Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. De rechtbank en het Uwv zijn op een onjuiste grond tot het oordeel gekomen dat de curator inadequaat heeft gehandeld. Uit de stukken kan echter niet worden afgeleid of wellicht op een andere grond dan het wachten op de machtiging van de rechter-commissaris sprake is geweest van inadequaat handelen van de curator. Met name is niet duidelijk wanneer de curator de machtiging heeft aangevraagd, noch waarom de curator na verkrijging van de machtiging op 11 september 2008 eerst op 16 september 2008 is overgegaan tot het opzeggen van het dienstverband van appellant. Gelet daarop kan de Raad het geschil niet definitief beslechten. Draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak



10/3155 WW-T

10/3156 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 april 2010, 08/4090 en 09/951 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.E.A. Cuypers, rechtshulpverlener bij CNV Vakmensen te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is met ingang van 9 februari 2004 in dienst getreden van [werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever). Op 2 september 2008 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft op 8 september 2008 het Uwv verzocht de betalingsverplichtingen van de werkgever aan hem over te nemen. Bij brief van 16 september 2008 heeft de curator het dienstverband van appellant opgezegd, nadat de rechter-commissaris hem daartoe op 11 september 2008 machtiging had verleend. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv appellant een voorschot op het over te nemen salaris toegekend en bepaald dat de opzegtermijn loopt tot en met

3 oktober 2008. Hiervan uitgaande heeft het Uwv bij besluit van 20 november 2008 appellant een uitkering ten bedrage van € 5.034,40 bruto toegekend. Het Uwv heeft deze besluiten gehandhaafd bij besluiten van respectievelijk 17 november 2008 en

12 februari 2009 (hierna: bestreden besluiten). Het Uwv heeft de bezwaren van appellant, gericht tegen het hanteren door het Uwv van een fictieve dag van opzegging, verworpen en de aanvang van de opzegtermijn met toepassing van artikel 64, tweede lid, van de Werkloosheidswet (WW) gehandhaafd op 3 september 2008, de dag na het uitspreken van het faillissement.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank achtte de werkwijze van het Uwv om, indien er binnen één week na faillissement geen sprake is van opzegging, over te gaan tot het vaststellen van een fictieve opzegtermijn waarbij in beginsel wordt uitgegaan van de faillissementsdatum als datum van opzegging, niet onredelijk. Volgens de rechtbank waren er geen bijzondere omstandigheden die voor het Uwv reden hadden moeten zijn om van zijn werkwijze af te wijken.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de dag van opzegging te bepalen op een eerdere dag dan die waarop de curator het dienstverband heeft opgezegd. Volgens appellant heeft de curator, door met opzeggen te wachten op de daarvoor ingevolge de Faillissementswet (Fw) vereiste machtiging van de rechter-commissaris, de dienstbetrekking niet op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment opgezegd.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv is van opvatting dat de curator met de opzegging van het dienstverband niet behoefde te wachten op de machtiging van de rechter-commissaris, omdat een opzegging zonder machtiging desondanks rechtsgeldig is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a, ten vierde, en onder b, van de WW is, voor zover van belang, bepaald dat het recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW het loon omvat over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking, alsmede het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het Uwv vastgestelde dag. Ingevolge artikel 64, tweede lid, van de WW geldt ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, dat het recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV het loon omvat over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het Uwv redelijkerwijs had moeten worden opgezegd, indien de dienstbetrekking op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is opgezegd.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad is eerst dan sprake van een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment als bedoeld in artikel 64, tweede lid, van de WW , indien en zodra gesteld moet worden dat de bij de opzegging van een dienstbetrekking betrokken partijen niet adequaat hebben gereageerd op een voorhanden situatie. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien door de curator onnodig lang wordt getalmd met het effectueren van een ontslag.

4.3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de curator onnodig lang heeft getalmd met de ontslagaanzegging en daardoor inadequaat heeft gehandeld. De Raad acht voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de curator op grond van artikel 68, tweede lid, van de Fw voor het opzeggen van het dienstverband van appellant een machtiging van de rechter-commissaris behoefde. Door met het opzeggen van het dienstverband te wachten totdat de rechter-commissaris hem daartoe had gemachtigd heeft de curator conform dit wettelijk voorschrift gehandeld. Reeds hierom is de Raad, anders dan de rechtbank en het Uwv, van oordeel dat dit handelen van de curator niet inadequaat kan worden genoemd. Honorering van het standpunt van het Uwv zou betekenen dat naleving door de curator van artikel 68, tweede lid, van de Fw geen rechtsplicht zou zijn. Hieraan doet niet af dat een opzegging door de curator zonder machtiging van de rechter-commissaris ingevolge het bepaalde in artikel 72, tweede lid, van de Fw niet nietig zou zijn geweest.

4.4. Uit 4.3 volgt dat de rechtbank en het Uwv op een onjuiste grond tot het oordeel zijn gekomen dat de curator inadequaat heeft gehandeld. Uit de stukken kan echter niet worden afgeleid of wellicht op een andere grond dan het wachten op de machtiging van de rechter-commissaris sprake is geweest van inadequaat handelen van de curator. Met name is niet duidelijk wanneer de curator de machtiging heeft aangevraagd, noch waarom de curator na verkrijging van de machtiging op 11 september 2008 eerst op 16 september 2008 is overgegaan tot het opzeggen van het dienstverband van appellant. Gelet daarop kan de Raad het geschil niet definitief beslechten.

4.5. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen nader onderzoek te doen naar de in 4.4 genoemde feiten en de bestreden besluiten daarmee in overeenstemming te brengen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature