Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Tussentijdse beëindiging: niet voldoen aan verplichtingen + verzwijgen informatie voor de bewindvoerder.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Team insolventierecht

tussentijdse beëindiging schuldsanering

insolventienummer: 08/226 R en 08/227 F

nummers verklaring: GEE0210700289 en GEE0210700297

uitspraakdatum: 18 april 2011

[verzoeker],

geboren op [datum] te [woonplaats]

en

[verzoekster],

geboren op [datum] te [woonplaats],

beiden wonende [adres]

bewindvoerder: aanvankelijk M. Sonneveld, thans E. Troost.

1. Het verloop van de procedure.

- de vonnissen van de rechtbank van 21 april 2008, waarbij de toepassing van de schuldsanering is uitgesproken;

- het verzoek van de bewindvoerder van 17 mei 2010 om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen;

- het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 17 december 2010, waarbij de behandeling is aangehouden tot 17 februari 2011;

- de brief van de bewindvoerder van 8 maart 2011;

- het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 24 maart 2011, waarbij de behandeling is aangehouden tot 4 april 2011;

- het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 4 april 2011.

2. Het geding.

Dit strekt tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

3. De beoordeling.

De bewindvoerder heeft verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De rechter-commissaris heeft geadviseerd de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

Als grond voor de beëindiging is aangevoerd dat de schuldenaren niet hebben voldaan aan de inlichtingen- en afdrachtverplichting en nieuwe schulden hebben laten ontstaan. Voor wat betreft mevrouw [verzoekster] komt daar nog bij dat zij niet heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 17 december 2010 is het verzoek tot tussentijdse beëindiging aangehouden tot 17 februari 2011 Pro forma met opdracht aan de schuldenaren om de toenmalige bewindvoerder mr. M. Sonneveld alle door hem gewenste informatie toe te sturen, alsmede betalingsbewijzen van de nieuwe schulden bij Oxxio en het Waterschap en de bewindvoerder informatie te verstrekken over de stand van zaken met betrekking tot de rechtszaak tegen [partij Q]. Uit de brief van mr. Sonneveld van 26 januari 2011 en uit de brief van de opvolgend bewindvoerder E. Troost van 8 maart 2011 blijkt dat de schuldenaren hieraan niet hebben voldaan. Vervolgens is wederom een inhoudelijke behandeling gepland op 24 maart 2011, welke wegens verhindering van de schuldenaren is uitgesteld tot 4 april 2011.

Uit voormelde brief van de opvolgend bewindvoerder E. Troost van 8 maart 2011 blijkt dat de schuldenaren nog immer in gebreke zijn gebleven met het verstrekken van vorenbedoelde informatie, dat mevrouw [verzoekster] geen sollicitatiebewijzen heeft overgelegd en dat de bewindvoerder nog steeds niet de beschikking heeft over een medisch keuringsrapport van de heer [verzoeker] waaruit zijn arbeidsongeschiktheid blijkt. De bewindvoerder beschikt niet over de bankafschriften vanaf april 2009 en de inkomens- dan wel uitkeringsspecificaties vanaf december 2009. Op basis van de haar ter beschikking staande gegevens heeft de bewindvoerder de boedelachterstand geschat op Euro 1.162,22. De schuldenaren hebben geen duidelijkheid verschaft omtrent de nieuwe schulden bij Oxxio en het Waterschap en evenmin over de procedure tegen [partij Q]. In haar brief van 8 maart 2011 verzoekt de bewindvoerder de behandeling van het verzoek tot tussentijdse beëindiging geen doorgang te laten vinden en de aangehaalde kwesties te behandelen ter gelegenheid van de eindzitting, aangezien de termijn van de schuldsanering reeds eindigt op 21 april 2011.

In zijn uitspraak van 28 januari 2011 LJN: BO 5760 heeft de Hoge Raad bepaald dat uit het wetsstelsel zoals neergelegd in artt. 352-356 Fw. volgt dat de schuldsaneringsregeling niet van rechtswege eindigt door verloop van de termijn waarvoor de schuldsaneringsregeling is uitgesproken. De rechtbank ziet derhalve geen reden voormeld verzoek van de bewindvoerder in te willigen.

De rechtbank is bovendien bekend geworden met de publicatie in het regionale dagblad BN De Stem van 28 december 2010, waarin de schuldenaren verklaren een onderneming in uitvaartverzorging in [plaatsnaam] te willen beginnen, doch daarvoor geen toestemming te krijgen van de gemeente. Copie van deze publicatie wordt aan dit vonnis gehecht.

De schuldenaren hebben ter zitting verklaard de bewindvoerder alle gevraagde informatie te hebben toegestuurd en niet te begrijpen waarom de gegevens niet zijn aangekomen.

Ter zitting geconfronteerd met de hiervoor bedoelde publicatie hebben de schuldenaren erkend de bewindvoerder niet op de hoogte te hebben gebracht van hun ondernemings-plannen. Zij hebben verklaard zulks niet nodig te hebben geacht, omdat zij geen toestemming van de gemeente kregen. De zinsnede in bedoeld krantenartikel dat reeds benodigdheden voor de onderneming, waaronder baartafels en een koelinstallatie zouden zijn aangeschaft wordt door de schuldenaren ontkend, evenals de opmerking dat zij beiden thans werkzaam zouden zijn bij een uitvaartonderneming in [plaatsnaam]. De schuldenaren hebben hieraan toegevoegd dat het wel hun bedoeling is om in de toekomst zelf een uitvaartonderneming te starten.

Vast staat dat de schuldenaren niet hebben voldaan aan de verplichtingen, voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling, nu zij de bewindvoerder geen informatie hebben verstrekt, nieuwe schulden hebben laten ontstaan alsmede een boedelachterstand en mevrouw [verzoekster] niet heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting. Op 12 augustus 2009 heeft de toenmalig bewindvoerder op grond van deze omstandigheden reeds een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de regeling gedaan. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2009 blijkt dat dit verzoek is ingetrokken omdat de schuldenaren de toezegging hebben gedaan in het vervolg volledig aan hun verplichtingen te zullen voldoen. De schuldenaren hebben deze toezegging echter niet gestand gedaan. De bewindvoerder beschikt nog steeds niet over de gegevens die indertijd reeds ontbraken. Hiermede staat vast dat de schuldenaren de afgelopen twee jaren stelselmatig niet hebben voldaan aan hun verplichtingen. Dit vormt reeds voldoende grond om de schuldsanerings-regeling te beëindigen. Nu de schuldenaren bovendien bewust hun ondernemingsplannen voor de bewindvoerder hebben verzwegen en controle van hun beweringen met betrekking tot de blijkens de publicatie gedane aanschaffingen en dienstbetrekking niet mogelijk is omdat de bewindvoerder niet beschikt over de bankafschriften en inkomensspecificaties, kan tevens worden vastgesteld dat de schuldenaren door hun handelen het verloop van de schuldsaneringsregeling hebben gefrustreerd en hebben getracht hun schuldeisers te benadelen.

Derhalve is er aanleiding de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 sub c , de en e van de Faillissementswet .

Er zijn onvoldoende baten om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. Voorzover de kosten van de in de schuldsaneringsregeling bevolen publicaties niet uit de boedel worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.

4. De beslissing.

De rechtbank:

- stelt vast dat de schuldenaren een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen en dat zij door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling hebben belemmerd dan wel gefrustreerd;

bovenmatige schulden hebben laten ontstaan;

hebben getracht hun schuldeisers te benadelen;

- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;

- stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op Euro 1.747,50, de verschotten op Euro 180,-- (beide bedragen exclusief de daarover verschuldig¬de omzetbelas¬ting), te vermeerderen met een forfaitaire bedrag aan publicatiekosten van Euro 65,--, waarop in mindering strekken de reeds ontvangen bedragen, en bepaalt dat deze bedragen ten laste van de schuldenaren komen;

Dit vonnis is gewezen door mr. Boerma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature