Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Projectbesluit met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is er een reguliere bouwvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van twee scholen en een kinderdagverblijf. Volgens verweerder moet de verleende ontheffing worden bezien in samenhang met het eerder verleende projectbesluit en dienen zij er tezamen toe de strijdigheid van het bouwplan met het vigerende planregime op te heffen. Eisers hebben betoogd dat deze combinatie van besluiten in strijd is met het recht. Dat betoog slaagt. Tussenbeslissing.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 11/512 en SBR 11/227

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

1. [eiser sub 1],

gemachtigde: mr. E.U.H. van de Schepop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

2. [eiser sub 2],

beiden te Nigtevecht, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loenen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.M. Martens en C.H. Smits.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 14 december 2010 heeft verweerder aan de gemeente Loenen (hierna: vergunninghouder) met gebruikmaking van het projectbesluit van 19 december 2009 en met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een reguliere bouwvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van twee scholen en een kinderdagverblijf op het perceel Petersburg 50 tot 56 te Nigtevecht (hierna: het perceel). Eisers hebben hiertegen ieder voor zich beroep ingesteld bij deze rechtbank. De beroepen worden geacht tevens te zijn gericht tegen het projectbesluit en de verleende ontheffing.

1.2 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 3 maart 2011, waar eisers in persoon zijn verschenen en [eiser sub 1] is bijgestaan door mr. E.U.H. van de Schepop. Namens verweerder zijn ter zitting verschenen mr. J.J.M. Martens en C.H. Smits, beiden werkzaam bij de gemeente Stichtse Vecht.

Overwegingen

2.1 Op 11 augustus 2010 heeft de gemeente Loenen bij verweerder een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning ten behoeve van de oprichting van twee scholen en een kinderdagverblijf op het perceel.

2.2 Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) is voor het realiseren van het bouwplan een bouwvergunning vereist. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww, voor zover thans van belang, mag een bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.3 Ingevolge de bestemmingsplannen “Klein Muiden – fase 1” en “Landelijk Gebied 2003” rusten op het perceel de bestemmingen “Recreatieve Doeleinden” met nadere aanduiding “volkstuinen”, “Groenvoorzieningen”, “Water”, “Fietspad” en “Agrarische Doeleinden”. Tussen partijen is niet in geschil dat deze vigerende bestemmingen niet voorzien in de realisatie van een samenwoonschool, zodat het bouwplan eerst dan kan worden gerealiseerd nadat ten behoeve van het bouwplan ontheffing van het bestemmingsplan is verleend dan wel een projectbesluit is vastgesteld.

2.4 Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels ontheffing kunnen verlenen van bij het plan aan te geven regels. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de gevraagde bouwvergunning met toepassing van voornoemd artikel heeft verleend. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het door verweerder op 19 december 2009 ten behoeve van de realisatie van de samenwoonschool vastgestelde projectbesluit. Met dit projectbesluit heeft verweerder de planologische basis willen creëren voor het oprichten van de samenwoonschool. Tussen partijen is echter niet in geschil dat onderhavig bouwplan niet past binnen voornoemd projectbesluit nu de dakoverstekken deels buiten het bouwblok zullen worden gerealiseerd en het bouwplan de maximale oppervlakte van 100m² in het projectbesluit overschrijdt. Op grond van artikel 8 van de voorschriften behorende bij het projectbesluit kan verweerder ontheffing verlenen van de in het projectbesluit genoemde oppervlaktematen en voorschriften. Van deze ontheffingsmogelijkheid heeft verweerder in het bestreden besluit gebruik gemaakt onder gelijktijdige verlening van de gevraagde bouwvergunning.

2.5 Volgens verweerder moet de verleende ontheffing worden bezien in samenhang met het eerder verleende projectbesluit en dienen zij er tezamen toe de strijdigheid van het bouwplan met het vigerende planregime op te heffen. Eisers hebben betoogd dat deze combinatie van besluiten in strijd is met het recht. Dat betoog slaagt.

2.6 Door in het bestreden besluit ontheffing te verlenen met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro ontbeert het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke wettelijke grondslag. Artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro biedt immers weliswaar de mogelijkheid om bij bestemmingsplan te bepalen dat verweerder met inachtneming van bij het bestemmingplan te geven regels ontheffing kan verlenen van het vigerende bestemmingsplan, doch dit artikel biedt niet een vergelijkbare mogelijkheid voor het opnemen van ontheffingsbepalingen in een projectbesluit. Nu in het onderhavige geval niet bij bestemmingsplan is voorzien in ontheffingsmogelijkheden maar bij projectbesluit, heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro . De beroepen zijn derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.7 Desgevraagd heeft verweerder in dit kader ter zitting betoogd dat het bestreden besluit ten onrechte vermeldt dat de ontheffing is gestoeld op artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro , nu met toepassing van artikel 3.10, derde lid, van de Wro ontheffing is verleend van het projectbesluit.

2.8 Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat aan het projectbesluit voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden, welke tevens kunnen strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project, met dien verstande dat de voorschriften en beperkingen ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het projectgebied. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan de gemeenteraad de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 3.10, derde lid, van de Wro evenmin aan verweerder de mogelijkheid om ten behoeve van het bouwplan door middel van ontheffingsbepalingen in het projectbesluit ontheffing te verlenen van het projectbesluit. Daartoe overweegt de rechtbank dat blijkens de toelichting bij de Tweede nota van wijziging (kamerstukken, 28 916, nr. 9) onder ‘voorschriften en beperkingen’ de ruimtelijke voorwaarden moeten worden verstaan die aan de buitentoepassingverklaring van het geldende bestemmingsplan worden verbonden. Gelet hierop gaat het opnemen van voorschriften in een projectbesluit die ontheffing van datzelfde projectbesluit mogelijk maken de strekking van artikel 3.10, derde lid, van de Wro te buiten. Nu ten behoeve van het bouwplan evenmin op grond van artikel 3.10, derde lid, van de Wro ontheffing kon worden verleend, ontbeert het bestreden besluit ook in zoverre een deugdelijke wettelijke grondslag en komt het bestreden besluit ook in dat geval voor vernietiging in aanmerking.

2.10 De rechtbank komt gelet op voornoemde gebreken tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en voor vernietiging in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank lenen de geconstateerde gebreken zich echter voor herstel. De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verweerder de gelegenheid geven binnen drie maanden na verzending van de uitspraak over te gaan tot herstel van de genoemde gebreken, dan wel om binnen één maand na genoemde datum de rechtbank te laten weten dat hij van deze mogelijkheid geen gebruik wenst te maken. Indien de termijn die daarvoor wordt gesteld ongebruikt verstrijkt, zal de behandeling van het beroep op de gebruikelijke wijze worden voortgezet.

2.11 Uit oogpunt van proceseconomie en ter voorlichting van partijen wordt ten aanzien van het projectbesluit van 19 december 2009 en de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing nog het volgende overwogen.

2.12 De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het bouwplan stedenbouwkundig niet past in de omgeving en het bouwplan een onaanvaardbare aantasting is van het Nationaal Landschap Groene Hart. Daartoe is allereerst van belang dat blijkens het stedenbouwkundig locatie-onderzoek van 1 februari 2007 van Vista te Amsterdam, uitgevoerd in opdracht van verweerder, aan de locatie geen bijzondere landschappelijke kwaliteit toekomt. Voorts heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (hierna: GS) bij besluit van 8 december 2009 door middel van de ‘touwtjesmethode’ de bebouwingscontour aangepast, waardoor het bouwplan binnen de rode contour valt. Van de door eisers gestelde verdere verstedelijking is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu de aanpassing van de bebouwingscontour oppervlakteneutraal heeft plaatsgevonden. Ook GS hebben bij voornoemd besluit overwogen dat het gebied ten noorden van de kern Nigtevecht geen gebied betreft waaraan bijzondere waarden kunnen worden toegekend. Mits zorg wordt gedragen voor een adequate landschappelijke inpassing van het bouwplan betekent de aanpassing van de rode contour geen inbreuk op de kernkwaliteiten van het Groene Hart. Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd is de rechtbank niet gebleken dat van voornoemde adequate landschappelijke inpassing van het bouwplan geen sprake is of kan zijn. Zo heeft Goudappel Coffeng te Deventer in opdracht van verweerder in oktober 2010 een rapport uitgebracht over de landschappelijke inpassing van het bouwplan. Verweerder heeft in dit kader ter zitting toegelicht dat de grote lijnen van de landschappelijke inpassing hierin uiteen zijn gezet, doch dat over de positionering van het groen, waaronder de hagen en de bomen, nog gesproken kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is de ruimtelijke onderbouwing op dit punt in overeenstemming met de eisen die daaraan worden gesteld.

2.13 De rechtbank volgt eisers evenmin in hun betoog dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar alternatieve locaties. In de eerste plaats is daartoe van belang dat Vista in voornoemde rapportage van 1 februari 2007 in opdracht van verweerder naast het bouwplan tevens een alternatief heeft onderzocht. Daarnaast kan op grond van vaste rechtspraak van de ABRS, indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts tot het onderzoeken van (andere) alternatieven nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake, nu de door eisers genoemde alternatieven buiten de rode contour vallen, niet in eigendom toebehoren aan verweerder en/of alleen tegen hogere kosten kunnen worden gerealiseerd.

2.14 Anders dan verweerder is de rechtbank met eisers evenwel van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling niet voldoet aan de eisen die aan een goede ruimtelijke onderbouwing worden gesteld. Zo is uiteindelijk besloten de Petersburg aan de oostzijde af te sluiten voor autoverkeer, welke variant geen onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing. Verweerders betoog ter zitting dat ook deze variant door Goudappel & Coffeng is onderzocht en dat met deze variant de verkeers-veiligheid en een goede afwikkeling van het verkeer zijn gewaarborgd, acht de rechtbank met het ter zitting door verweerder overgelegde schrijven van 12 oktober 2010 nog onvoldoende onderbouwd. Uit voornoemd schrijven blijkt niet wie deze onderbouwing heeft opgesteld. Darmee is onduidelijk wat de status van dit stuk is.

2.15 Gelet op het voorgaande zal verweerder, indien hij besluit de geconstateerde gebreken te herstellen een nieuw projectbesluit dienen te nemen, waarbij aandacht moet worden besteed aan de verkeersaspecten en deugdelijk dient te worden gemotiveerd op welke gronden de uiteindelijk gekozen verkeersafwikkeling bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Verweerder kan daartoe gebruik maken van een (nadere) verklaring van een adviseur om inzichtelijk te maken op welke wijze de verkeersaspecten in de belangenafweging zijn meegenomen. Verweerder behoeft het te nemen projectbesluit niet voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Wel zal verweerder, alvorens het nieuwe projectbesluit te nemen, belanghebbenden in de gelegenheid moeten stellen te reageren op een (eventuele) nadere verklaring of rapportage van een verkeersadviseur. Voor het overige kan verweerder bij het voorbereiden en het nemen van het nieuwe projectbesluit gebruik maken van de rapporten die zich reeds in het dossier bevinden.

2.16 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden totdat in het beroep einduitspraak wordt gedaan.

Tussenbeslissing

De rechtbank:

3.1 stelt verweerder in de gelegenheid om binnen drie maanden na de dag van verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de besluitvorming te herstellen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen, dan wel om binnen één maand na bedoelde verzending te laten weten dat van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;

3.2 bepaalt dat indien verweerder wenst over te gaan tot het nemen van een nieuw besluit hij

bij de voorbereiding daarvan niet opnieuw toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Awb;

3.3 houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2011.

De griffier: De rechter:

mr. S.A.J. de Jong-Nibourg mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen hoger beroep open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature