Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft bepaald dat eiser een vergoeding in de kosten van zijn opvang is verschuldigd voor de peilmaand april 2009 a.d. € 435,34 en dat zal worden overgegaan tot verrekening van dit bedrag met de wekelijkse financiële verstrekkingen.

Niet is betwist dat eiser ingeschreven stond in het AZC en dat voor hem woonruimte beschikbaar is gehouden. Aan eiser is hiermee opvang in de vorm van onderdak verstrekt. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser hierom een bedrag van € 196,50 verschuldigd is.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in de vaststelling dat eiser een bedrag van € 238,84 verschuldigd is in verband met verstrekt zak- en eetgeld. Niet is in geschil dat eiser zelf in zijn onderhoud heeft voorzien, wat wil zeggen dat hij voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven heeft voldaan uit zijn inkomsten uit arbeid. Voorts staat vast dat eiser zelf geen aanspraak heeft gemaakt op de financiële toelage. Verder is onbetwist dat eiser sinds september/oktober 2007, en dus ook in april 2009, niet in het AZC verbleef en aan hem niet wekelijks een financiële toelage is verstrekt. Ten onrechte heeft verweerder vastgesteld dat eiser ter zake van zak- en eetgeld een bedrag van € 238,84 verschuldigd is. Gelet hierop kan het besluit, voor zover dat strekt tot verrekening met de wekelijkse financiële verstrekkingen, evenmin stand houden.

Beroep gegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 21342 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 april 2011

In de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Groen, advocaat te Wassenaar,

tegen:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Tardjopawiro

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij besluit van 18 mei 2009 bepaald dat eiser een vergoeding in de kosten van zijn opvang is verschuldigd voor de peilmaand van 1 april 2009 tot en met 30 april 2009 ten bedrage van € 435,34 en dat zal worden overgegaan tot verrekening van dit bedrag met de wekelijkse financiële verstrekkingen.

1.2 Eiser heeft tegen het besluit op 11 juni 2009 beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 19 juli 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft bij brief van 9 juli 2010 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden.

1.5 Verweerder is bij brief van 21 juli 2010 verzocht een aantal vragen van de rechtbank schriftelijk te beantwoorden. Verweerder heeft hier bij brieven van 11 augustus 2010, 12 augustus 2010 en 19 augustus 2010 op gereageerd. Eiser heeft bij brief van 7 september 2010 gereageerd.

1.6 Het onderzoek ter zitting is op 10 maart 2011 voortgezet. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

Wettelijk kader

2.1 Artikel 3 van de Wet Centraal Orgaan opvan g asielzoekers (Wet COA) bepaalt dat het COA belast is met de opvang en plaatsing van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen. Met betrekking tot verstrekkingen door het COA kan de minister van Justitie nadere regels stellen op grond van artikel 12 van de Wet COA, van welke bevoegdheid gebruik is gemaakt in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005).

2.2 Artikel 3a, eerste lid, van de Wet COA bepaalt dat, in afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), op besluiten in het kader van de onthouding en beëindiging van verstrekkingen van het COA de afdelingen 1, 3 en 4 van Hoofdstuk 7 van de Vw van toepassing zijn. Ingevolge artikel 3a, tweede lid, van de Wet COA worden handelingen in het kader van de be ëindiging van verstrekkingen met een besluit gelijkgesteld.

2.3 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rva 2005 omvat de opvan g in een opvangvoorziening in elk geval de volgende verstrekkingen:

a. onderdak;

b. een wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven;

(…)

2.4 In ING...">artikel 12, eerste lid, van de Rva 2005, is bepaald dat de asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van het betrekken van woonruimte in een gemeente de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de ze regeling krijgt aangeboden, indien het orgaan hiermee heeft ingestemd.

2.5 In artikel 20, eerste lid, van de Rva 2005 is, voor zover hier van belang, opgenomen dat de asielzoeker verplicht is onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het orgaan, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, is de asielzoeker die verblijft in een opvangvoorziening aan verweerder een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang indien hij beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens ex artikel 34 van de Wet Werk en Bijstand of inkomsten heeft. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de economische waarde van de aan een asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste volzin bedoelde vermogen of inkomsten.

2.6 In artikel 2 Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (Reba) is bepaald dat tot de aan de asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, Rva worden gerekend:

a. de aan of ten behoeve van de asielzoeker en zijn gezinsleden verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden;

b. het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum.

2.7 In artikel 3 Reba is opgenomen dat de economische waarde per maand, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, Rva bedraagt:

a. van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onder a: de toelage bedoeld in artikel 14, tweede lid, Rva, die aan of ten behoeve van de asielzoeker wordt of zou worden verstrekt voor het volledig zelf verzorgen van maaltijden, vermenigvuldigd met de factor 4,33;

b. van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onder b: € 45,38 voor een alleenstaande asielzoeker, vermenigvuldigd met de factor 4,33, tot een maximum van € 393,43.

Feiten

2.8 Eiser heeft van 22 september 2006 tot 29 juli 2009 ingeschreven gestaan op het AZC te [plaatsnaam]. Nadat aan hem een verblijfsvergunning was verleend, is hij met ingang van 17 september 2007 arbeid in loondienst gaan verrichten. Voorts staat vast dat eiser omstreeks eind september/begin oktober 2007 bij zijn oom in [plaatsnaam] is gaan wonen, maar hij zijn inschrijving in het AZC, met het oog op het verkrijgen van woonruimte, heeft gehandhaafd. Daartoe is voor hem in het AZC ruimte 86C beschikbaar gehouden.

Standpunten partijen

2.9 Verweerder heeft zich, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Gebleken is dat eiser arbeid in loondienst heeft verricht, waardoor de totale kosten van de opvang over de peilmaand 1 april 2009 tot en met 30 april 2009 als eigen bijdrage moeten worden ingehouden. Eiser is op het AZC te [plaatsnaam] ingeschreven gebleven en voor hem is woonruimte beschikbaar gehouden. Dat hij daar niet woonde laat onverlet dat hij een eigen bijdrage is verschuldigd in de kosten van het geboden onderdak. Ook is eiser een eigen bijdrage verschuldigd wegens de verstrekte financiële toelage voor kleding, voedsel e.d. Dat hij die toelage niet daadwerkelijk heeft ontvangen houdt verband met de omstandigheid dat het hiermee overeenkomende bedrag is gebruikt voor het aflossen van de schuld over de periode september 2007 tot en met april 2008.

2.10 Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Eiser heeft jaren geleden asiel gevraagd in Nederland en stond laatstelijk ingeschreven in het AZC te [plaatsnaam], maar woonde bij familie in [plaatsnaam]. Een keer per maand reisde eiser naar [plaatsnaam] om te stempelen. Eiser heeft pas recent vernomen dat hij voor elke maand een bedrag aan verweerder moet betalen van € 435,34. Eiser heeft er bezwaar tegen om dit bedrag af te staan, omdat hij in ruil daarvoor niets heeft gekregen. Hij woonde bij zijn oom en voorzag in zijn eigen onderhoud. Hij heeft nooit zak-en eetgeld gehad. Hij is op advies van verweerder in het AZC ingeschreven blijven staan, omdat hij dan een eigen woning zou krijgen. Dat is niet gebeurd. Eiser heeft in oktober 2009 zelf woonruimte gevonden. Toen hij hoorde dat hij geld verschuldigd was, hoorde hij ook dat zijn schuld inmiddels was opgelopen tot een bedrag van € 6511,10. Dit is hem nooit eerder verteld, terwijl eiser al sinds september 2007 werkt op basis van de aan hem verstrekte verblijfsvergunning.

Oordeel rechtbank

2.11 Het besluit strekt tot vaststelling dat eiser in totaal een bedrag van € 435,34 verschuldigd is en tot verrekening van dat bedrag met de wekelijkse financiële verstrekkingen.

2.12 In de van het bestreden besluit deeluitmakende berekening is vastgesteld dat eiser terzake van huisvesting een bedrag van € 196,50 verschuldigd is en terzake van verstrekt zak-en eetgeld een bedrag van € 238,84 verschuldigd is.

2.13 Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de berekening van deze bedragen.

2.14 Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hij voornoemde bedragen niet verschuldigd is, omdat hij daarover door verweerder nooit is geïnformeerd. De rechtbank begrijpt deze stelling van eiser aldus dat verweerder met de vaststelling van de eigen bijdrage in strijd heeft gehandeld met de vereiste zorgvuldigheid.

2.15 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Door verweerder is in het verweerschrift aangegeven, en door eiser is onvoldoende weersproken, dat eiser al in november 2007 erop is gewezen dat hij een eigen bijdrage verschuldigd is, omdat hij inkomsten uit arbeid geniet. Ook heeft eiser niet verweerders stelling betwist dat hij bij aanvang van de opvang een informatiepakket heeft ontvangen, met daarin informatie over “Betaald werken” en het verschuldigd zijn van een eigen bijdrage. Verder bevindt zich in het dossier een verklaring van [naam], destijds werkzaam in AZC te [plaatsnaam], waaruit volgt dat eiser ook door deze [naam] persoonlijk is geïnformeerd over de Reba-regeling. Gelet hierop staat voor de rechtbank voldoende vast dat eiser destijds door verweerder is geïnformeerd dat hij wegens het genieten van inkomsten uit arbeid een eigen bijdrage verschuldigd is. Er is dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door thans over de maand april 2009 een door eiser verschuldigde eigen bijdrage vast te stellen.

2.16 Eiser heeft in de tweede plaats aangevoerd dat hij geen eigen bijdrage in de kosten van onderdak is verschuldigd, omdat hij bij zijn oom woonde.

2.17 De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij in april 2009 ingeschreven stond in het AZC te [plaatsnaam] en voor hem in die maand woonruimte 86C beschikbaar is gehouden. Aan eiser is hiermee opvang in de vorm van onderdak in de opvangvoorziening verstrekt. Dat eiser niet daadwerkelijk hiervan gebruik heeft gemaakt, doet daar niet aan af. Eiser heeft er zelf voor gekozen, met het oog op eventuele bemiddeling naar woonruimte, in het AZC ingeschreven te blijven staan en als gevolg daarvan heeft verweerder, door voor eiser woonruimte beschikbaar te houden, kosten gemaakt. Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat eiser terzake van de aan hem ter beschikking gestelde huisvesting een bedrag van € 196,50 verschuldigd is.

2.18 Verder heeft eiser betwist dat hij een bijdrage terzake van verstrekt zak-en eetgeld verschuldigd is, aangezien hij in zijn eigen levensonderhoud voorzag.

2.19 De rechtbank kan verweerder, met eiser, niet volgen in de vaststelling dat eiser een bedrag van € 238,84 verschuldigd is in verband met verstrekt zak-en eetgeld. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

2.20 Het betreft hier de wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven als bedoeld in artikel 9, eerste lid sub b, van de Rva 2005.

In artikel 14, eerste lid, van de Rva 2005 is bepaald dat iedere asielzoeker aan wie opvang wordt verleend, aanspraak maakt op verstrekking van een wekelijkse financiële bijdrage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b van de Rva 2005. Uit het bepaalde in lid 2 tot en met 4 van dit artikel alsmede uit de toelichting hierop volgt dat deze verstrekkingen in hoogte variëren al naar gelang het betreft bewoners van centra waar volledig zelf wordt gekookt, bewoners van centra waar de bewoners wel het ontbijt en de lunch verzorgen maar niet de hoofdmaaltijd en bewoners van centra waar alle maaltijden in natura worden verstrekt. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat de financi ële toelage iedere week bij vooruitbetaling op een door het orgaan vastgestelde tijd (en plaats) aan de asielzoeker beschikbaar wordt gesteld.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat het hier een wekelijkse verstrekking in persoon betreft.

Niet in geschil is dat eiser zelf in zijn onderhoud heeft voorzien, wat wil zeggen dat hij voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven heeft voldaan uit zijn inkomsten uit arbeid. Voorts staat vast dat eiser zelf geen aanspraak heeft gemaakt op de financiële toelage als bedoeld in artikel 9, eerste lid sub b van de Rva 2005. Verder is onbetwist dat eiser sinds september /oktober 2007, en dus ook in april 2009, niet in het AZC te [plaatsnaam] verbleef en aan hem niet wekelijks op een door verweerder vastgestelde tijd (en plaats) een financiële toelage beschikbaar is gesteld. Weliswaar biedt artikel 13, tweede lid, van de Rva 2005, gelet op de toelichting op dat artikel, de mogelijkheid dat aan asielzoekers, die buiten de opvangvoorziening verblijven, de wekelijkse financiële bijdrage niettemin wordt verstrekt, maar dat is alleen het geval bij de zogeheten administratieve plaatsing. Deze plaatsing is echter alleen toelaatbaar bij inwoning van de asielzoeker bij een eerstegraads familielid of echtgeno(o)t(e) of partner. Hiervan is in het geval van eiser geen sprake.

2.21 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat eiser terzake van zak-en eetgeld een bedrag van € 238,84 is verschuldigd.

2.22 Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat het besluit, voor zover dat strekt tot verrekening met de wekelijkse financiële verstrekkingen evenmin stand kan houden.

2.23 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de vaststelling van verweerder dat eiser over de maand april 2009 in de kosten van zijn opvang een bedrag van € 435,34 verschuldigd is en dat zal worden overgegaan tot verrekening van dit bedrag met de wekelijkse financiële verstrekkingen geen stand kan houden.

2.24 Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

2.25 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 805, - (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 805,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechtbank, en op 8 april 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet als griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature