Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

kinderalimentatie; wijziging echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan;

beroep op nietigheid van de bepaling mbt de kinderalimentatie in het convenant verworpen; geen buitengerechtelijke vernietiging; ambtshalve aanvulling van rechtsgronden; vaststelling inkomen man voor het uiteengaan van pp niet mogelijk;

wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke pp zijn overeengekomen;

geen samenleving in de zin van 1:160 BW ; uitgebreide beoordeling van alle posten;

Uitspraak



RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 117427/FA RK 10-823

beschikking d.d. 15 maart 2011

in de zaak van:

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P. Rietberg,

en

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. L.G. Mellens-Schrage.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 1 april 2010 een verzoekschrift ingediend ertoe strekkende dat bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - wordt bepaald dat de man maandelijks, met terugwerkende kracht vanaf 17 september 2009 (de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand) met een bedrag van € 220,- per kind bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen [A.] en B. op voorwaarde dat de man alle hypothecaire lasten voldoet en met een bedrag van € 300,- per kind per maand, wanneer hij niet alle hypothecaire lasten niet voldoet.

De man heeft op 8 juni 2010 een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft hij verzocht de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze als zijnde ongegrond af te wijzen en de vrouw in de proceskosten te veroordelen.

Op 8 juli 2010 is ter griffie een faxbericht met bijlagen van mr. Mellens-Schrage ontvangen.

Ter griffie is op 15 juli 2010 een brief met bijlagen van dezelfde datum van mr. Rietberg ontvangen, waarbij de vrouw haar verzoek heeft gewijzigd/aangevuld. Zij heeft verzocht te bepalen dat de man maandelijks met een bedrag van € 450,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van voornoemde minderjarige kinderen van partijen en ook met een bedrag van € 117,- per maand in de kosten van haar eigen levensonderhoud dan wel met zodanige bedragen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

Op 6 augustus 2010 is ter griffie een brief met bijlagen van dezelfde datum van mr. Rietberg ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 17 augustus 2010. Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen en gehoord. Mr. Rietberg heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

Ter zitting hebben partijen aangegeven te willen bezien of zij in onderling overleg tot overeenstemming kunnen komen.

Bij brief d.d. 5 oktober 2010, ter griffie ontvangen op 6 oktober 2010, heeft de advocaat van de man verzocht om de zaak nogmaals voor twee maanden aan te houden.

Bij faxbericht d.d. 11 oktober 2010 heeft de advocaat van de vrouw namens de vrouw laten weten akkoord te kunnen gaan met een aanhouding voor de duur van twee maanden.

Op 6 december 2010 zijn faxberichten van partijen binnengekomen waarin is verzocht om (op kortst mogelijke termijn) zonder nadere zitting een beschikking te geven.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten:

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

- Uit hun huwelijk zijn in de gemeente Eemsmond twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren:

[A.] en B.

- Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. In deze beschikking is opgenomen het door partijen gesloten en op 10 juni 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant.

Blijkens dit convenant zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

“ARTIKEL 2: LEVENSONDERHOUD

2.1 Kinderalimentatie

De draagkracht van de man is op dit moment onvoldoende tot het betalen van kinder- en partneralimentatie, gezien de tijdens het huwelijk ontstane schulden.

Per moment waarop de echtelijke woning verkocht is, of de man de woning op zijn naam kan krijgen en alle gemeenschappelijke schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan, door beide partijen zijn afgelost, zal een berekening worden aangevraagd met betrekking tot de alimentatie.

[…]

2.6 Partneralimenatie

a. Op grond van de huidige situatie zijn partijen onderling overeengekomen dat de financiële draagkracht van de man geen aanleiding geeft voor het betalen van partneralimentatie door de man.

Een berekening met betrekking tot de partneralimentatie wordt aangevraagd door partijen per moment waarop de echtelijke woning verkocht is of de man de woning op zijn naam kan krijgen en alle gemeenschappelijke schulden betaald zijn door partijen.

b. Partijen zijn zich ervan bewust dat op het moment dat één van de partijen een beroep dient te doen op een bijstandsuitkering, de betreffende gemeente een verhaalrecht heeft op de andere partner. De gemeente kan hiertoe een alimentatieberekening uitvoeren. De daaruit voortkomende alimentatieverplichting kan afwijken van hetgeen hier is vastgesteld.”

Onder 3.3 van het convenant zijn partijen overeengekomen dat het gebruiksrecht van de echtelijke woning wordt toebedeeld aan de man per datum verhuizing van de vrouw. De

hypotheeklasten die zijn verbonden aan de echtelijke woning worden gedeeld tot het moment waarop de woning is verkocht of de man de woning op zijn naam kan krijgen.

- In een op 10 juni 2009 door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst hebben partijen paragraaf 3.3. van het convenant nader uitgewerkt.

- Partijen hebben op 10 juni 2009 het ouderschapsplan ondertekend. Daarin zijn zij onder 3. overeengekomen dat de ouders over onvoldoende financiële draagkracht beschikken tot het betalen van kinderalimentatie.

- Het huwelijk van partijen is op 17 september 2009 beëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

- De kinderen hebben hoofdverblijf bij de vrouw.

- Bij brief d.d. 21 maart 2010 heeft de advocaat van de vrouw een beroep gedaan op de nietigheid van de bepalingen inzake kinderalimentatie in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan, dit wegens strijd met de wettelijke maatstaven. Voorts heeft de vrouw in dezelfde brief bij wijze van buitengerechtelijke verklaring op grond van artikel 3:196 lid 4, misbruik van omstandigheden en onrechtmatige daad ‘een beroep gedaan op de vernietiging’ van het echtscheidingsconvenant.

Inkomsten en lasten van de man

- Blijkens de jaaropgave 2009 had de man in dat jaar een bruto arbeidsinkomen van

€ 61.450,-. In april 2010 en de maanden nadien bedroeg het basismaandsalaris € 3.346,- bruto. De man heeft voorts recht op een functiegebonden toeslag van € 145,- per maand en een bijdrage van de werkgever in de premie zorgverzekering van € 30,- per maand. Voorts vindt een fiscale bijtelling ‘auto’ op het salaris plaats van € 738,33 per maand. Verder heeft de man blijkens zijn salarisspecificaties recht op een gratificatie van € 3.346,- per jaar.

- De WOZ waarde van de woning bedroeg in 2009 € 245.000,-.

- De hyptoheekrente heeft in 2009 € 15.300,- bedragen.

- De premie risicopolis woonlasten bedroeg € 36,30 per maand.

- De premie zorgverzekering bedraagt € 151,57.

- Op een schuld bij Interbank lossen partijen maandelijks met een bedrag van € 247,- af. De vrouw voldoet met dit doel maandelijks gemiddeld € 114,- aan de man, zodat voor de man een bedrag van € 133,- per maand resteert.

- De kosten omgangsregeling bedragen € 93,- per maand.

Inkomsten en lasten van de vrouw

- In 2009 heeft het jaarinkomen van de vrouw € 16.212,- bedragen.

- Thans heeft zij blijkens haar salarisspecificaties 2010 een inkomen van € 991,- bruto per maand exclusief overwerk en gemiddeld € 1.201,- bruto per maand inclusief overwerk. De vakantietoeslag bedraagt € 957,25 per jaar. De vrouw heeft recht op een eindejaarsuitkering. De gemiddelde maandelijkse reservering hiervoor bedraagt € 171,-.

- De vrouw heeft per 1 maart 2010 een extra arbeidsovereenkomst op basis van afroep met Stichting de Hoven te Winsum. Aan de hand van de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie van maart 2010 kan het salaris worden vastgesteld op € 91,44 exclusief en € 144,75 bruto per maand inclusief overwerk. De gemiddelde reservering voor de eindejaarsuitkering bedraagt € 4,44 bruto. De vakantietoeslag bedraagt 8 % over het basissalaris van € 91,44 bruto per maand.

- De (gemiddeld) afgedragen pensioenpremie bedraagt € 1.535,- per jaar.

- Het kindgebonden budget bedraagt € 110,- per maand.

- De woonlasten van de vrouw (huur) zijn € 512,- per maand.

- De huurtoeslag bedraagt € 256,- per maand.

- De premie zorgverzekering bedraagt € 144,- per maand.

- Het eigen risico van € 165,- is gebruikt.

- De zorgtoeslag bedraagt € 61,-.

- Gemiddeld betaalt de vrouw een bedrag van € 114,- per maand af op de schuld van partijen bij Interbank.

Geschilpunten / punten ter beoordeling

• de nietigheid van hetgeen tussen partijen is overeengekomen / de vernietiging daarvan door middel van een buitengerechtelijke verklaring;

• aanvulling rechtsgronden /de wijziging van omstandigheden;

• de behoefte van de kinderen;

• de draagkracht van de man;

• de vraag of de man samenleeft met een ander als waren zij gehuwd;

• het delen tussen partijen van de woonlasten van de voormalige echtelijke woning;

• de partneralimentatie /de behoeftigheid van de vrouw.

Beoordeling:

De nietigheid van de bepalingen in de overeenkomsten inzake de kinderalimentatie

Bij verweerschrift heeft de man nadrukkelijk het beroep van de vrouw op de nietigheid van de bepaling inzake de kinderalimentatie in het echtscheidingsconvenant verworpen.

Ingevolge artikel 1:400 lid 2 BW zijn overeenkomsten waarbij afstand wordt gedaan van de wettelijke verplichting tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding nietig.

De rechtbank overweegt dat overeenkomsten waarbij de omvang van de verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld in beginsel wel rechtsgeldig kunnen zijn.

De rechtbank zal eerst bezien wat de bedoeling van partijen is geweest met de afspraken die zijn gemaakt.

Bij de uitleg van een convenant komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het convenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de hantering van deze norm dient de uitleg van een schriftelijk contract niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen, waarin het is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen - gelezen in de context van dat geschrift als geheel - in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift wel van groot belang.

Gezien het echtscheidingsconvenant, het ouderschapsplan en de stukken van de scheidingsmakelaar is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat partijen de litigieuze bepalingen in de overeenkomsten als gevolg van het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man zijn overeengekomen. De rechtbank wijst in dit verband ook op de zich achter het formulier van de scheidingsmakelaar bevindende overzichten van de netto-inkomsten en uitgaven van partijen, die kennelijk in het kader van de vaststelling van een bijdrage van de man zijn opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de bepalingen in de overeenkomsten dan ook niet meer dan een vaststelling van de omvang (in casu nihil) van de door de man verschuldigde bijdrage. Weliswaar is deze vaststelling in het echtscheidingsconvenant gekoppeld aan de datum van verkoop van de voormalige echtelijke woning, maar de rechtbank leest de betreffende bepaling niet zo dat het de bedoeling van partijen is geweest om ook bij een toename van de draagkracht van de man de voldoening van een bedrag aan kinderalimentatie uit te sluiten. De rechtbank volgt de vrouw gelet op het voorgaande niet in haar stelling dat de betreffende bepalingen nietig zijn.

De buitengerechtelijke vernietiging

Ingevolge artikel 3:53 lid 1 BW werkt vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht.

Deze bepaling impliceert dat de rechtshandeling met terugwerkende kracht tot een nietige wordt.

De rechtbank wijst er opnieuw op dat de man nadrukkelijk het beroep van de vrouw op de nietigheid van de bepaling inzake kinderalimentatie in het convenant heeft verworpen.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de door de vrouw ingeroepen vernietigingsgrond, artikel 3:196 BW , toepassing mist nu het in deze procedure om de vaststelling van alimentatie gaat en niet om een kwestie van verdeling. Voorts heeft de vrouw in de onderhavige procedure niet gesteld of onderbouwd dat er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3: 44 BW . Overigens geldt dat ingevolge artikel 3: 44 lid 4 BW misbruik van omstandigheden aanwezig is, wanneer iemand die weet of die moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. In de gedingstukken ontbreekt enig aanknopingspunt voor de toepassing van deze bepaling. Ten slotte overweegt de rechtbank, daargelaten dat haar van onrechtmatig handelen van de man niet is gebleken, dat een onrechtmatige daad geen grond oplevert om een rechtshandeling te vernietigen behoudens in de in de wet genoemde gevallen.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de vrouw ten onrechte stelt dat de betreffende bepalingen in de overeenkomsten vanwege de buitengerechtelijke verklaring nietig zijn. Om die reden kan tevens worden vastgesteld dat de betreffende bepalingen in de overeenkomst de rechtsverhouding tussen partijen nog steeds beheersen.

Aanvulling rechtsgronden (artikel 1: 401 lid 5 BW)

Ingevolge artikel 1: 401 lid 5 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van wettelijke maatstaven.

Gezien ook de zwaarwegende verplichting om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, leest de rechtbank in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd de rechtbank een beroep op artikel 1: 401 lid 5 BW. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering , ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Niet zonder belang in dit verband is dat de vrouw heeft gesteld dat vóór het sluiten van de overeenkomsten een behoorlijke behoefte- en draagkrachtberekening achterwege is gebleven, dat deze berekeningen wel hadden moeten worden gemaakt en dat de man van aanvang af voldoende draagkracht heeft gehad om een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te kunnen voldoen.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Met artikel 401 lid 5 BW is bedoeld dat, uitgaande van de zelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat hier om gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. De rechtbank zal één en ander beoordelen naar de behoefte en draagkracht van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten.

Behoefte

Niet in geschil is dat partijen op of omstreeks 1 februari 2009 uiteen zijn gegaan. Op grond van de door de man ter beschikking gestelde gegevens is het voor de rechtbank niet mogelijk om het inkomen van de man vast te stellen in de maanden voor het uiteengaan. Voor het bepalen van de behoefte van de kinderen zal de rechtbank om die reden uitgaan van het gemiddelde van het netto besteedbaar maandinkomen 2008 en dat van 2009, welke inkomens zijn vastgesteld aan de hand van de wel beschikbare gegevens. De man heeft geen jaaropgave 2008 overgelegd. Wel heeft de man overgelegd de definitieve IB aanslag 2008, gedateerd 27 november 2009. Uit deze aanslag blijkt dat het belastbaar inkomen van de man uit werk en woning in 2008 € 37.263,- bedroeg. Het daarbij behorende netto besteedbaar maandinkomen begroot de rechtbank op € 2.100,- per maand. Aan de hand van de jaaropgave 2009 is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat het netto besteedbaar maandinkomen van de man in 2009 kan worden vastgesteld op € 2.775,-. Het gemiddelde van laatstgenoemde bedragen is € 2.438,-. Het netto besteedbaar maandinkomen van de vrouw stelt de rechtbank vast op € 1.078,-. Het netto besteedbaar maandinkomen van partijen bedroeg derhalve € 3.516,-. Uitgaande van 10 kinderbijslagpunten kan de behoefte van de kinderen worden vastgesteld op ongeveer € 810,- per maand.

Draagkracht van de man

Voor de berekening van de draagkracht van de man per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking in 2009 gaat de rechtbank uit van de jaaropgave 2009 van de man.

Aangezien niet in geschil is dat de man steeds de lasten van de voormalige echtelijke woning voor zijn rekening heeft genomen en niet is gebleken dat deze situatie aanstonds zal worden gewijzigd, houdt de rechtbank aan de zijde van de man rekening met de volledige woonlasten. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn de hypotheeklasten op enig moment in het kader van de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap te delen aangezien de woning gemeenschappelijk eigendom van partijen is. De rentebedragen die betrekking hebben op het eigendomsdeel van de man (de helft) zijn voor hem aftrekbaar op grond van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 . De rechtbank zal daarmee rekening houden. Voorts houdt de rechtbank rekening met het volledige eigenwoning forfait bij de man nu hij het genot heeft van de voormalige echtelijke woning.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen houdt de rechtbank geen rekening met het eigen risico zorgverzekering nu niet is gebleken dat dat is gerealiseerd.

Voorts houdt de rechtbank geen rekening met een bedrag van € 250,- per maand ter zake van de aflossing van een restschuld inzake de verkoop van de eigen woning aangezien de woning nog niet is verkocht.

Evenmin houdt de rechtbank rekening met een bedrag aan advocaatkosten in verband met de voorrang die volgens de Tremanormen aan de voldoening van kinderalimentatie behoort te worden gegeven. Om dezelfde reden houdt de rechtbank geen rekening met een bedrag van

€ 50,- per maand dat de man spaart voor de kinderen.

Uit aangehechte draagkrachtberekening I blijkt dat de man in 2009 per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking met een bedrag van € 386,- exclusief fiscaal voordeel kon bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Uit de door de vrouw bij het verzoekschrift overgelegde draagkrachtberekening aan de hand van haar jaaropgave 2009, die de rechtbank niet onjuist voorkomt, blijkt dat de vrouw toentertijd een bedrag van ongeveer € 200,- per maand beschikbaar had voor de kosten van de minderjarige kinderen.

Met de gezamenlijke, voor de kosten van de kinderen beschikbare, ruimte (€ 586,-) kon niet worden voorzien in de behoefte van de kinderen ten bedrage van € 810,- per maand.

Wanverhouding

De rechtbank acht de bijdrage die de man ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kon leveren in de kosten van de kinderen zodanig substantieel dat zij van oordeel is dat er sprake is van een wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de inkomensgegevens van partijen bij partijen bekend waren en dat zij, zo blijkt uit de stukken van de scheidingsmakelaar die door de vrouw in het geding zijn gebracht, de scheidingsmakelaar over hun inkomen hebben geïnformeerd.

De rechtbank concludeert dat de litigieuze bepalingen in de door partijen gesloten overeenkomsten voor wijziging in aanmerking komen.

Ingangsdatum

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bepaling inzake de kinderalimentatie in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan met terugwerkende kracht (door de vrouw is verzocht per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking op 17 september 2009) te wijzigen. In zijn algemeenheid geldt dat van de bevoegdheid tot wijziging met terugwerkende kracht behoedzaam gebruik dient te worden gemaakt. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat partijen, die zich hebben laten bijstaan door een scheidingsmakelaar, geen verwijt valt te maken van de hiervoor geconstateerde wanverhouding. Het is dan ook niet redelijk om de man met terugwerkende kracht de hiervoor genoemde bijdrage op te leggen nu hij daarmee geen rekening heeft kunnen houden. De rechtbank zal de bijdrage, zoals gebruikelijk is, opleggen per datum indiening verzoekschrift, i.e. 1 april 2010.

Indexering behoefte minderjarige kinderen vanaf 1 april 2010

Uitgaande van een behoefte van de minderjarige kinderen van € 810,- per maand, bedroeg de geïndexeerde behoefte van de kinderen in 2010 € 829,- per maand en in 2011 € 836,- per maand.

Bijdrage man per 1 april 2010

Gezien de salarisspecificaties 2010 van de man, gaat de rechtbank ervan uit dat de man hetzelfde salaris heeft behouden. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat de man per 1 april 2010 in staat is gebleven het hiervoor genoemde bedrag van € 386,- per maand te betalen. De rechtbank ziet wel aanleiding om dit bedrag te indexeren nu de man in feite per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking al in staat was dit bedrag te voldoen en dit bedrag ook had moeten voldoen, indien de bijdrage van aanvang af correct zou zijn overeengekomen. De man dient met ingang van 1 april 2010 derhalve € 395,- per maand te betalen en per 1 januari 2011 € 399,- per maand. Per 1 april 2011 kan de man aanspraak maken op fiscaal voordeel ten bedrage van € 91,-, zodat hij met ingang van die datum in staat is met een bedrag van € 490,- per maand bij te dragen.

In het kader van de vaststelling van de door de man te leveren bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen verdient nog bespreking de stelling van de vrouw dat de man op enig moment is gaan samenleven in de voormalige echtelijke woning met een nieuwe partner en dat om die reden op enig moment in de draagkrachtberekening van de man slechts de helft van de woonlasten die de man voor zijn rekening neemt, in aanmerking dient te worden genomen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw ter zitting kopieën van foto’s overgelegd met een uitdraai van de tijdstippen waarop de foto’s zijn gemaakt. Op die foto’s zou volgens de vrouw te zien zijn

dat medio mei en begin juni 2010 de auto van de nieuwe partner van de man ongeveer twee en een halve week, met name in de vroege ochtend bij het huis van de man, is gesignaleerd. Ter zitting heeft de vrouw medegedeeld dat zij de dvd waarop de foto’s met de tijdstippen te vinden zijn, wenst over te leggen. De man heeft ter zitting uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken dat hij samenleeft met een nieuwe partner. De rechtbank ziet in de door de vrouw overgelegde stukken geen aanleiding om aan te nemen dat de man is gaan samenleven met een nieuwe partner. De omstandigheid dat de nieuwe partner mogelijk veel nachten achtereen bij de man heeft verbleven, betekent nog niet dat er sprake is van een zodanige gemeenschappelijke huishouding dan wel een zodanige economische verstrengeling dat er sprake is van samenleving. Door de vrouw is verder niet gesteld dat de nieuwe partner staat ingeschreven op het adres van de man. Nu de vrouw verder geen bewijs heeft aangeboden van haar stelling, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden en zal zij, gezien de voorgaande overwegingen, bij de berekening van de draagkracht de woonlasten in aanmerking nemen, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Berekening draagkracht vrouw per 1 april 2010

Alvorens een bijdrage aan de man kan worden opgelegd, dient te worden bezien of ook de vrouw in staat is met een bedrag bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

Gezien de aangehechte draagkrachtberekening II is de vrouw in staat om met een bedrag van

€ 244,- per maand bij de te dragen in de kosten van de kinderen.

Nu de behoefte van de kinderen (in 2011 € 836,- per maand) de gezamenlijke voor kinderalimentatie beschikbare ruimte (in 2011 € 643,- exclusief fiscaal voordeel en € 734,- inclusief fiscaal voordeel) van partijen steeds heeft overstegen en overstijgt, bestaat geen aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man per 1 april 2010 als bijdrage

€ 395,- per maand en met ingang van 1 januari 2011 € 399,- per maand als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen is verschuldigd.

De rechtbank zal dit bedrag voorts per 1 april 2011 vermeerderen met het fiscaal voordeel van € 91,- dat de man (eerst) per die datum kan behalen. Dit betekent dat de rechtbank de bijdrage met ingang van deze datum zal vaststellen op € 490,- per maand.

De bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw

Nu de draagkrachtruimte van de man volledig wordt aangewend voor de voldoening van een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen, resteert geen ruimte meer voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, zodat het verzoek van de vrouw op dat punt zal worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank

wijzigt het door partijen op 10 juni 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant en het op 10 juni 2009 ondertekende ouderschapsplan, voor zover daarin is bepaald dat de man geen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen zal voldoen en bepaalt dat:

-de man van 1 april 2010 tot 1 januari 2011 met een bedrag van € 395,- per maand (exclusief fiscaal voordeel) en van 1 januari 2011 tot 1 april 2011 met een bedrag van € 399,- per maand (exclusief fiscaal voordeel), voor zover de termijnen niet zijn verstreken bij vooruitbetaling te voldoen, dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen;

-de man met ingang van 1 april 2011 met een bedrag van € 490,- per maand (inclusief fiscaal voordeel) dient bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Stenfert-Kroese en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature