Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Na ambtshalve doorhaling (art. 247 Rv) is de instantie niet geëindigd. Verzet tegen hervatting procedure slaagt dus niet. Verweer tegen de rechtsgeldigheid van de cessie faalt eveneens. Gedaagde is niet in haar bewijsopdracht geslaagd, zodat nu vaststaat dat zij jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door de aan haar door eiseres ter beschikking gestelde gelden aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor deze ter beschikking waren gesteld. Vordering tot terugbetaling toegewezen.

Uitspraak



Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 190215 / HA ZA 09-1730

Vonnis van 6 april 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.B.M. BESTRATINGEN B.V.,

gevestigd te Nieuw Vennep,

en haar beoogd rechtsopvolger onder bijzondere titel

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. B.J. Sol te Haarlem,

tegen

de stichting

STICHTING BEHEER DERDENGELDEN MRS. [gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.G.M. Goedvriend te Nijmegen.

Partijen zullen hierna M.B.M., [eiser sub 2] en de Stichting genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van de rechtbank van 10 maart 2004, gewezen onder de zaak- en rolnummers 97154 / HA ZA 03-351 en 101172 / HA ZA 03-1044 in de hoofdzaak tussen M.B.M. en de Stichting en de vrijwaringzaak tussen de Stichting en [betrokkene]. Hierbij is de Stichting zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringzaak tot bewijslevering toegelaten,

- de getuigenopgave van de Stichting van 24 maart 2004,

- de rolkaart met betrekking tot de genoemde hoofdzaak met zaak-/rolnummer 97154 / HA ZA 03-351, waaruit volgt dat de naar aanleiding van voormelde opgave geagendeerde getuigenverhoren niet zijn gehouden en dat de zaak op 25 mei 2005 is geschorst en naar de parkeerrol is verwezen, waarna de zaak op 4 oktober 2006 ambtshalve door de rechtbank is doorgehaald,

- het exploit betekening cessie en hervatting van rechtsgeding van deurwaarder Hommersom, waarbij deze op 10 juli 2009 op verzoek van [eiser sub 2] aan de Stichting heeft betekend een overeenkomst tot verkoop en overdracht van een vordering (cessie) tussen de curator in het faillissement van M.B.M. en [eiser sub 2] d.d. 4/8 juli 2007 en heeft verklaard dat het geding tussen M.B.M. als eiseres en de Stichting als gedaagde met rolnummer 2003-351, hetwelk geschorst was door het op 10 mei 2005 uitgesproken faillissement van M.B.M., wordt hervat, met oproeping van de Stichting om te verschijnen op de rolzitting van 29 juli 2009,

- de correspondentie tussen de roladministratie en de advocaten van M.B.M. en de Stichting, alsmede de rolkaart, waaruit volgt dat de zaak met rolnummer 03-351 op de rolzitting van 28 oktober 2009 is heropend en dat hierin door M.B.M. en de Stichting wordt voortgeprocedeerd onder het nieuwe zaak- en rolnummer 190215 / HA ZA 09-1730,

- de nieuwe datumbepaling voor de getuigenverhoren en het proces-verbaal van niet-gehouden getuigenverhoor op 10 juni 2010, op welke zitting een aantal procesafspraken is gemaakt met de advocaten van partijen en de zaak is aangehouden voor beraad voortzetting enquête,

- de datumbepaling voor de voortzetting van de enquête en het bericht van de Stichting d.d. 12 november 2010 dat zij afziet van het getuigenverhoor, met het proces-verbaal van rolverwijzing van 16 november 2010,

- de conclusie na niet gehouden enquête van de Stichting, tevens houdende akte verzet tegen hervatting van geroyeerde (doorgehaalde) procedure alsmede akte ongeldigheid van de rechtsovergang van de levering van rechten op naam ex artikel 3:94 BW (cessieakte),

- de conclusie van antwoord na (niet gehouden) enquête van M.B.M. en [eiser sub 2], tevens antwoordakte verzet hervatting doorgehaalde procedure en antwoordakte ongeldigheid cessie, alsmede akte verzoek voorzetting procedure op naam cessionaris.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De Stichting verzet zich alsnog tegen de voortzetting van het geding. Zij betoogt dat een beëindigde en door de rechtbank doorgehaalde procedure niet meer te hervatten is.

2.2. Te dien aanzien overweegt de rechtbank dat op zichzelf juist is dat een beëindigde procedure beëindigd is en dus niet hervat kan worden. In dit geval echter is de procedure tussen M.B.M. en de Stichting niet beëindigd. De zaak is eerst geschorst, naar de rechtbank aanneemt: naar aanleiding van het faillissement van M.B.M., en naar de parkeerrol verwezen en de zaak is daarna ambtshalve door de rechtbank geroyeerd c.q. doorgehaald op 4 oktober 2006. Het betrof een doorhaling op de voet van artikel 247 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Deze ambtshalve doorhaling heeft op zichzelf geen rechtsgevolg, in het bijzonder niet dat de instantie erdoor zou eindigen. De zaak kan door elk van beide partijen weer op de rol worden gebracht ter voortzetting van het geding en dat is hier gebeurd.

2.3. Hetgeen de Stichting aanvoert in haar akte van verzet tegen de hervatting leidt niet tot een ander oordeel. Noch het tijdsverloop en de bewijsnood van de Stichting, noch het optreden van [betrokkene] en de cessie door de curator in het faillissement van M.B.M. geven aanleiding voor de veronderstelling dat een overeenkomst tussen M.B.M. en de Stichting tot stand is gekomen dan wel dat zich andere omstandigheden hebben voorgedaan, die aan de hervatting van het geding in de weg staan.

Het verzet van de Stichting tegen de hervatting van het geding door M.B.M. is derhalve ongegrond.

2.4. Voorts voert de Stichting verweer tegen de geldigheid van de rechtsovergang van M.B.M. op [eiser sub 2]. De Stichting meent dat de cessie niet rechtsgeldig is omdat de onderhandse akte van cessie niet is geregistreerd en de cessie niet met bekwame spoed is medegedeeld.

2.5. Dit betoog miskent dat op grond van het eerste lid van artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd worden door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of door de verkrijger. Dat is hier gebeurd. De advocaat van M.B.M. en [eiser sub 2] heeft de schriftelijke overeenkomst tot verkoop en overdracht van de bepaald omschreven vordering van M.B.M. op de Stichting in het geding gebracht, alsmede het deurwaardersexploot waarbij deze onderhandse akte op verzoek van de verkrijger, [eiser sub 2], aan de Stichting is betekend.

De door de Stichting veronderstelde eis van registratie, genoemd in het derde lid van artikel 6:94 BW, betreft de levering van rechten zonder mededeling aan de debiteur, de zogenaamde ‘stille cessie’. Daarvan is in dit geval geen sprake. De debitor cessus was bekend en is in de akte genoemd.

2.6. Het door de Stichting veronderstelde vereiste van mededeling ‘met bekwame spoed’ betreft de in het tweede lid van artikel 6:94 BW bedoelde levering van een recht jegens een ten tijde van de overdracht nog onbekende persoon en ziet alleen op de terugwerkende kracht van die levering. Dit is hier niet aan de orde. De wet stelt niet de eis dat de cessie van een vordering op een bekende schuldenaar met bekwame spoed aan die schuldenaar moet worden medegedeeld, terwijl in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard dat de uit cessie ontstane rechten verloren gaan indien de cessie niet binnen twee jaar aan de schuldenaar wordt betekend. Bijzondere omstandigheden waarom dat in dit geval wel zou gelden, zijn door de Stichting niet gesteld.

2.7. Ten slotte geeft ook de klacht van de Stichting, dat zij van de curator in het faillissement van M.B.M. een door hem gewaarmerkt uittreksel van de akte en haar titel heeft verlangd, doch dat de curator dit heeft geweigerd, de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de cessie.

2.8. In zijn brief van 17 december 2009 schrijft de curator aan de Stichting dat alle van belang zijnde stukken in bezit van de Stichting zijn, dat het faillissement is afgewikkeld en dat hij niet van plan is het archief in te duiken voor vragen naar de bekende weg c.q. irrelevante vragen. De Stichting heeft deze brief overgelegd en wil zich van deze productie bedienen. Hierbij heeft de Stichting niet gesteld dat de feitelijke mededelingen van de curator in deze brief onjuist zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de Stichting, zoals de curator aan haar schrijft, ‘alle van belang zijnde stukken’ reeds in haar bezit had. De rechtbank verstaat hieruit dat de Stichting reeds een deugdelijk gewaarmerkte kopie van de cessieakte in haar bezit had. Het ontgaat de rechtbank wat de Stichting beoogt met het door haar verlangde uittreksel uit die akte en haar titel. De akte zelf – zijnde een door de curator en [eiser sub 2] ondertekende overeenkomst op briefpapier van de curator – levert een betere onderbouwing van de rechtsovergang dan een uittreksel uit die akte.

De rechtbank gaat dus uit van de rechtsgeldigheid van de cessie.

Overigens heeft [eiser sub 2] bij zijn antwoordakte, waarop de Stichting niet heeft kunnen reageren, nog een afschrift van een brief van de rechtbank Haarlem d.d. 7 januari 2010 overgelegd, waarbij de griffier van de afdeling insolventies aan mr. [een der gedaagden van de stichting] de openbare verslagen toezendt en hem erop wijst dat in het negende verslag is vermeld dat de curator na overleg met de rechter-commissaris heeft besloten om de claim op de Stichting te verkopen c.q. cederen aan de erven [belanghebbende] ([eiser sub 2] is de zoon van [belanghebbende], rb), alsmede dat de rechter-commissaris hiervoor toestemming heeft verleend.

2.9. Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

De Stichting heeft het bewijs, waartoe zij was toegelaten in het vonnis van 10 maart 2004, niet geleverd. De consequentie hiervan is dat in dit geding kan worden vastgesteld dat de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld door de aan haar door M.B.M. ter beschikking gestelde gelden aan te wenden voor andere doelen dan waarvoor die gelden ter beschikking waren gesteld en dat zij gehouden is om aan M.B.M. het desbetreffende bedrag van in totaal € 27.226,81 terug te betalen, te vermeerderen met, zoals gevorderd en niet afzonderlijk weersproken, de wettelijke rente vanaf 22 december 2000.

[eiser sub 2] is ter zake door de rechtsgeldig bevonden cessie in de rechten van M.B.M. getreden.

2.10. [eiser sub 2] heeft in het laatste processtuk verzocht om dit geding te mogen overnemen van M.B.M. en te mogen voortzetten op eigen naam. Feitelijk is dit een nieuw incident in de zin van artikel 208 e.v. Rv. Dit is echter op de rol niet als zodanig opgemerkt en de Stichting is niet in de gelegenheid gesteld om bij conclusie van antwoord in dit nieuwe incident op het verzoek van [eiser sub 2] te reageren. De rechtbank zal aan dit verzoek voorbijgaan omdat [eiser sub 2] geen belang heeft bij formele overname van het geding. In het geding zijn in deze aanleg geen verdere proceshandelingen nodig en op de geldigheid van de rechtsovergang is hierboven reeds beslist. De rechtbank verstaat de vorderingen van M.B.M. aldus dat zij vordert om de Stichting te veroordelen om hetgeen aan haar, M.B.M., toekwam, aan [eiser sub 2] te betalen. Uit de procesopstelling van de Stichting volgt dat zij de huidige vordering van de eisers ook zo opvat. Deze nadere vordering is toewijsbaar. De Stichting zal veroordeeld te worden om voormeld bedrag met rente te betalen aan [eiser sub 2].

2.11. Er bestaat geen aanleiding om met deze veroordeling te wachten totdat ook eindvonnis zal worden gewezen in de geschorste, en naar de rechtbank aanneemt: eveneens doorgehaalde, vrijwaringzaak. Het had op de weg van de Stichting gelegen om ook de vrijwaringzaak te laten heropenen en daarin voort te procederen, maar dat heeft de Stichting niet gedaan. De rechtbank neemt aan dat dit verband houdt met de opgave van de Stichting in haar conclusie na niet-gehouden getuigenverhoor dat [betrokkene] intussen in staat van faillissement is verklaard en waarschijnlijk naar het buitenland is vertrokken. De advocaat van M.B.M. en [eiser sub 2] heeft op de voor het getuigenverhoor bepaalde zitting het standpunt ingenomen dat de afdoening van de hoofdzaak niet vertraagd mag worden in afwachting van de afdoening van de vrijwaringzaak en hij heeft ook nadien geprotesteerd tegen het, in zijn ogen, ‘eindeloos traineren’ van de zaak.

2.12. De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Zij moet aan [eiser sub 2] de door de rechtbank te begroten kosten vergoeden van het gehele geding, dit wil zeggen zowel die van de geschorste en doorgehaalde procedure met het daarin uitgeconcludeerde vrijwaringincident als die van de voortzetting. De rechtbank begroot deze kosten als volgt:

- dagvaarding € 68,20

- overige explootkosten 72,25

- griffierecht in 97154 515,00

- griffierecht in 190215 645,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.895,00 (5,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 4.195,45

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt de Stichting om aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van € 27.226,81 (zevenentwintig duizendtweehonderdzesentwintig euro en éénentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 22 december 2000 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van M.B.M. en [eiser sub 2] tot op heden begroot op € 4.195,45,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature