Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vovo. Exploitatieverbod prostitutiebedrijf. Verzoek afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/998 VEROR

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

LBIA Entertainment,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

gemachtigde mr. J.A. de Boer,

en

de burgemeester van Amsterdam, namens deze, de Bestuursdienst,

verweerder,

gemachtigde mr. R. Osterwald en mr. J. Pot.

Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 14 februari 2011.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 maart 2011.

Verzoekster is vertegenwoordigd door [naam 1] en haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Tevens is verschenen [naam 2], werkzaam als vertrouwenspersoon bij het Prostitutie en gezondheidscentrum 292 van de GGD.

Overwegingen

1. inleidende bepalingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. feiten en omstandigheden

2.1. Aan verzoekster is op 11 februari 2009 een exploitatievergunning verleend voor de uitoefening van het prostitutiebedrijf. Zij oefent het bedrijf uit onder de naam [naam club]. Bij brief van 9 februari 2010 heeft verweerder verzoekster aangeschreven omdat er signalen zijn dat er wellicht handelingen worden verricht die strijdig zijn dan wel strijdigheid kunnen opleveren met de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), paragraaf 4.1. Het zou daarbij gaan om onveilig geslachtelijk verkeer tussen prostituees en klanten, waarbij beiden risico kunnen lopen op seksueel overdraagbare aandoeningen. Gelet daarop heeft verweerder verzoekster uitdrukkelijk gewezen op de verantwoordelijkheid die zowel bij de exploitant(en) als de leidinggevenden ligt ten aanzien van een optimale bescherming van zowel klanten als prostituees. Verweerder heeft er op gewezen dat de wijze van bedrijfsvoering in prostitutiebedrijven voor een belangrijk deel bepaald wordt door het bedrijfsplan en de bepalingen in de APV, waarin hygiënische voorschriften zijn vervat, zoals het standaard gebruik van condooms.

2.2. Op 18 maart 2010 heeft de Politie Amsterdam-Amstelland een bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarbij is gevoegd het verhoor van 17 maart 2010 van de vertrouwenspersoon prostituees bij het Prostitutie en gezondheidscentrum 292 van de GGD ( hierna: de vertrouwenspersoon). De vertrouwenspersoon maakt in dit proces-verbaal melding dat zij op het gezondheidscentrum van twee vrouwen meldingen heeft ontvangen dat zij binnen het prostitutiebedrijf van verzoekster orale seks zonder condoom aanbieden aangezien dit verplicht wordt gesteld door de bedrijfsleiding. Tevens maken deze medewerksters melding van slechte, onvrije werkomstandigheden. Op 13 april 2010 heeft de vertrouwenspersoon een gesprek met een derde medewerkster van het prostitutiebedrijf gehad. Blijkens het verslag van dit gesprek maakt ook deze medewerkster melding van onbeschermde seks binnen het prostitutiebedrijf van verzoekster en ook van slechte werkomstandigheden.

2.3. Op 20 juli 2010 heeft verweerder een vooraankondiging intrekking exploitatievergunning prostitutiebedrijf gedaan. Verweerder meldt dat na de aanschrijving van 9 februari 2010 signalen zijn van voortzetting van onveilige sekspraktijken. Kennelijk heeft verzoekster verzuimd adequate maatregelen te treffen teneinde de bedrijfsvoering ten aanzien van hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden in het prostitutiebedrijf tijdig en effectief te actualiseren en te verbeteren. Verweerder heeft het voornemen kenbaar gemaakt de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd in te trekken en dat binnen vier weken na verzending van het besluit de bedrijfsvoering beëindigd moet zijn en indien de bedrijfsvoering niet gestaakt wordt, bestuursdwang zal worden toegepast.

2.4. Op 31 augustus 2010 heeft de vertrouwenspersoon wederom een melding ontvangen van een in [naam club] werkzame prostituee. Volgens die melding zou door de exploitant van de [naam club] naar aanleiding de brief van de gemeente op de in het bedrijf werkzame prostituees druk zijn uitgeoefend om het gestelde in die brief door middel van verklaringen te ontkennen, hoewel een aantal vrouwen de door de gemeente gesignaleerde bezwaren onderschreef. Tevens zouden volgens die melding de prostituees van de exploitant niet meer het Prostitutie en gezondheidscentrum van de GGD mogen bezoeken.

2.5. Bij het primaire besluit van 24 september 2010 heeft verweerder gemotiveerd gereageerd op de zienswijze van verzoekster en conform het voornemen besloten.

2.6. Bij besluit 14 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Voorts heeft verweerder besloten geen dwangsom toe te kennen omdat alsnog binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaar is beslist.

2.7. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet aannemelijk heeft kunnen maken dat een reden voor de intrekking van de vergunning zich voordoet. Het besluit is derhalve in strijd genomen met de bepalingen van de APV en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De verklaringen van de prostituees zijn anoniem, dus niet controleerbaar. Dit geldt ook voor de internetpublicaties. Op verweerder rust echter een zwaardere bewijslast nu het gaat om een exploitatieverbod. Verweerder had bijvoorbeeld de medewerksters kunnen ondervragen. Ten slotte heeft verzoekster zowel tijdens de bezwaarschriftprocedure als bij brief van 9 maart 2011 tegenbewijs overgelegd, namelijk acht recente verklaringen van medewerksters dat de arbeidsomstandigheden goed zijn.

3. inhoudelijke beoordeling

3.1. Verweerder heeft gelet op het bestreden besluit de intrekking van de exploitatievergunning gegrond op artikel 3.34, eerste lid sub b, f, g en i van de APV. Ingevolge die bepaling kan verweerder een vergunning voor een prostitutiebedrijf intrekken als:

b. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.28 onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees of niet voldoet aan de nadere regels als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid; (.......)

f. de exploitant of leidinggevende het in artikel 3.32 en 3.33 bepaalde niet of onvoldoende nakomt; (…….)

g. in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen;

i. de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt

In artikel 3.28 APV is bepaald:

1. Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor een besloten prostitutiebedrijf wordt naast het aanvraagformulier ook een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staan beschreven:

a. het bedrijfsbeleid ten aanzien van de hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden van de prostituees;

b. de maatregelen die waarborgen dat de prostituees niet worden gedwongen tot prostitutie, tot prostitutie zonder condoom, tot gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken en

c. de geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied van het voorkomen van beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van de prostituees.

2. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen ter bescherming van de in het eerste lid onder a, genoemde belangen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.

Artikel 3.32, tweede lid APV luidt:

De exploitant van een besloten prostitutiebedrijf doet wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

3.2. De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) is van oordeel dat uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat verweerder een exploitatievergunning voor het prostitutiebedrijf kan intrekken als het bedrijfsplan onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees, de exploitant of leidingeven niet doet wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf en er in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen. De desbetreffende APV-bepalingen zijn gegrond op artikel 151a van de Gemeentewet waarin is bepaald dat de raad een verordening kan vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.

Dit artikel is erop gericht een wettelijke basis te bieden voor een gemeentelijk beleid ten aanzien van bedrijfsmatige prostitutie op basis van een vergunningenstelsel, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld onder andere met betrekking tot gedragseisen van de exploitant, bedrijfsvoering en arbeidsomstandigheden. Gelet op de hiervoor geciteerde APV-bepalingen acht de gemeentelijke wetgever de exploitant verantwoordelijk voor de goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf en de naleving van een bedrijfsplan dat voldoende garanties moet bieden voor goede bedrijfsvoering en hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden van de prostituees.

3.3. De rechter is van oordeel dat verweerder op de in het bestreden besluit vermelde gronden vooralsnog voldoende heeft aangetoond dat de exploitant in zijn zorgplicht voor de goede bedrijfsvoering, hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden van de prostituees binnen het door haar geëxploiteerde prostitutiebedrijf tekort is geschoten. De rechter is van oordeel dat verweerder aan de meldingen van vier verschillende medewerksters in 2010 over de misstanden in het bedrijf, ook al waren zij anoniem afgelegd tegenover de vertrouwenspersoon, waarde mocht hechten. Gelet op de door de vertrouwenspersoon ter zitting afgelegde verklaring waarin zij vermeldt dat de medewerksters anoniem wensten te blijven uit angst voor represailles, acht de rechter niet onredelijk dat verweerder zijn besluitvorming mede heeft gegrond op deze signalen van anonieme personen en het relaas van de vertrouwenspersoon omtrent die meldingen.

3.4. Verweerder heeft bovendien bij zijn oordeel kunnen betrekken dat de GGD al sinds 2007 bekend is met soortgelijke meldingen binnen het bedrijf. Verder mocht verweerder tevens afgaan op de internetpublicaties over [naam club] op www.hookers.nl, waarin melding wordt gemaakt van mogelijkheden van onveilige seks in het bedrijf en waarvan de laatste melding dateert van 18 december 2010. Mede gelet op de eerdere meldingen over onveilige seks van de bij verzoekster werkzame prostituees had van de exploitant een beleid mogen verwacht waarbij zij de signalen dat in haar bedrijf onvoldoende garanties waren voor gezondheid en goede arbeidsomstandigheden was tegengegaan. Evenals de bezwaarschriftencommissie acht de rechter door verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat door haar een dergelijk beleid ten aanzien van de hygiëne, gezondheid en arbeidsomstandigheden is gevoerd. De wijziging die zij in haar reglement ten aanzien van het condoomgebruik heeft doorgevoerd, is daartoe ontoereikend.

3.5. De rechter is dan ook vooralsnog oordeel dat zich in het bedrijf van verzoekster een situatie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid sub b, f, g en i van de APV heeft voorgedaan, zodat verweerder bevoegd was de exploitatievergunning in te trekken. Verzoekster bestrijdt dat verweerder hiertoe in redelijkheid heeft kunnen overgaan. Zij wijst er op dat zij haar bedrijf al 20 jaar zonder noemenswaardige problemen heeft gevoerd. Tevens wijst zij op ook recente overgelegde verklaringen van de bij haar werkzame prostituees, die schriftelijk verklaren dat het in haar bedrijf met betrekking tot gezondheid, veiligheid, hygiëne en arbeidsomstandigheden wel op orde is. Zij acht de maatregel dan ook disproportioneel.

3.6. Mede gelet op hetgeen onder de feiten onder 2.4 is vermeld hecht de rechter in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure niet zonder meer waarde aan de door verzoekster overgelegde verklaringen van medewerkers. Daarvoor is nadere bewijsvoering nodig waarvoor niet de onderhavige maar de bodemprocedure geschikt is. In dat kader kan tevens worden betrokken dat verweerder ter zitting heeft vermeld dat de anoniem gebleven medewerksters tegenover de rechtbank vermoedelijk wel een verklaring wensen af te leggen, mogelijk ten overstaan van een rechter-commissaris als bedoeld in artikel 8:12 Awb .

3.7. De rechter zal zich dan ook thans beperken tot een belangenafweging of in afwachting van deze uitkomst van de bodemprocedure het verzoek om schorsing van het besluit moet worden toegewezen. Daarbij is enerzijds het belang van verzoekster om haar bedrijf voort te zetten en anderzijds het door verweerder beoogde belang van bescherming van veiligheid, gezondheid en hygiëne in een kwetsbare branche. Gelet op de APV- bepalingen en de in het bestreden besluit geciteerde toelichting op de APV-bepalingen hecht de gemeentelijk wetgever grote waarde aan de rol die de exploitant van een prostitutiebedrijf moet spelen met betrekking tot de bescherming in het bedrijf werkzame prostituees en behoort tot de grondslag van de exploitatievergunning van het prostitutiebedrijf dat te nemen maatregelen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, arbeidsomstandigheden en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees in de bedrijfsvoering worden gegarandeerd. Nu de rechter in hetgeen van de zijde van verzoekster is aangevoerd onvoldoende grond ziet dat die belangen voldoende zijn geborgd, dient het door verweerder beoogde belang te prevaleren boven het financiële belang van verzoekster tot voorzetting van het bedrijf gedurende de bodemprocedure.

Het verzoek van verzoekster wordt dan ook afgewezen.

3.8. Er is geen grond voor vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature