Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kinderalimentatie. Wijziging omstandigheden; ingangsdatum; behoefte minderjarige; draagkracht.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Uitspraak : 20 april 2011

Zaaknummer : 200.076.587/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-2719

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.J. Ottens te Noordwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 5 november 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 augustus 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vader heeft op 9 december 2010 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 24 januari 2011 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 28 februari 2011 een faxbrief met bijlagen.

De zaak is op 2 maart 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De hierna te noemen minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om schriftelijk zijn mening kenbaar te maken.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 17 juli 2006 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Bij de beschikking van 17 juli 2006 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader, met ingang van 17 juli 2006, voor de verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige aan de moeder, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 31,-- per maand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder inhoudende de bij beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2006 vastgestelde kinderalimentatie te wijzigen, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige:

[minderjarige], geboren [in] 1994 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt:) partieel te vernietigen en, (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, te bepalen dat de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige voor de periode vanaf 1 maart 2010 tot 1 december 2010 op € 194,38 per maand en vanaf 1 december 2010 op € 156,-- per maand dan wel een bedrag als het hof meent te moeten bepalen, wordt vastgesteld.

3. De vader bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt het hof het door de moeder ingediende appel ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen, dan wel opnieuw beschikkende, met verbetering van de gronden de bestreden beschikking in stand te laten. Indien één of meer grieven van de moeder doel treffen, verzoekt de vader het hof in voorwaardelijk incidenteel appel de bestreden beschikking te wijzigen op de grond dat hij onvoldoende draagkracht heeft om een andere kinderalimentatie dan de oorspronkelijk vastgestelde kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige aan de moeder te voldoen.

4. De moeder verzet zich daartegen.

5. Het hof ziet aanleiding om het principaal en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gezamenlijk te behandelen.

Wijziging van omstandigheden

6. De moeder klaagt in haar vierde grief dat door de rechtbank ten onrechte is overwogen dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de draagkracht van de vader die noopt tot een wijziging van de beschikking van 17 juli 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De moeder voert daartoe aan dat het inkomen van de vader is gestegen, de vader zijn woonlasten met zijn huidige partner kan delen en de vader ‘thans schuldenvrij is na beëindiging van de schuldsaneringsmaatregel met een schone lei’. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd weersproken.

7. Naar het oordeel van het hof is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 17 juli 2006. Immers, zoals hierna zal blijken, is sprake van een substantiële wijziging in het inkomen van de vader. Daarnaast woont de vader met zijn nieuwe partner samen, welke partner een eigen inkomen heeft zodat de vader zijn woonlasten in beginsel kan delen. De gegevens die destijds tot uitgangspunt zijn genomen bij de vaststelling van de kinderalimentatie zijn derhalve zodanig gewijzigd dat het hof van oordeel is dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een beroep van de moeder op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en een heroverweging van de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie rechtvaardigt. De vierde grief van de moeder slaagt derhalve. Het hof gaat hierbij voorbij aan de stelling van de moeder dat het feit dat de vader thans schuldenvrij is na beëindiging van de schuldsaneringsmaatregel een wijziging van omstandigheden betreft, nu de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vader in 2006 in het geheel geen rekening heeft gehouden met aflossing op schulden.

Ingangsdatum

8. De moeder verzoekt - kort gezegd - ook in hoger beroep na vernietiging van de bestreden beschikking de kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2010 te wijzigen en voert daarmee een (ongenummerde) grief aan tegen de bestreden beschikking. In het inleidend verweerschrift heeft de vader verweer gevoerd tegen deze ingangsdatum en (naar het hof begrijpt:) gesteld dat de ingangsdatum 1 juli 2010 moet zijn nu hij per deze datum definitief een schone lei heeft gekregen.

9. Het hof acht het redelijk om de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, te weten 1 april 2010, als ingangsdatum aan te houden, aangezien de vader er vanaf die datum rekening mee heeft kunnen houden dat de kinderalimentatie mogelijk gewijzigd zou worden.

Aandeel in de kosten van de minderjarige (behoefte)

10. De moeder klaagt voorts in haar eerste grief dat de rechtbank de behoefte van de minderjarige ten onrechte op een bedrag van € 106,-- per maand heeft bepaald. De moeder voert daartoe aan dat nu zij destijds € 650,-- netto per maand aan salaris genoot en € 500,-- per maand aan uitkering van [X] ontving, het totale netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen € 2.400,-- per maand bedroeg. Daarbij komt dat de rechtbank het huidige netto inkomen van de vader bij de behoefteberekening heeft betrokken, hetgeen ook met het huidige netto inkomen van de moeder had dienen te gebeuren.

11. De vader betwist de stellingen van de moeder en meent dat de rechtbank terecht de behoefte van de minderjarige op € 106,-- per maand heeft vastgesteld. De vader stelt dat de financiële situatie waar de moeder op doelt, de situatie na het uiteengaan van partijen betreft. Daarnaast heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de Tremanormen en terecht geconstateerd dat nu het huidige inkomen van de vader hoger is dan het inkomen van partijen ten tijde van de beëindiging van het huwelijk, dit huidige (hogere) inkomen van de vader uitgangspunt is bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige.

12. Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting heeft de moeder erkend dat het door haar gestelde netto gezinsinkomen, het (gezamenlijke) inkomen van partijen na het feitelijk uiteengaan van partijen betreft. Dat tijdens het huwelijk van partijen enkel de vader een inkomen uit de door partijen gezamenlijk gedreven vennootschap onder firma heeft genoten, wordt door de moeder niet betwist. Evenmin zijn de hoogte van het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen in mei 2005, zoals door de vader gesteld zijnde een bedrag van € 1.250, - per maand, en het huidige netto besteedbaar inkomen van de vader, zoals door de vader gesteld zijnde een bedrag van € 1.536,-- per maand, betwist door de moeder. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat door de rechtbank terecht is overwogen dat, nu het huidige netto inkomen van de vader hoger is dan het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het feitelijk uiteengaan, de behoefte dient te worden vastgesteld op basis van het huidige netto besteedbaar inkomen van de vader van € 1.536,-- per maand, verminderd met de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 124,-- per maand. Het hof zal evenals de rechtbank derhalve uitgaan van een eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige van € 106,-- per maand.

Aandeel van de moeder en de vader in de kosten van de minderjarige

13. Het hof zal met inachtneming van de schriftelijke stukken en hetgeen partijen ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, ter beantwoording van de vraag wie welk deel in de kosten van de minderjarige moet dragen, de draagkracht van de moeder en de vader vergelijken. Het hof zal bij deze berekening de betrokken minderjarige in zoverre buiten beschouwing laten dat de moeder evenals de vader als alleenstaande zal worden beschouwd.

Draagkracht moeder

Huurtoeslag

14. In haar tweede grief klaagt de moeder dat haar draagkracht niet juist is berekend. De moeder voert daartoe onder meer aan dat, omdat de andere (oudste) zoon van partijen - die bij haar verblijft - een inkomen van € 625,-- netto per maand ontvangt, zij geen huurtoeslag meer ontvangt. Zij dient een deel van de huurtoeslag over het jaar 2009 terug te betalen. De vader betwist de stelling van de moeder en hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de moeder haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

15. Het hof overweegt als volgt. Nu het hof van de terugbetaling van (ten onrechte ontvangen) huurtoeslagen en de beëindiging van het recht op huurtoeslag geen enkel bewijsstuk heeft ontvangen, en de moeder, gelet op de hoogte van haar inkomen en haar huur van € 437,53,-- per maand, wel in aanmerking komt voor huurtoeslag, zal het hof - evenals de rechtbank -rekening houden met een huurtoeslag van € 80,-- per maand. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder. Hoewel het inkomen van de oudste zoon van partijen door de belastingdienst in het kader van de huurtoeslag - bij de berekening van de draagkracht van de moeder - in aanmerking wordt genomen, is aan het hof niet gebleken dat de moeder geen recht meer heeft op deze toeslag.

Alleenstaande ouderkorting

16. De tweede grief van de moeder faalt eveneens voor zover deze betrekking heeft op de door de rechtbank in aanmerking genomen alleenstaande-ouderkorting, nu als voorwaarde om in aanmerking voor deze korting te komen, geldt dat sprake is van een alleenstaande, die de zorg draagt voor één of meer kinderen. Voor de hoogte van de korting is derhalve irrelevant voor hoeveel kinderen de moeder de zorg draagt.

Kindgebonden budget

17. Ten aanzien van het door de moeder in haar tweede grief gestelde met betrekking tot het kindgebonden budget, overweegt het hof als volgt. Het hof is gebleken dat de moeder als gevolg van het meerderjarig worden van de oudste zoon van partijen vanaf maart 2011 recht heeft op een lager bedrag aan kindgebonden budget. Hier staat echter tegenover dat het inkomen van de moeder in 2010 iets hoger ligt dan het inkomen waar de rechtbank van is uitgegaan. Dit blijkt uit het, in de als productie 8 door de moeder overgelegde beschikking herziening voorschot kindgebonden budget, genoemde toetsingsinkomen. Per saldo is de verandering in haar draagkracht dermate gering dat het hof de rechtbank volgt en uit gaat van een beschikbare draagkracht van de moeder van € 178,-- per maand ten behoeve van de minderjarige.

Draagkracht vader

Omgangskosten

18. In de derde grief betoogt de moeder dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vader ten onrechte met een bedrag van € 40,-- per maand aan omgangskosten rekening heeft gehouden, nu dit de beide kinderen van partijen betreft en de minderjarige slechts op visite komt bij de vader en daar niet eet of slaapt. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

19. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met de door de rechtbank in aanmerking genomen omgangskosten, doch slechts enkel voor zover deze betrekking hebben op de minderjarige, derhalve voor een bedrag van € 20,-- per maand, nu deze het hof niet onredelijk voorkomen.

Woonlasten

20. De vader stelt zich in zijn voorwaardelijk incidenteel appel op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van zijn nieuwe partner verwacht kan worden in de helft van de woonlasten van € 810,-- per maand bij te dragen, nu haar inkomen aanmerkelijk lager is dan zijn inkomen. Zijn nieuwe partner kan slechts één derde van de woonlasten voor haar rekening nemen. De moeder heeft dit gemotiveerd weersproken.

21. Het hof houdt - evenals de rechtbank - rekening met de helft van de totale woonlasten van de vader, zijnde een bedrag van € 405,-- per maand, nu de partner van de vader naar het oordeel van het hof geacht moet worden in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Niet is gesteld of gebleken dat dit voor haar niet mogelijk is.

Extra kosten voor de minderjarige

22. De vader stelt in zijn voorwaardelijk incidenteel appel voorts dat nu hij allerlei extra kosten voor de minderjarige betaalt, deze kosten in mindering dienen te komen op zijn draagkracht. De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader deze extra kosten onvoldoende heeft onderbouwd.

23. Het hof is van oordeel dat de vader niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, nu hij zijn stelling ten aanzien van de extra kosten voor de minderjarige niet nader heeft onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Het hof zal derhalve geen rekening houden met mogelijke extra kosten.

24. Voorts gaat het hof uit van de door de rechtbank becijferde en door partijen niet betwiste lasten en uitgangspunten. Gelet op het feit dat de vader sinds 1 december 2010 onderhoudsplichtig is voor twee minderjarige kinderen, zal zijn draagkracht vanaf die datum gelijk worden verdeeld over deze twee kinderen.

25. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de vader een beschikbare draagkrachtruimte van afgerond € 120,-- per maand tot 1 december 2010 welk bedrag - gelet op hetgeen in rechtsoverweging 24 overwogen - vanaf 1 december 2010 voor de helft beschikbaar is voor de minderjarige.

26. Het vorenstaande in aanmerking genomen onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden in de draagkracht van de vader die noopt tot de door de moeder verzochte wijziging van de beschikking van 17 juli 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

27. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Stille en Van Wijk, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature