [A.] heeft veel geleerd van FFT. Sommige problemen zijn echter niet oplosbaar vanwege de verschillende karakters van [A.] en de moeder.

3.4.2. De kern van de problemen zit in het feit dat de moeder van mening is dat [A.] de oorzaak van deze problemen is en dat de moeder zelf niets hoeft te leren. Volgens de stichting heeft de moeder geen inzicht in de ontwikkelingsbehoefte van [A.] en kan zij daar niet goed bij aansluiten, terwijl uit onderzoek is gebleken dat er bij [A.] geen sprake is van kindeigen factoren. De school en het pleeggezin zien [A.] dagelijks en zij geven aan dat zij niets autistisch laat zien in haar gedrag. Desondanks blijft de moeder volhouden dat [A.] autistisch is.

Hoewel de stichting begrijpt dat het voor de moeder moeilijk is om te accepteren dat er geen sprake is van kindeigen factoren, is het voor [A.] noodzakelijk dat dit wordt onderkend door de moeder.

3.4.3. Hoewel de stichting reeds uiterlijk maart 2011 een standpunt zou innemen ten aanzien van het toekomstperspectief van [A.], is de stichting daar thans medio april 2011 nog niet in geslaagd. Er zijn – zo voert de stichting in haar verweerschrift aan – nog veel zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder en de mate waarin dit haar pedagogische handelen beïnvloedt. Ook zijn er zorgen over de relatie en over de conflicten tussen [A.] en de moeder.

Gezien het voorgaande is er thans volgens de stichting in ieder geval geen basis voor thuisplaatsing van [A.] of voor een uitbreiding van de contactregeling tussen de moeder en [A.].

3.4.3.1. Om de pedagogische vaardigheden van de moeder te vergroten, heeft de gezinsvoogd voorgesteld om samen met de moeder in gesprek te gaan met haar behandelaar bij de GGzE. Hoewel de moeder hier aanvankelijk mee instemde, kwam zij steeds hierop terug en uiteindelijk heeft de moeder aan de gezinsvoogd medegedeeld dat zij stopt met haar behandeling en dat het gesprek derhalve niet meer zal plaatsvinden.

De moeder heeft evenmin gebruik willen maken van de door de pleegzorgwerker aangeboden begeleiding bij het vergroten en versterken van haar pedagogische vaardigheden, waarbij het verloop en een zorgvuldige opbouw van de contactregeling meegenomen zou kunnen worden.

3.4.3.2. Hoewel de gezinsvoogd samen met de gedragswetenschapper blijft zoeken naar een methode om de pedagogische kwaliteiten van de moeder te vergroten, heeft de gezinsvoogd ter zitting aangegeven dat de mogelijkheden beperkt zijn en dat een verdergaande maatregel wordt overwogen. De heer H. van Iersel heeft toegezegd dat er zeer spoedig duidelijkheid zal worden verschaft over het toekomstperspectief van [A.].

3.4.4. In het kader van het subsidiaire verzoek van de moeder voert de stichting aan dat haars inziens de machtiging tot plaatsing van [A.] terecht voor de duur van één jaar is verlengd. Hoewel de moeder stelt open te staan voor hulpverlening indien [A.] thuisgeplaatst zou worden, houdt zij slechts vast aan haar eigen visie – zonder zich te kunnen inleven in de visie van een ander of open te staan voor nieuwe inzichten – en diskwalificeert zij de hulpverlening.

3.4.5. De stichting concludeert dat er sprake is van een ouder-kind relatieprobleem en van problemen binnen de primaire steungroep. Nu er geen sprake is van kindeigen factoren is de leerbaarheid van de moeder belangrijk om deze problemen op te lossen. Gezien de hulpverleningsgeschiedenis en de ervaringen van de gezinsvoogd met de moeder, komt de stichting tot de conclusie dat de moeder onvoldoende leerbaar is gebleken.

3.4.6. De stichting heeft voorts de actuele stand van zaken toegelicht – voor zover hiervoor niet reeds besproken – vanaf de datum van de bestreden beschikking.

Het gaat goed met [A.] in het pleeggezin en op school. [A.] heeft veel vriendinnetjes en zij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. [A.] heeft veel zelfvertrouwen in de klas.

De contactregeling is tot 4 maart 2011 goed verlopen. De moeder meldde op deze datum dat zij [A.] thuis wilde hebben en als dat niet kon, wilde zij dat de contactregeling uitgebreid zou worden. Als de contactregeling niet uitgebreid kon worden, wilde de moeder dat [A.] haar op zondag kwam bezoeken: [A.] was niet meer welkom van vrijdag op zaterdag. Hoewel de stichting de moeder erop heeft gewezen dat de contactregeling niet kon worden gewijzigd, heeft de moeder [A.] voor een gesloten deur laten staan en haar teruggestuurd naar het pleeggezin. Op zaterdag heeft de moeder [A.] gebeld en gevraagd of zij toch wilde komen. Dat is niet gebeurd. Op maandag 7 maart 2011 heeft de moeder aangegeven dat zij ervan afzag om [A.] niet op vrijdag te ontvangen.

3.5. Het standpunt van [A.] ten aanzien van de uithuisplaatsing is – kort en zakelijk weergegeven – als volgt.

[A.] en de moeder hebben tijdens de contacten vaak – zoals de moeder dat noemt – “meningsverschillen”. De oorzaak van deze meningsverschillen is volgens [A.] dat haar moeder geen gezag over haar heeft. Als [A.] het niet eens is met de moeder, stelt ze zich ongehoorzaam op, omdat ze weet dat de moeder aan haar gedrag geen consequenties verbindt. Voorts zit het [A.] dwars dat haar moeder vaak onvoorspelbaar is. Zo is de moeder niet consequent in het stellen en/of naleven van regels, bijvoorbeeld in het kader van de contactregeling.

In het pleeggezin worden wél duidelijke regels gesteld en deze regels worden ook nageleefd. Hoewel [A.] deze regels niet altijd leuk vindt, gedraagt zij zich daar wel naar. [A.] weet dat ze anders straf krijgt. Bovendien is [A.] van mening dat zij het nodig heeft om op deze wijze gestuurd en begeleid te worden, bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat zij haar huiswerk maakt; daartoe is de moeder niet in staat, aldus [A.].

3.6. Ter zitting heeft de pleegmoeder verklaard dat zij het standpunt van de stichting deelt, in die zin dat zij ook van mening is dat thuisplaatsing niet in het belang van [A.] is.

Voorts heeft de pleegmoeder aangevoerd dat er momenteel naast [A.], vier andere kinderen in haar gezin verblijven die 10, 11, 14 en 16 jaar oud zijn. Hoewel [A.] aanvankelijk sociaal wenselijk gedrag liet zien, laat [A.] thans zien wie zij werkelijk is en gedraagt zij zich niet anders dan de andere in haar gezin verblijvende kinderen. [A.] kan haar emoties goed tonen en verwoorden en zij kan zich goed inleven in de emoties van anderen. De pleegmoeder ziet in het gedrag van [A.] geen ADHD en/of Asperger kenmerken.

3.7. Het hof overweegt het volgende.

3.7.1. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:257 lid 3 BW zijn, indien het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe noodzaken, de door de stichting geboden hulp en steun zoals bedoeld in artikel 1:257 lid 1 BW, meer dan op het vergroten van de mogelijkheden van de ouder om hun kind te verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige. Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.7.3. Uit onderzoek is gebleken dat er bij [A.] geen sprake is van kindeigen factoren.

[A.] heeft zich in het pleeggezin positief ontwikkeld. [A.] heeft baat bij de structuur, de vrijheid en de op haar leeftijd afgestemde verantwoordelijkheid die haar in het pleeggezin geboden wordt.

3.7.4. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [A.] wordt bedreigd in haar sociaal emotionele ontwikkeling doordat de moeder geen inzicht heeft in de ontwikkelingsbehoefte van [A.] en zij daar niet goed bij kan aansluiten. De moeder is van mening dat [A.] de oorzaak is van de problemen – de moeder blijft volhouden dat [A.] autistisch is – en dat zij zelf niets hoeft te leren. Gezien de hulpverleningsgeschiedenis en de ervaringen van de gezinsvoogd met de moeder, komt het hof tot de conclusie dat de moeder onvoldoende leerbaar is gebleken. Sterker nog: zelf heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep met zoveel woorden verklaard geen opvoedingsvragen te hebben.

3.7.5. Het hof concludeert dat de moeder niet beschikt over voldoende pedagogische vaardigheden die thans nodig zijn in de opvoeding van [A.] voor een evenwichtige sociaal-emotionele ontwikkeling en dat de moeder thans niet verder leerbaar is. Het hof is derhalve – evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt – van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 lid 1 BW .

3.7.6. De moeder heeft subsidiair verzocht de termijn gedurende welke de machtiging uithuisplaatsing van kracht is te verkorten. Gezien het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om het subsidiaire verzoek van de moeder toe te wijzen.

3.7.7. Het hof overweegt tot slot dat zo snel mogelijk duidelijkheid dient te worden verschaft over het toekomstperspectief van [A.]. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken is door de heer H. van Iersel toegezegd dat door de stichting spoedig een standpunt zal worden ingenomen ten aanzien van het toekomstperspectief van [A.].

3.8. Al het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 december 2010;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.A.J.T. van Teeffelen, L.T.L.G. Pellis en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature