Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 6 april 2009 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [wederpartij] tot wijziging van de agrarische bestemming van de woning op het perceel [locatie] te Naaldwijk in de bestemming woondoeleinden.

Uitspraak



201009550/1/H1.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2010 in zaak nr. 09/6302 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Naaldwijk, gemeente Westland

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2009 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van [wederpartij] tot wijziging van de agrarische bestemming van de woning op het perceel [locatie] te Naaldwijk in de bestemming woondoeleinden.

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 juli 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 oktober 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door R. Jansen en C. Menheer, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. W. Visser, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [wederpartij] aangevoerd dat niet is gebleken dat het college tijdig heeft besloten tot het instellen van het beroep.

2.1.1. Op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet komt de bevoegdheid om te besluiten tot het instellen van hoger beroep in dezen toe aan het college.

Namens het college is bij brief van 1 oktober 2010, bij de Afdeling ingekomen op 4 oktober 2010, door een, naar niet in geschil, daartoe bevoegd persoon binnen de hogerberoepstermijn hoger beroep ingesteld. Dat in de vergadering van het college van 12 oktober 2010, na het verstrijken van de hogerberoepstermijn, is bevestigd hoger beroep in te stellen, doet niet af aan het feit dat tijdig hoger beroep is ingesteld.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juni 2009 in zaak nr. 200901661/1/R3; www.raadvanstate.nl) is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd kennis te nemen van een beroep gericht tegen (een besluit op bezwaar inzake) een besluit tot weigering een wijzigingsplan vast te stellen als dat besluit op of na 1 juli 2008 is bekendgemaakt.

Het besluit op bezwaar is op 21 juli 2009 aan [wederpartij] bekendgemaakt. Dit betekent dat niet de rechtbank, maar de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is kennis te nemen van het beroep. Nu de rechtbank desondanks kennis heeft genomen van het beroep, is het hoger beroep reeds daarom gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 21 juli 2009 behandelen.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied, glastuinbouw".

Ingevolge artikel 7, zesde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en met inachtneming van de Procedurebepaling (artikel 2 3 ) het plan te wijzigen behoeve van de verandering van de bestemming ter plaatse van een agrarisch bedrijfscentrum ten behoeve van het wonen, met inachtneming van het volgende:

"0. vast dient te staan dat de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse is of wordt beëindigd en, mede gelet op de bedrijfseconomische, ruimtelijke dan wel milieuhygiënische omstandigheden, niet meer kan worden uitgeoefend, dan wel dat de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse is of wordt beëindigd in het kader van de reconstructieplannen oude glastuinbouwgebieden en schaalvergroting;

1. het aanwezige aantal woningen binnen het plangebied als totaal mag niet worden vergroot;

2. voor het overige is het bepaalde in de bestemming Woondoeleinden (W) van overeenkomstige toepassing."

2.4. Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voert het college een beleid dat is neergelegd in het Raamplan woningen buitengebied Westland (hierna: het Raamplan), dat op 1 maart 2005 is vastgesteld door het college.

Volgens paragraaf 5.3.1 van het Raamplan kan aan bestemmingswijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning medewerking worden verleend als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De derde voorwaarde luidt dat de ligging van de af te splitsen bedrijfswoning niet in de weg staat aan toekomstige reconstructie, bestaande bedrijvigheid of andere ruimtelijke opgaven (waterberging, wegen). Volgens voormelde paragraaf dient in beschouwing te worden genomen in hoeverre er door de gemeente in het verleden een toezegging is gedaan waardoor een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat legalisering van de onttrekking zou plaatsvinden. Indien een dergelijk toezegging is gedaan, is een toets op het voldoen aan de voorwaarden 5 en 6 voldoende. Voor wat betreft de vraag of een toezegging is gedaan, wordt in voormelde paragraaf verwezen naar paragraaf 10.2.4, waarin is ingegaan op de definitie daarvan. In die paragraaf is onder meer vermeld dat een eventuele OZB-aanslag van de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning in de context van de zaak dient te worden betrokken.

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de in artikel 7, zesde lid, van de planvoorschriften genoemde voorwaarden wordt voldaan. Evenmin is in geschil dat niet aan de derde voorwaarde van paragraaf 5.3.1 van het Raamplan wordt voldaan.

2.6. [wederpartij] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat op grond van paragraaf 10.2.2 van het Raamplan af te wijken van het beleid en het verzoek om wijziging van de bestemming toe te wijzen. Hij voert daartoe aan dat sprake is van een toezegging van de zijde van de gemeente, waaraan hij rechten kan ontlenen. Hij wijst er in dit verband op dat hij jarenlang OZB-aanslagen heeft ontvangen als zou zijn woning een burgerwoning zijn.

2.6.1. Paragraaf 10.2.2 van het Raamplan ziet blijkens hoofdstuk 10 van het Raamplan uitsluitend op de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik van een agrarische bedrijfswoning. De in die paragraaf vermelde omstandigheden spelen dan ook geen rol bij de vraag of het college terecht afwijzend heeft beslist op het in deze procedure aan de orde zijnde verzoek van [wederpartij] om wijziging van de agrarische bestemming van de woning. In zoverre faalt het betoog van [wederpartij] dan ook.

Of van een toezegging van de zijde van de gemeente sprake is, is evenwel niet alleen een omstandigheid die dient te worden betrokken bij de vraag of het college tot handhaving heeft kunnen overgaan, maar ook een omstandigheid die volgens paragraaf 5.3.1 van het Raamplan door het college betrokken dient te worden bij de vraag of aan bestemmingswijziging van de agrarische bedrijfswoning kan worden meegewerkt.

2.6.2. Bij besluit van 10 februari 2000 heeft de gemeenteraad van Naaldwijk het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. In dit bestemmingsplan is, voor zover thans van belang, aan het perceel de bestemming "Woondoeleinden" toegekend, waardoor de woning van [wederpartij] van een agrarische bedrijfswoning is omgezet in een burgerwoning.

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij besluit van 3 oktober 2000 beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het heeft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", voor zover dat de woning aan het [locatie] betreft, in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en hieraan goedkeuring onthouden. Dit besluit is bij de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2002 in zaak nr. 200004862/1 (www.raadvanstate.nl) in zoverre onherroepelijk geworden.

2.6.3. Het college heeft zich in het besluit van 21 juli 2009, voor zover thans van belang, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften Westland, verzonden op 14 juli 2009, en nader toegelicht in zijn verweerschrift op het beroep van [wederpartij], in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een toezegging op grond waarvan het verzoek van [wederpartij] moet worden toegewezen. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat [wederpartij] sinds voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2002 ervan op de hoogte had kunnen zijn dat zijn agrarische bedrijfswoning niet was omgezet naar een burgerwoning en daarom ook wist, dan wel had kunnen weten dat hij als eigenaar van een agrarische bedrijfswoning OZB belasting diende te betalen. Dat [wederpartij] er niet van op de hoogte was dat bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten waren ingebracht en tegen het besluit omtrent goedkeuring van dat college beroep was ingesteld bij de Afdeling, maakt dat, wat hier ook van zij, niet anders. Het bestemmingsplan behoefde goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voordat het in werking trad, zodat [wederpartij] niet zonder meer heeft kunnen uitgaan van het bestemmingsplan en derhalve daaraan niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zijn woning was omgezet in een burgerwoning.

2.7. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 21 juli 2009 is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2010 in zaak nr. 09/6302;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 21 juli 2009 bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

473.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature