Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verdachte wordt ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.445,10 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak



Parketnummer: 24-002558-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-651619-09

Arrest van 19 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 14 oktober 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 5 april 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde, een poging tot zware mishandeling, zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van

€ 1.859,04, subsidiair 28 dagen hechtenis, en dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk zal worden verklaard.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter. Daarom zal het vonnis worden vernietigd en opnieuw recht worden gedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 21 maart 2009, bij de jeugdsoos te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, althans die [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met kracht een trap tegen de nek, althans het hoofd heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daartoe is aangevoerd dat verdachte enkel een trap wilde geven tegen de borst van aangever. Doordat aangever op enig moment naar voren boog, kwam de trap van verdachte tegen het hoofd of de nek van aangever terecht. Zelfs nu sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, is er geen zwaar lichamelijk letsel ontstaan, zodat ook geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet op dat letsel, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt de volgende feiten vast.

Op 21 maart 2009 staat aangever met een paar vrienden op straat voor de jeugdsoos te [plaats]. Op enig moment komt verdachte in zijn auto aanrijden en stopt ter hoogte van aangever. Aangever spuugt enkele keren, vlak voor de auto van verdachte, op straat. Er ontstaat een woordenwisseling. Daarop stapt verdachte uit zijn auto, loopt op aangever af en pakt hem bij zijn kraag en duwt aangever van zich af. Vervolgens trapt verdachte met zijn rechterbeen met kracht tegen het hoofd van aangever. Aangever zakt door zijn knieën, komt hierdoor op straat terecht en raakt buiten bewustzijn. Hij wordt - nadat hij is bijgekomen - door vrienden naar huis gebracht. Thuis ervaart aangever forse pijnen in zijn hals en is hij duizelig. Zijn vader stabiliseert zijn hals, roept medische hulp in en aangever wordt per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij wordt opgenomen en blijkt dat hij twee bloedingen in het ruggenmerg en een hersenschudding heeft opgelopen. Aangever ervaart voorts tintelingen in zijn linkerhand, terwijl een aantal vingers en zijn rechterbeen gevoelloos zijn.

Het hof overweegt het volgende.

Anders dan de raadsvrouw, komt het hof tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Voor zover het verweer ziet op het subsidiair ten laste gelegde, zal dat dan ook worden gepasseerd.

Het hof stelt vast dat verdachte op korte afstand met kracht een snelle, hoge trap tegen het hoofd van aangever heeft gegeven. Dat verdachte enkel een trap tegen de borst van aangever heeft willen geven, acht het hof niet geloofwaardig. Op grond van verschillende getuigenverklaringen staat vast dat verdachte gericht getrapt heeft in de richting van het hoofd van aangever. Het hof overweegt dat verdachte - die tot voor kort de kickbokssport heeft beoefend - zodanig snel, hoog en met kracht tegen het hoofd van aangever heeft getrapt, dat aangever onmiddellijk ten val werd gebracht. Het vereist

- aldus één van de getuigen - een speciale techniek om zo hoog te kunnen trappen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Het trappen tegen het hoofd is naar de uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als te zijn gericht op levensberoving. Door onverhoeds, snel en met kracht tegen het hoofd te trappen, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever ten gevolge van verdachtes handelen zou komen te overlijden. Aldus is er sprake geweest van (voorwaardelijk) opzet en is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 21 maart 2009, bij de jeugdsoos te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] met kracht een trap tegen het hoofd heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: poging tot doodslag.

Strafbaarheid

Omtrent verdachtes persoon is door dr. F. Luteijn, klinisch psycholoog, op 28 april 2010 een rapport opgemaakt.

In voornoemd rapport wordt geconcludeerd dat verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte wordt door de rapporteur volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne. Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, is verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag tegen [benadeelde]. Verdachte heeft een krachtige trap tegen het hoofd van [benadeelde] gegeven, waardoor bij hem letsel is ontstaan en waarvoor een ziekenhuisopname noodzakelijk is geweest. Door aldus te handelen heeft verdachte de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Blijkens de verklaring van het slachtoffer ter zitting ervaart hij ook thans nog de gevolgen van het incident. Het slachtoffer heeft last van geheugenverlies en maakt zich daarom ook zorgen over de toekomst. Ook weet hij niet of hij de opleiding kan gaan volgen die hij altijd voor ogen had en is hij tijdens het uitgaan meer op zijn hoede.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 februari 2011 niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

Voorts is in aanmerking genomen hetgeen door en namens verdachte ter zitting omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht. Het hof heeft daarbij ook gelet op het genoemde psychologische rapport en het reclasseringsrapport d.d. 21 september 2009, opgemaakt door Verslavingszorg Noord Nederland.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Dit is een ernstig delict. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de aanleiding er in gelegen was dat verdachte zich door het spugen van het slachtoffer kennelijk in zijn goede eer aangetast voelde. Vervolgens is verdachte, aldus zijn verklaring, zijn zelfbeheersing geheel verloren. De door de advocaat-generaal gevorderde straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Het hof acht - gelet op de ernst van het feit en uit het oogpunt van vergelding - een gevangenisstraf geboden. Met een lichtere strafmodaliteit kan niet worden volstaan. Wel ziet het hof aanleiding om een deel van de na te melden gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit strafdeel dient verdachte ervan te weerhouden zich binnen de daaraan te verbinden proeftijd van twee jaren schuldig te maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

Vordering benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van

€ 5.966,60.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat de schade aan de kleding en de reiskosten niet volledig kan worden vergoed. Daartoe heeft de raadvrouw betoogd dat de prijs van de kleding aan de hoge kant is en dat de kleding reeds enige tijd gedragen was. De raadsvrouw heeft voorts de duur van de ziekenhuisopname betwist. Het aantal autoritten welke ten behoeve van de ziekenhuisbezoeken zijn gemaakt, komen haar inziens niet overeen met het aantal dagen die de benadeelde daadwerkelijk in het ziekenhuis heeft doorgebracht. De gevorderde en in eerste aanleg deels toegewezen immateriële schadevergoeding is daarnaast erg fors en sluit niet aan bij de schadevergoeding die in vergelijkbare zaken wordt toegekend, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Kleding

Gelet op het gegeven dat het vest slechts een week voor het incident was gekocht en het T-shirt niet meer dan vier maanden oud was, acht het hof het redelijk om dit deel van de vordering toe te wijzen.

Reiskosten

Nu de raadsvrouw enkel het aantal ziekenhuisopnamedagen betwist, doch niet het aantal autoritten naar het ziekenhuis, komt ook dit deel van de vordering - als concreet onderbouwd en aannemelijk geworden - voor vergoeding in aanmerking.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen, waarbij ook in aanmerking wordt genomen dat ten tijde van de behandeling in hoger beroep sprake is van gevolgschade.

Gederfde inkomsten en opleidingskosten

Niet voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde daadwerkelijk het genoemde vakantiewerk zou hebben verricht tijdens de zomervakantie in 2009. Een onderbouwing daarvan ontbreekt. Ten aanzien van de gemaakte opleidingskosten staat evenmin voldoende vast dat de benadeelde, wanneer het incident niet zou hebben plaatsgevonden, zijn opleidingsjaar zou hebben afgerond. Het voorgaande brengt mee, mede nu ook deze onderdelen worden betwist, dat de benadeelde met betrekking tot beide posten in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.445,10 toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door het bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij tot dat bedrag schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij zorgt voor een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat op grond van het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet- ontvankelijk wordt verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aan verdachte zal daarnaast - in de vorm van de schadevergoedingsmaatregel - de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van drie maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweeduizend vierhonderdvijfenveertig euro en tien cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweeduizend vierhonderdvijfenveertig euro en tien cent ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vierendertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Dolfing, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. H.K. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier, zijnde mr. H.K. Elzinga buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature