Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

(Voorwaarden) aanzegging functies. Zorgvuldigheid. 1) Met nieuw besluit is tegemoet gekomen aan bezwaar van appellant. Schadevergoeding geregeld. Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. 2) Herziening WAO-uitkering. Niet gebleken dat de geduide functies ter sprake zijn gebracht. Evenmin blijkt uit het dossier dat op enig moment nadien schriftelijk de geduide functies aan appellant bekend zijn gemaakt. Vernietiging besluit.

Uitspraak



08/3412 WAO, 08/5416 WAO

10/2945 WAO, 10/3059 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Slowakije (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 april 2008, 06/6943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van der Made, advocaat te Gorinchem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Made. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. de Rooy.

De Raad heeft het onderzoek heropend. Hij heeft, bij brief van 28 juni 2010, een aantal vragen aan het Uwv voorgelegd.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad binnengekomen op 20 september 2010, heeft het Uwv deze vragen beantwoord. Mr. Van der Made heeft op 20 oktober 2010 een schriftelijke reactie ingezonden.

De behandeling van de gedingen ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 februari 2011. Namens appellant is verschenen mr. Van der Made. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 6 december 1999 definitief uitgevallen voor zijn werk als CV-monteur. Per 3 december 2000 is aan hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 3 juli 2002 is deze herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2.1. Met een besluit van 28 oktober 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 december 2005 wordt herzien naar 35 tot 45%. Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2006 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij besluit van 10 april 2007 (hierna: besluit 1) is aan appellant medegedeeld dat het besluit van 13 juli 2006 niet wordt gehandhaafd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 december 2005 is vastgesteld op 45 tot 55%.

1.2.2. Bij besluit van 10 december 2007 is aan appellant medegedeeld dat, na onderzoek in het kader van een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB), zijn WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% per 22 februari 2007 ongewijzigd wordt voortgezet. Bij beslissing op bezwaar van 25 juli 2008 (hierna: besluit 2) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.2.3. Ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op en na 22 februari 2007 aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (oSB). Bij besluit van 21 mei 2010 (hierna: besluit 3) heeft het Uwv appellant medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 oktober (lees: december) 2005 is vastgesteld op 65 tot 80%.

1.2.4. Bij een tweede besluit van 21 mei 2010 (hierna: besluit 4) is aan appellant ten slotte medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 februari 2008 is vastgesteld op 45 tot 55%.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een oordeel gegeven over besluit 1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en evenmin de daaruit getrokken conclusies met betrekking tot de functionele mogelijkheden van appellant voor onjuist te houden. Ook de geduide functies zijn terecht aan de schatting ten grondslag gelegd.

3. Tijdens de zitting van de Raad op 2 juni 2010 zijn partijen tot overeenstemming gekomen omtrent de vergoeding van de wettelijke rente en tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat met besluit 3 besluit 1 is ingetrokken. Met besluit 3 is volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant. Hieruit volgt dat appellant, nu ook over de gevorderde schade overeenstemming is bereikt, geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

4.2.1. Vervolgens stelt de Raad vast dat besluit 2 is vervangen door besluit 4. Hieruit volgt dat appellant nog slechts belang heeft bij een beoordeling van dit besluit, zodat de Raad zich daartoe zal beperken.

4.2.2. Aan dit besluit liggen ten grondslag een rapport van verzekeringsarts R. Ponsioen van 20 september 2006 en een rapport van arbeidsdeskundige J. Schaap van 7 december 2007.

4.2.3. Namens appellant is onder meer ontkend dat de aan deze schatting ten grondslag liggende functies aan hem zijn voorgehouden door de arbeidsdeskundige.

4.3. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

4.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 juni 2006, LJN AY2985, brengt volgens zijn vaste rechtspraak het zorgvuldigheidsbeginsel met zich mee dat, alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte dient te worden gesteld van de medische beperkingen welke naar het oordeel van het bestuursorgaan voor hem gelden, alsmede van de functies welke hij met die beperkingen zou kunnen vervullen.

4.5. Voorts heeft de Raad in zijn rechtspraak bepaald dat de voorgehouden functies niet met de betrokkene behoeven te worden besproken. Noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie vloeit deze eis voort. Wel is vereist dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is wat zijn (theoretische) arbeidsmogelijkheden zijn. Aan die eis is voldaan als betrokkene daarvan schriftelijk op de hoogte is gebracht (CRvB 23 oktober 2007, LJN BB6430).

4.6. Uit het rapport van Schaap blijkt dat er telefonisch overleg is geweest met appellant, mede omdat appellant heeft aangegeven te kiezen voor een zogenoemde papieren arbeidskundige keuring in het kader van de oSb herbeoordeling. In dit gesprek is, blijkens het verslag, door Schaap gemeld dat er een nieuwe beslissing zal worden gestuurd en wat de uitkomst van de oSb schatting zou worden. Uit dit rapport blijkt niet dat de geduide functies ter sprake zijn gebracht. Evenmin blijkt uit het dossier dat op enig moment nadien schriftelijk de geduide functies aan appellant bekend zijn gemaakt.

4.7. Reeds hierom kan besluit 4 geen stand houden en zal de Raad dit besluit vernietigen. Het namens appellant overigens aangevoerde behoeft geen bespreking meer. Het Uwv zal een nieuw besluit dienen te nemen omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum 8 februari 2008.

4.8. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Deze worden begroot op € 644,– voor kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg en € 966,– voor kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.610,–.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Vernietigt het besluit van 20 mei 2010 (besluit 4), voor zover daarbij is beslist over de aanspraak op WAO-uitkering per 8 februari 2008;

Draagt het Uwv op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.610,–;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,– vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T. Dolderman.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature