Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

gebiedsverbod ogv de apv

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 11/1001 GEMWT

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. M.M. van Eeten,

tegen

de burgemeester van de gemeente Den Helder,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 15 april 2011 heeft verweerder verzoeker een gebiedsontzegging opgelegd voor de duur van een maand voor het uitgaansgebied in het centrum van Den Helder en op Willemsoord. Deze ontzegging geldt tussen 18:00 uur ’s avonds en 08:00 uur ‘s ochtends.

Bij brief van 20 april 2011 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van gelijke datum is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 april 2011. Verzoeker is, daartoe ambtshalve opgeroepen, ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij Y.A.M. Loogman en R. Stam.

Na afloop van de zitting heeft verweerder desgevraagd een nader stuk aan de voorzieningenrechter toegezonden, waarna de voorzieningenrechter het onderzoek, met toestemming van partijen, heeft gesloten.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor eiser uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een -voorlopig- oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Verweerder heeft de bestreden gebiedsontzegging aan verzoeker opgelegd op grond van artikel 2.1.1.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Helder, Verordening nr. 117, versie 10-2010 (hierna: de APV).

3. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de gene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste drie ordeverstorende gedragingen heeft begaan en/of gedurende die periode twee verblijfsontzeggingen heeft gekregen, verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich gedurende een door de burgemeester bepaald tijdvak van tussen de 48 uur en 4 weken en tussen de genoemde tijden, niet in dat gebied te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden onder ordeverstorende feiten of feiten die (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde kunnen veroorzaken onder meer begrepen: aantreffen, gebruik en handel in drugs; bedreiging met geweld; eenvoudige/zware mishandeling, openlijke geweldpleging en aantreffen/gebruik wapen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de burgemeester in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde feiten, een verbod opleggen om zich gedurende een nader te bepalen periode van 4 weken tot 3 maanden te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.

4. Verweerder heeft aan de gebiedsontzegging ten grondslag gelegd dat verzoeker gedurende een periode van 6 maanden meer dan drie ordeverstorende gedragingen heeft gepleegd. Verweerder heeft er hiertoe op gewezen dat is geconstateerd dat verzoeker in de afgelopen periode diverse malen als beveiliger in de horeca in het uitgaansgebied en op Willemsoord heeft gewerkt terwijl hij niet beschikte over de juiste op grond van de Wet op de particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) benodigde beveiligingspas. Bovendien was het zowel verzoeker als het beveiligingsbedrijf [naam], waarvoor hij op dat moment werkte, bekend dat verzoeker niet structureel als beveiliger in Den Helder mag werken. Volgens verweerder zijn het uitgaansgebied in het centrum en Willemsoord door hem aangewezen als gebieden waarvoor een gebiedsontzegging kan worden opgelegd en is een gebiedsontzegging voor deze gebieden voor de duur van een maand, gelet op het aantal en de aard van de feiten, als proportioneel aan te merken. Voor een gebiedsontzegging tussen 18.00 en 08:00 uur is gekozen omdat dit de tijden zijn waarop verzoeker de feiten heeft gepleegd.

5. Verzoeker heeft hiertegen aangevoerd dat zijn werkzaamheden voor [naam] altijd incidenteel zijn geweest, zodat toestemming als bedoeld in artikel 7 Wpbr niet nodig was voor de desbetreffende werkzaamheden. Mocht toestemming wel nodig zijn, dan is het opleggen van een gebiedsontzegging volgens verzoeker niet de juiste stap, nu de Wpbr een eigen handhavingsysteem kent. Een gebiedsontzegging maakt hiervan geen onderdeel uit. Voorts betwist verzoeker dat sprake is geweest van een situatie waarin direct ingrijpen noodzakelijk was en was volgens verzoeker ook geen sprake van ordeverstorende gedragingen, zodat verweerder niet bevoegd was om het onderhavige bevel aan hem op te leggen.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder ter zitting heeft erkend dat bij de oplegging van de gebiedsontzegging geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat verzoeker in het uitgaansgebied van Den Helder over een eigen pand beschikt, gelegen aan [adres]. In de benedenverdieping van dit pand wordt door een huurder een eetcafé geëxploiteerd. De bovenverdieping verhuurt verzoeker aan een particulier. Verweerder heeft toegezegd dat de gebiedsontzegging verzoeker niet zal worden tegengeworpen indien verzoeker uit hoofde van zijn verhuurderschap genoodzaakt is een bezoek te brengen aan zijn pand. De voorzieningenrechter zal de gebiedsontzegging dan ook zo lezen dat het verzoeker gedurende de genoemde periode en tijden niet is toegestaan in de genoemde gebieden te komen of te verblijven, met uitzondering van de keren dat verzoeker zijn pand aan [adres] moet bereiken en verlaten.

7. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat een situatie als bedoeld in het derde lid van artikel 2.1.1.5 van de APV zich in de onderhavige zaak niet voordoet, nu gesteld noch gebleken is dat eerder aan verzoeker een gebiedsontzegging is opgelegd. Dit betekent dat verweerder in strijd met het eerste lid van artikel 2.1.1.5 van de APV aan verzoeker een gebiedsontzegging voor de duur van een maand heeft opgelegd. De maximale duur ingevolge dit artikellid is immers vier weken.

8.1 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de door verweerder gestelde feiten de opgelegde gebiedsontzegging niet dragen. Hierbij laat de voorzieningenrechter nadrukkelijk in het midden of de door verzoeker verrichte werkzaamheden in strijd waren met de Wpbr, gelijk verweerder heeft gesteld en verzoeker heeft bestreden. Ook indien vast zou komen te staan dat verzoeker voor zijn werkzaamheden ten behoeve van [naam] over toestemming van de korpschef als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr had moeten beschikken, is er geen sprake van ordeverstorende gedragingen als bedoeld in artikel 2.1.1.5, eerste lid, van de APV. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

8.2 Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De bevoegdheid van verweerder om op grond van de APV een gebiedsontzegging op te leggen vloeit hieruit voort en is derhalve een instrument voor verweerder om de openbare orde te handhaven.

Verweerder heeft desgevraagd de notitie “Den Helder veiliger”, gedateerd 25 maart 2004, overgelegd. Dit betreft volgens verweerder het onderliggende stuk, waarop artikel 2.1.1.5 van de APV is gebaseerd. Ook hieruit blijkt dat het bij gebiedsontzeggingen moet gaan om (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde. Artikel 2.1. 1.5 staat in de APV ook opgenomen in hoofdstuk 2, dat de titel “Openbare orde” draagt. Het begrip “ordeverstorende gedraging” in artikel 2.1.1.5, eerste lid, van de APV heeft dus het oog op een verstoring van de openbare orde.

Een verstoring van de openbare orde wordt in het tweede lid van artikel 2.1.1.5 van de APV onder meer aangenomen bij het aantreffen, het gebruik en de handel in drugs, bij bedreiging met geweld, bij eenvoudige of zware mishandeling, bij openlijke geweldpleging en bij het aantreffen of gebruik van een wapen. Vaststaat dat hiervan geen sprake is. Het begrip “ordeverstorende gedraging” is in de genoemde bepaling verder niet uitgewerkt. Dit betekent dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van verstoring van de openbare orde, het normale spraakgebruik bepalend is, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval. Wil van een dergelijke verstoring kunnen worden gesproken, dan is het niet nodig dat wanordelijkheden onder het publiek zijn teweeggebracht, maar wel zal het moeten gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de openbare ruimte. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer AZ2104.

De voorzieningenrechter is bovendien van oordeel dat uit artikel 2.1.1.5, eerste lid, van de APV volgt dat er sprake dient te zijn van een verstoring waartegen onmiddellijk optreden vereist is. Het artikel vermeldt immers dat degene die de ordeverstorende gedragingen heeft begaan, verplicht is zich terstond uit het desbetreffende gebied te verwijderen, waarna het gebiedsverbod wordt opgelegd. Er wordt in dit artikel dus een koppeling gelegd met het opleggen van een zogenoemde verblijfsontzegging, geregeld in artikel 2.1.1.4 van de APV. Dat deze koppeling wordt gelegd blijkt ook uit de duur waarvoor de maatregelen kunnen worden opgelegd. Uit het eerste lid van artikel 2.1.1.4 van de APV volgt dat een dergelijke verblijfsontzegging kan worden opgelegd voor maximaal 48 uur. De gebiedsontzegging van artikel 2.1. 1.5 sluit hierop aan met een toegestane duur van tussen de 48 uur en vier weken.

8.3 Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de dagen waarop verzoeker voor [naam] beveiligingswerkzaamheden heeft verricht, sprake is geweest van een verstoring van de openbare orde als hiervoor bedoeld. Dat verzoeker willens en wetens in strijd met de wet beveiligingswerkzaamheden zou hebben verricht ten behoeve van [naam] in Den Helder, is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat dit tot een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in de onderhavige gebieden heeft geleid. Dat de werkzaamheden raken aan de veiligheid van het uitgaansgebied in het centrum en Willemsoord, maakt dit niet anders. Verweerder heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat het gezag van de politie wordt ondermijnd indien moet worden samengewerkt met iemand die als onbetrouwbaar wordt gekwalificeerd en dat hierdoor een vrijwel onwerkbare situatie ontstaat met alle risico’s voor de openbare orde van dien, doch verweerder heeft deze stelling op geen enkele manier met concrete voorbeelden kunnen onderbouwen. Hier komt bij dat de laatste dag waarop verzoeker heeft gewerkt voor [naam] 3 april 2011 is en de gebiedsontzegging eerst bij besluit van 15 april 2011 is opgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er veeleer sprake van het opleggen van een sanctie, dan van een openbare ordemaatregel.

8.4 Indien vast zou komen te staan dat verzoeker daadwerkelijk zonder de vereiste toestemming van de korpschef als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr door [naam] te werk is gesteld, kan op grond van de artikelen 14 en 15 van de ze wet door de Minister worden opgetreden tegen [naam] als houder van de vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid. Het optreden tegen verzoeker in de vorm van het opleggen van een gebiedsverbod is in dit soort gevallen echter niet mogelijk.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder oneigenlijk gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 2.1.1.5 van de APV, zodat het besluit van 15 april 2011 om die reden in bezwaar naar verwachting niet zal kunnen worden gehandhaafd. Gelet hierop wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in de hieronder onder “Beslissing” bedoelde zin.

10. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker voor de behandeling van zijn verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het verzoekschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 15 april 2011 wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 152,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 837,00;

- bepaalt dat de betaling van € 837,00 dient te worden gedaan aan verzoeker.

Deze uitspraak is op 28 april 2011 gedaan door mr. L. Boonstra, voor¬zieningen¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van mr. E. Degen, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature