Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Deelgeschilprocedure. Verzoek, dat er in essentie toe strekt aansprakelijkheid vast te stellen, leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Geschil ziet in essentie op de vraag of deskundigenrapport als uitgangspunt kan dienen voor de onderhandelingen. Waardering eenzijdige rapportage. Verzoek wordt afgewezen op grond van artikel 1019z Rv nu het onderhavige deelgeschil bij de huidige stand van zaken instructie vereist. De kosten worden begroot in de zin van artikel 1019aa Rv

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 371940 / HA RK 11-26

Beschikking van 13 april 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rotterdam,

verzoeker,

advocaat mr. R.Th. Bocxe,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. de stichting STICHTING HET OOGZIEKENHUIS ROTTERDAM,

beiden te dezer zake domicilie gekozen hebbende te Utrecht ten kantore van hun advocaat,

verweerders,

advocaat mr. B.M. Paijmans.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ter behandeling van een deelgeschil ex artikel 1019w Rv van 2 februari 2011, ter griffie ingekomen op 3 februari 2011, met producties;

- het verweerschrift, met producties;

- het nader verzoekschrift houdende wijziging verzoek deelgeschil ex artikel 1019w Rv ;

- het nader verweerschrift;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 16 maart 2011;

- de brief van 18 maart 2011 van mr. Bocxe, met bijlagen;

- het faxbericht van 28 maart 2011 van mr. Paijmans;

- de brief van 29 maart 2011 van mr. Bocxe;

- het faxbericht van 30 maart 2011 van mr. Paijmans.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiser] is vanaf 1982 patiënt bij het Oogziekenhuis. [gedaagde 1] is als oogarts verbonden aan het Oogziekenhuis.

2.2. Het linkeroog van [eiser] is een “lui oog”, de visus is daarin al jaren beperkt tot 0.2. De visus van het rechteroog was tot 7 februari 2008 1.0.

2.3. Op 7 februari 2008 onderging [eiser] een (routine)controle bij [gedaagde 1] vanwege het reeds jaren bij hem aanwezige glaucoom. [gedaagde 1] adviseerde [eiser] om de oogdruppels die hij tot op dat moment gebruikte, Betoptic, te wijzigen in Xalatan en schreef hem Xalatan voor.

2.4. Op 19 februari 2008 wendde [eiser] zich tot de afdeling spoedeisende hulp van het Oogziekenhuis in verband met klachten over het gebruik van Xalatan. Hij werd gezien door [pers[persoon 1] (hierna: [persoon 1]). Vanwege de door [eiser] gemelde klachten over Xalatan werd het gebruik hiervan gestaakt en werd (opnieuw) Betoptic voorgeschreven.

2.5. In verband met aanhoudende klachten heeft [eiser] zich voor een second opinion gewend tot het Sint Fransiscus Gasthuis (hierna: SFG). De behandelend arts in het SFG verwees [eiser] terug voor onderzoek naar het Oogziekenhuis. [eiser] kwam om die reden onder behandeling bij oogarts [persoon 2] van het Oogziekenhuis. Deze heeft aan [eiser] medegedeeld dat er bij hem sprake was van macula-oedeem met visusdaling in het rechteroog. Deze visusdaling is blijvend gebleken.

2.6. [eiser] heeft op 8 december 2008 bij het Oogziekenhuis een klacht ingediend. Op verzoek van de klachtencommissie is [eiser] op 24 april 2008 onderzocht door [persoon 3] (hierna: [persoon 3]), als oogarts verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum (hierna: EMC). De bevindingen van [persoon 3] zijn vervat in zijn brief van 22 mei 2008, die

– voor zover van belang – inhoudt:

“Op 07-02-2008 heeft patiënt de polikliniek van het oogziekenhuis bezocht. Zijn Betoptic medicatie werd toen omgezet in Xalatan. Patiënt had een aantal jaren eerder ook al eens Xalatan oogdruppels gekregen en daar toen vreselijk veel last van gehad. Ook nu kreeg hij weer zeer veel last van de Xalatan oogdruppels. Zijn oog werd zeer rood. Hierna is de gezichtsscherpte van zijn enige goede rechteroog gedaald. Patiënt schrift dit toe aan de overgang van de Betoptic oogdruppels naar Xalatan. Hij staat op de wachtlijst om gelaserd te worden in het oogziekenhuis. Patiënt wil graag een second opinion. Hij is er van overtuigd dat het omzetten van de oogdruppels tot oogontsteking en later tot het verminderen van de gezichtsscherpte heeft geleid.

Bij onderzoek bedroeg de gezichtsscherpte van het rechteroog met eigen correctie 0.5. Dit was niet te verbeteren. Links bedroeg de gezichtsscherpte met eigen correctie 0.2-. Dit was ook niet te verbeteren. De intraoculaire druk bedroeg rechts 19 mmHg en links 24 mmHg.

Rechts werd een rustige pseudophakie gezien. Er was een Binkhorst twee lus lens, ook wel iridocapsulaire lens genoemd, aanwezig. In fundo zag ik rechts oedeem in de macula. Er waren twee kleine haemorrhagieen rondom de macula te zien. Het beeld leek op een preocclusie. Dit werd door collega [persoon 4] bevestigd. Links zag ik een discorie. De pupil was naar nasaal boven vertrokken.

Ik heb patiënt zo goed mogelijk proberen uit te leggen dat het veranderen van de oogdruppels naar alle waarschijnlijkheid niet de vermindering van de gezichtsscherpte heeft veroorzaakt. De veranderingen van zijn netvlies waren immers al aanwezig toen de oogdruppels werden veranderd. Ook heb ik hem verteld dat ik me zeer wel kon verenigen met de voorgestelde therapie om zijn rechteroog met de laser te behandelen.

Inmiddels is hij met de Diamox tabletten gestopt omdat hij ook deze niet kon verdragen.

Al met al is het zeer spijtig dat het gezichtsvermogen van het rechteroog zo is achteruit gegaan. Het is zeer wel te begrijpen dat patiënt een correlatie legt tussen de verminderde gezichtsscherpte en de klachten en symptomen die hij kreeg na het indruppelen van Xalatan oogdruppels. Toch is deze correlatie onjuist.”

2.7. Een brief van 6 mei 2009 van [per[persoon 3] aan [eiser] houdt – voor zover van belang – in:

“In de(…) status lees ik dat patiënt op 05-06-2002 door collega Lemij al eens Xalatan oogdruppels werden voorgeschreven. Hij heeft deze voor zover ik dat uit de status kan lezen tot 01-05-2003 gebruikt.

Op 01-05-2003 is patiënt bij collega [persoon 5] op het spreekuur geweest wegens dikke oogleden. Dit werd aan de Xalatan geweten. Ik neem aan dat de Xalatan toen gestopt werd. De gezichtsscherpte van patiënt is in die jaren door de Xalatan oogdruppels niet minder geworden.

Op 07-02-2008 is patiënt bij collega [gedaagde 1] op het spreekuur gekomen. Dit was een routine controle. Patiënt had geen enkele last. Zijn pupillen werden beiderzijds verwijd waardoor hij minder goed zag. Patiënt kreeg van collega [gedaagde 1] het advies om met de Betoptic oogdruppels te stoppen en over te gaan op Xalatan oogdruppels. Collega [gedaagde 1] diagnosticeerde tijdens dat consult een niet-proliferatieve diabetische retinopathie dan wel een veneuze pre-occlusie. Bij het concult op 24-04-2008 in het Erasmus MC dachten zowel collega [persoon 4] als ik dat hier sprake was van een veneuze pre-occlusie in het rechteroog. Het is dus zeer aannemelijk dat er tijdens het consult op 07-02-2008 ook al sprake was van een veneuze pre-occlusie, zoals collega [gedaagde 1] in zijn differentieel diagnose heeft staan.

De vraag waar het nu om gaat is of het indruppelen van Xalatan het macula-oedeem bij patiënt heeft geïnitieerd dan wel dat dit ten gevolge van de veneuze pre-occlusie is ontstaan.

In het farmacotherapeutisch kompas uit 2008 lees ik: “voorzichtigheid is geboden bij ernstige of instabiele astma. Een verband tussen het gebruik van Latanoprost (=Xalatan) en het ontstaan van macula-oedeem kan niet worden uitgesloten, ofschoon in voorkomende gevallen meestal sprake was van risicofactoren (afakie, pseudofakie, diabetische retinopathie, occlusie vena retinae).”

Patiënt is bekend met een pseudofakie. Hij heeft al eerder, toen hij al pseudofaak was, Xalatan oogdruppels gebruikt en mogelijk daardoor verdikte oogleden gekregen. Tijdens dit gebruik van ongeveer een jaar is geen macula-oedeem opgetreden. In 2007 werd er bij patiënt diabetes geconstateerd. Er was bij hem begin 2008 een veneuze pre-occlusie opgetreden. Er kwam dus een nieuwe risicofactor bij.

Het is mijns inziens moeilijk te zeggen of het macula-oedeem ontstond door de Xalatan dan wel door de pre-occlusie. Ik neig nog steeds tot de tweede conclusie maar beide conclusies zijn mogelijk.

Nu ik mijn brief van 22-05-2008 nog eens doorlees, komt het mij toch voor dat de laatste zin in de een na laatste alinea te uitgesproken is. Het lijkt me daarom beter deze zin: “toch is deze correlatie onjuist” te verwijderen.”

2.8. Op 21 januari 2009 vond in het kader van de klachtenbehandeling een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van deze zitting besloot de klachtencommissie een nadere deskundigenmening te vragen. Op verzoek van de klachtencommissie heeft [per[persoon 6] (hierna: [persoon 6]), als oogarts verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Maastricht (hierna: AZM) het handelen van [gedaagde 1] beoordeeld. De bevindingen van

[persoon 6] – die [eiser] niet zelf heeft onderzocht – zijn vervat in haar brief van 17 februari 2009, die – voor zover van belang – inhoudt:

“In het geval van [eiser] is het bijzonder onwaarschijnlijk dat het gebruik van Xalatan druppels heeft geleid tot CME en visusdaling aan het rechter oog. Dit is zo onwaarschijnlijk omdat:

- [eiser] niet recent was geopereerd aan het rechter oog;

- Het achterste lenskapsel (…) intact was;

- De operatie van het linker oog indertijd kennelijk niet ongecompliceerd is verlopen; er wordt glasvocht in de voorste oogkamer beschreven, het risico voor het ontwikkelen van CME aan het linker oog zou dus hoger zijn dan aan het rechter oog, echter het linker oog ontwikkelde geen CME (…);

- [eiser] heeft al in 2002-2003 (…) Xalatan druppels gebruikt, de visus bleef toen goed en er was geen sprake van CME;

- Tijdens het polikliniekbezoek op 7 februari 2008 werden er afwijkingen gezien in fundo van het rechter oog, die volgens de beschrijving passen bij een veneuze retinale vaatocclusie. Van deze retinale aandoeningen is bekend dat ze kunnen leiden tot het optreden van CME;

- Volgens een aantekening in 1998 heeft [eiser] géén diabetes, nergens staat beschreven dat hij dat ontwikkeld zou hebben in de periode daarna.

Het lijkt nu niet aannemelijk dat [eiser] een high risk patiënt (althans voor het rechter oog) was voor het gebruik van Xalatan oogdruppels. Alhoewel [eiser] van diverse oogdruppels bijwerkingen had in de trant van rode, gevoelige ogen, heeft hij in het verleden al bijna een jaar Xalatan gebruikt zonder visusproblemen.”

2.9. De klachtencommissie achtte de klacht van [eiser] ongegrond en heeft dit bij brief van 10 maart 2009 aan [eiser] bericht. Op verzoek van [eiser] heeft vervolgens [per[persoon 7] (hierna: [persoon 7]) het handelen van [gedaagde 1] beoordeeld. De bevindingen van [persoon 7] zijn vervat in zijn rapportages van 22 maart 2009, 29 juni 2009, 16 augustus 2009 en 16 mei 2010.

2.10. Het rapport van 22 maart 2009 van [per[persoon 7] houdt – voor zover van

belang – in:

“1. Hebben de betrokken artsen/specialisten naar uw oordeel gehandeld zoals van redelijk bekwame artsen/specialisten verwacht mag worden of is er op enig moment sprake geweest van verwijtbaar, onzorgvuldig, onkundig danwel nalatig medisch handelen?

In het verleden (2003) is er al eens eerder sprake geweest van een ongewenst effect van Xalatan oogdruppels. Het betrof toen een melding van dikke oogleden, hetgeen ook een bekende bijwerking is. Er was destijds sprake van een gebruik van bijna een jaar lang Xalatan. Er is toen nadrukkelijk geen sprake geweest van een vasculaire bijwerking van de latanoprost. Waarom oogarts [gedaagde 1] in februari 2008 wederom koos voor Xalatan is mij niet geheel duidelijk, maar op zich kan ik het wijzigen van het ene type oogdruk verlagende druppels naar het andere type niet als een verwijtbare handeling zien, temeer omdat er in de anamnese onvoldoende zwaarwegende argumenten waren om het overstappen naar Xalatan gecontraïndiceerd te achten. Volgens de aanwijzingen in het Farmacotherapeutisch kompas is voorzichtigheid geboden bij instabiel astma, hetgeen hier dus niet het geval was.

Het CVZ advies spreekt ook over een mogelijke relatie tussen macula oedeem en het gebruik van latanoprost, met name bij additionele risicofactoren, waaronder pseudofakie, diabetische retinopathie en veneuze occlusie.

De oogarts beschrijft op 7 februari 2008 wel bloedingen in de achterpool en hij wijt dit aan afwijkingen als gevolg van diabetes of als gevolg van een veneuze pre-occlusie. Dat is voor hem een reden om de druk verder te doen dalen naar een niveau beneden de 20 mm Hg en dat zou een verklaring kunnen zijn dat hij van medicatie veranderde. Als kanttekening kan ik hier wel nog plaatsen dat de oogarts niet voldoende agressief heeft gehandeld ter verklaring van de door hem beschreven afwijkingen. Een nader onderzoek naar een eventuele occlusie zou correct zijn geweest en daarmee was dan ook duidelijk geweest dat er wel degelijk sprake was van een vasculair lijden in het rechter oog ten tijde van de controle op 7 februari 2008, ofschoon de visus toen nog 100% bedroeg. Door de wijziging van de medicatie en een gelijktijdige achteruitgang van de visus (door het vasculair lijden) is het logisch dat door betrokkene een causaal verband wordt gezien tussen beide feiten. Daarnaast is het optreden van macula oedeem bij gebruik van Xalatan een beschreven bijwerking. Maar dit oedeem kan ook heel goed zijn ontstaan door het vasculaire lijden. Het onderscheid is hier op geen enkele wijze te maken. (…) Ik acht het onwaarschijnlijk dat het zeer kortstondige gebruik van Xalatan de oorzaak is geweest van het macula oedeem enige maanden later (…). Behoudens het feit dat de oogarts dus geen nader onderzoek heeft verricht of heeft laten verrichten naar de oorzaak van de bloedingen in het rechter oog op 7 februari 2008, kan ik op dit moment geen aanwijzingen vinden voor onzorgvuldig dan wel nalatig handelen.

Vervolgens wordt gehandeld volgens de door betrokkene aangegeven causaliteit tussen het (zeer kortstondig) gebruik van Xalatan en de visusdaling en pijn in het rechteroog. Op 19 februari wordt geen visus bepaald en wordt de klacht van betrokkene met onvoldoende argwaan jegens het causale verband beschouwd. Ook dan wordt geen noodzaak gezien om nader onderzoek te verrichten. Pas op 5 april 2008 vermoedt aios [persoon 8] voor het eerst een verband met een veneuze occlusie.

2. Indien u meent dat er op enig moment sprake is geweest van verwijtbaar medisch handelen, wilt u dan zo uitvoerig en beargumenteerd mogelijk aangeven waarin of waaruit dit verwijtbaar handelen bestaan heeft en hoe wel gehandeld had dienen te worden?

Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 1. Nadere diagnostiek naar de bloedingen in het rechter oog op 7 februari 2008 zou er waarschijnlijk op hebben gewezen dat er sprake was van een pre-occlusie. Verdere verlaging van de oogdruk was dan niet het eerste beoogde doel geweest, maar verdere behandeling van het vasculair lijden. Door de relatie, die door betrokkene werd gelegd tussen het gebruik van Xalatan en het ontstaan van de klachten, werd dit spoor vervolgens vastgehouden in de daarop volgende episode. Toch waren er goede aanwijzingen ook op 19 februari al te twijfelen aan die relatie, omdat betrokkene aangaf zelf als nel te zijn gestopt met de Xalatan. Bovendien had de oogarts op 7 februari al bloedingen in het rechter oog beschreven, zonder die nader te (kunnen) duiden. Dat op zich had al argwaan kunnen wekken voor de verdere behandeling. Het is jammer dat op 19 februari 2008 geen visus genoteerd staat in het dossier. Het is mogelijk dat dan ook al een verdere visusdaling objectief vastgesteld had kunnen worden.

(…)

4. Indien u meent dat er sprake is geweest van verwijtbaar medisch handelen kunt u dan angeven wat hiervan naar uw oordeel de eventuele nadelige gevolgen zijn of zijn geweest voor betrokkene?

Het is niet goed aan te geven wat de visus zou zijn geweest wanneer het rechter oog onmiddellijk zou zijn behandeld als een oog waarin sprake is van een pre-occlusie.”

2.11. Het rapport van 29 juni 2009 van [per[persoon 7] houdt – voor zover van

belang – in:

“1. Wat is naar uw oordeel de kans op een betere visus voor betrokkene die bij adequaat medisch handelen op of omstreeks 7 februari 2008 zou zijn opgetreden? U kunt dit uitdrukken in een percentage of in termen als miniem, klein, redelijk of vrij groot.

Uit de ter beschikking staande verslaglegging kan ik concluderen dat er ten tijde van het consult op 7 februari 2008 nog geen sprake was van een visusdaling. Die visusdaling is pas opgetreden gedurende de dagen nadien. Dit suggereert dat er sprake was van een actief proces, dat mijns inziens geheel valt toe te schrijven aan een vasculair lijden (“veneuze pre-occlusie”), zoals differentiaal diagnostisch al vermoed door de behandelaar. Onmiddelijke diagnostiek, d.w.z. diagnostiek binnen een termijn van uiterlijk één week (verwijzing voor fluorescentie angiogram, maken van angiogram, bespreking) zou er mogelijk toe hebben geleid dat het proces tot stilstand zou zijn gekomen, maar dit zou uitdrukkelijk niet hebben betekend dat er helemaal geen schade zou zijn geweest. Hoeveel schade er zou zijn geweest, indien de situatie na 1 à 2 weken middels behandeling zou zijn gestabiliseerd is niet aan te geven. Feit blijft evenwel dat er op 7 februari 2008 niet is gehandeld als ware er sprake van een veneuze occlusie. Bovendien is allerminst zeker of het daadwerkelijk verrichten van fluorescentie angiografie op dat moment gewezen zou hebben op de noodzaak van een behandeling, of anders gezegd: of de situatie zich zou hebben verslechterd, ondanks het feit dat er uitgebreidere diagnostiek zou zijn verricht, waarbij weliswaar duidelijk zou zijn geworden dat er sprake was van een vasculair proces, maar dat er geen noodzaak tot behandeling met bijvoorbeeld lasercoagulatie als gevolgtrekking aan verbonden zou zijn geweest.

Dit alles overwegende meen ik te kunnen zeggen dat betrokkene door het niet verrichten van nader onderzoek de kans is onthouden op het behoud van een betere visus. De kans dat er ook daadwerkelijk een betere visus zou hebben geresteerd acht ik “redelijk”.

2. Hoe is over het algemeen het behandelingsresultaat bij een tijdige behandeling van het bij betrokkene aanwezige vaarlijden?

(…) Ook bij vroegtijdige behandeling is er altijd sprake van een zekere mate van schade, waarbij het doel is om de schade aan de gezichtsscherpte en het gezichtsveld zo klein mogelijk te houden.

3. Welke beperkingen zou betrokkene ondervonden hebben indien hij wel adequaat behandeld zou zijn?

Bij vroegtijdige behandeling zou er in ieder geval sprake zijn geweest van een schade aan het gezichtsveld, afhankelijk van de grootte en de intensiteit van het te behandelen gebied. Ook de gezichtsscherpte heeft daar in meerdere of mindere mate mee van doen. Daarbij kan eenvoudig worden gezegd, hoe eerder de behandeling en hoe kleiner het pathologische gebied, hoe geringer de resterende schade. Naar de omvang van de het afwijkende gebeid in de achterpool bij de voorliggende casus op 7 februari 2008 kan slechts worden geraden; zekerheid is daaromtrent niet te bieden. Echter: gezien het feit dat op die dag de visus nog goed was, denk ik wel dat de oorzaak van de afwijkingen buiten de gele vlek te vinden zouden zijn geweest.”

2.12. Het rapport van 16 augustus 2009 van [per[persoon 7] houdt – voor zover van

belang – in:

“Betreffende de diabetes

U heeft volkomen gelijk met de opmerking dat betrokkene pas sinds 2007 bekend is met diabetes mellitus. Dit heeft overigens geen invloed op de verdere casus. De opmerking van de behandeld oogarts op 7 februari 2008 betreffende de toestand van het netvlies (“NPDRP, te weten niet-proliferatieve diabetische retinopathie en DD veneuze pre-occlusie OD”) blijft nog steeds geplaatst in hetzelfde kader, ongeacht de tijdsduur van de diabetes Mellitus. Uit de opmerking betreffende het netvlies meen ik te moeten concluderen dat de oogarts op de hoogte was van het feit dat er sprake was van diabetes mellitus, omdat hij immers spreek van “niet-proliferatieve diabetische retinopathie”.

Betreffende de duur gebruik Xalatan

Uit de notitie van 19 februari 2008 door aios [persoon 1] maak ik op dat slechts één keer Xalatan was gebruikt, omdat er genoteerd staat dat na één druppel roodheid was ontstaan en vervolgens “niet meer gebruikt”. Aan het eind van het consult wordt dan van de zijde van de oogarts gestopt met Xalatan en wederom Betoptic voorgeschreven. Uit het verslag van betrokkene kan ik niet opmaken dat hij was gestopt met Xalatan, dus ik kan me erin vinden uit te gaan van een gebruik van Xalatan met 12 dagen. Mijn standpunt ten aanzien van de invloed van het gebruik van het medicijn verandert daarmee echter niet.

Betreffende de risicofactoren

Inderdaad is het gebruik van Xalatan gerelateerd aan het ontstaan van macula-oedeem. Risicofactoren daarbij zijn pseudofakie, diabetes mellitus en veneuze occlusie. In dit geval zijn alle risicofactoren van toepassing en behoort betrokkene dus tot de risicogroep. Bij de beantwoording van vraag 1. in mijn rapportage van 22 maart heb ik echter ook al aangegeven dat dit macula-oedeem heel goed ontstaan zou kunnen zijn als gevolg van de veneuze occlusie en dat onderscheid kan ik met geen mogelijkheid maken. Op het moment dat de Xalatan werd voorgeschreven, was er al sprake van een pre-occlusie, zoals de oogarts dat ook terecht aangaf in zijn differentiaal diagnose, maar verder geen actie op ondernam. De visus bedroeg op diezelfde 7 februari 2008 nog 1,0, dus het is onwaarschijnlijk dat er toen al macula-oedeem bestond. Door de niet als zodanig bevestigende occlusie is mogelijk geleidelijk het macula-oedeem ontstaan, maar aangezien in de daaropvolgende bezoeken geen visus is bepaald, bestaat daaromtrent geen zekerheid. Feit blijft dat betrokkene gedurende 12 dagen een maal daags een druppel Xalatan heeft gebruikt, waarvan het Farmacotherapeutisch kompas aangeeft dat “een verband tussen het gebruik van latanoprost en het ontstaan van macula-oedeem niet kan worden uitgesloten (sic)”. De complicatie macula-oedeem wordt als “zelden” bestempeld. Het is mijns inziens aannemelijker dat het macula-oedeem is voortgekomen uit de veneuze occlusie, die zich aanvankelijk presenteerde als een pre-occlusie en vervolgens onbehandeld bleef.”

2.13. Een brief van 5 februari 2010 van Medirisk aan de toenmalige belangenbehartiger van [eiser], DAS Rechtsbijstand, houdt – voor zover van belang – in:

“Ook [per[persoon 7] gaat ervan uit, ondanks de later gehoorde correctie op het aantal dagen dat de Xalatan oogdruppels werden gebruikt (12 i.p.v. 1 dag), dat sprake was van een actief proces, in dit geval de veneuze preocclusie. Verder ziet [per[persoon 7] het voorschrijven van Xalatan niet als verwijtbaar (rapportage 22-3-2009). Wij zijn dan ook van mening dat het voorschrijven van Xalatan zorgvuldig is geweest. Hoewel er een relatie kan zijn tussen de visusdaling en Xalatan, geven de deskundigen aan dat het maculaoedeem met grote waarschijnlijkheid is ontstaan uit de veneuze occlusie die zich aanvankelijk presenteerde als een preocclusie.

Aansprakelijkheid voor enige gevolgen door of vanwege het gebruik van Xalatan (los van de vraag of dit 12 dagen of eenmalig is geweest) kunnen wij niet erkennen. Wel is [per[persoon 7] van mening dat op 7 februari 2008 nader onderzoek had moeten plaatsvinden naar de oorzaak van de op dat moment geconstateerde bloedingen in het rechter oog en had daarop (eerder) behandeling kunnen worden gestart. Daardoor zou volgens de deskundige de huidige visusdaling vermoedelijk minder zijn geweest. Wij vragen ons, gezien de bijgaande reacties van onze verzekerde, af of dit inderdaad het geval is. Mocht de deskundige bij zijn standpunt blijven, dan is van belang om meer duidelijkheid te krijgen over de gevolgen. Hoewel uw medisch adviseur de deskundige diverse malen aanvullende vragen heeft gesteld, is de vraag wat het percentage B.I. zou zijn (dit blijft voor de deskundige een schatting) indien uw cliënt eerder was behandeld niet gesteld. Ook vinden wij het daarbij van groot belang dat de deskundige zijn beantwoording van de vragen van 5-5-2009 nog met literatuur onderbouwt. Dit mede gezien bijgaande reactie van oog[persoon 9]rsoon 9], die binnen het Oogziekenhuis bekend is met fotocoagulatie. Ook treft u nog de reactie van oogarts [gedaagde 1] als bijlage aan. Wij verzoeken u deze brieven aan de deskundige te sturen en de deskundige te vragen of hij gezien bijgaande informatie zijn standpunt handhaaft en zo ja, of hij in dat geval de gevolgen van het delay in kaart zou willen brengen.”

2.14. Een als bijlage bij de onder 2.12. vermelde brief gevoegde brief van 29 september 2009 van [gedaagde 1] aan Medirisk (de belangenbehartiger van [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis) houdt – voor zover van belang – in:

“Het rapport van dr. [persoon 7] is een evenwichtig rapport, waarmee ik het in grote lijnen eens ben. Zoals professor [persoon 7] in zijn rapport heeft vermeld is de kans op macula oedeem bij Xalatan zeer klein. Zeker als dit zeer kortdurend gebruikt wordt zoals in februari 2008. Uit het consult zou kunnen worden opgemaakt dat de patiënt slechts eenmaal Xalatan heeft toegediend en zeker niet meer dan 12 dagen. Mijns inziens is het macula oedeem geheel te wijten aan de vasculaire problematiek in de vorm van een veneuze (pre)occlusie. Bij mijn weten en dit werd bevestigd door onze afdeling medische retina is er tot dusver geen behandeling mogelijk van een veneuze occlusie. In verband met het glaucoom was het wel belangrijk dat de oogdruk werd verlaagd zodat Xalatan op dat moment een goede keus was.”

2.15. Een als bijlage bij de onder 2.12. vermelde brief van 27 januari 2010[persoon 9]rsoon 9], oogarts, aan de klachtenfunctionaris van het Oogziekenhuis houdt – voor zover van belang – in:

“Bij onderzoek op 20 maart 2008, verricht door collega [persoon 2], was er geen veneuze occlusie. Er was dus geen diagnose van veneuze occlusie op 7 februari 2008. De duidelijk veneuze occlusie is gesteld op 5 april 2008.

Over behandeling van centraal veneuze occlusies is er een grote studie in de jaren ’90 verricht, de Central Vene Occlusion Study. Er werden 711 ogen bestudeerd. Er werd naar de naturale historie gekeken en er werd gekeken wat de rol van gridlaser-fotocoagulatie en panretinale fotoagulatie is. De conclusies op dit gebied waren erg duidelijk.

A. Het fluorescentie-angiogram geeft niet veel meer informatie qua diagnose en zeker niet qua behandeling. Laserbehandeling van de macula (grid) verbetert de visus van patiënt niet. De laser vermindert wel het vocht in de macula. Het advies was dat laserbehandeling geen indicatie is bij patiënten met centraal veneuze occlusie met macula-oedeem.

B. De volgende conclusie was doet panretinale fotoagulatie iets om complicaties bij deze ogen te verminderen, helaas de conclusie was hetzelfde. Het fluorescentie-angiogram is geen parameter om laserbehandeling te verrichten. De parameters zijn: aanwezigheid wel of niet van neovascularisaties in de retine, de papil of van de iris.”

2.16. Een brief van 14 april 2010 van Medirisk aan DAS Rechtsbijstand houdt – voor zover van belang – in:

“Wij hebben geen bezwaar tegen het overleggen van de brieven van uw cliënt samen met onze en de brieven van onze verzekerden aan de deskundige.

In de brief aan [per[persoon 7] verzoeken wij u aan te geven dat onze medisch adviseur [persoon 10] is. Tevens zien wij de 3e alinea graag als volgt geformuleerd:

‘Ook vragen zij u de bijlagen (brieven van behandelend oogarts [gedaagde 1] en oogarts [pe[persoon 9], gespecialiseerd in het toepassen van fotoagulatie) door te nemen en te heroverwegen of de visusdaling minder zou zijn geweest indien er op 7 februari 2008 nader onderzoek zou zijn gedaan. In het geval u van mening blijft dat door aanvullend onderzoek op 7 februari 2008 de visusdaling minder zou zijn geweest, dan verzoek ik u onderstaande vragen nog aanvullend te beantwoorden: Kunt u aangeven etc etc’.”

2.17. Het rapport van 16 mei 2010 van [per[persoon 7] houdt – voor zover van

belang – in:

“Ten eerste is er het verzoek om te komen tot een onderbouwing met literatuur. Dat kan ik niet, behoudens de reeds door oogarts [persoon 9] geciteerde Central Vein Occlusion Study. Daarin wordt aangetoond dat laserbehandeling van een daadwerkelijke veneuze occlusie ofwel geen indicatie is (grid; macula oedeem), ofwel geen effect heeft (panretinaal; complicaties). Bij de heer [eiser] was er op 7 februari 2008 (nog) geen sprake van een veneuze occlusie in engere zin. Immers: er werden wel wat bloedinkjes gezien, maar de visus was nog 1,0.

Behandelopties reiken verder dan alleen maar fotocoagulatie in situaties als deze. Aantonen van een vasculair probleem, zoals aanwezig bij een pre-occlusie, middels fluorescentie angiografie, zou bijvoorbeeld hebben kunnen leiden tot de conclusie dat er helemaal geen sprake moest zijn van fotocoagulatie, maar wel tot een sterkere verlaging van de oogdruk, om aldus een betere perfusie te bewerkstelligen. Dit is in feite ook hetgeen oogarts [gedaagde 1] op dat moment beoogde, als ik zijn notities goed begrijp. Dat daarbij om onduidelijke redenen is gekozen voor Xalatan blijkt inderdaad heel ongelukkig te zijn geweest, omdat er bij betrokkene een aantal redenen bestonden om juist niet voor dit middel te kiezen. Daarmee denk ik dan ook dat bij een vroege herkenning en een daarbij passende actie in ieder geval een redelijke kans had bestaan de goede visus te behouden.

Met geen mogelijkheid kan ik antwoord geven op uw vraag wat naar mijn mening het percentage blijvende invaliditeit zou zijn geweest bij vroegtijdig onderzoek. Hier kan alleen worden gezegd dat de functie van het rechter oog in het meest ideale geval zou zijn behouden. Je zou op zijn best kunnen beweren dat de kans op het behoud daarvan is gemist en daarbij overweeg ik dat er sprake was van een complexe pathologie in het betreffende oog (glaucoom, diabetes, vasculaire problematiek, geneesmiddelen gebruik).

Ik kom daarmee aan de beantwoording van uw derde vraag, nl. wat het beloop zou zijn geweest bij een optimale medische behandeling. Ook daarover kan ik geen zekerheid verschaffen, gezien de complexiteit.

De optimale behandeling zou hebben betekend dat er vroegtijdig duidelijk zou zijn geworden dat er sprake was van een pre-occlusie, en dat vervolgens daarop actie was ondernomen (fotocoagulatie? Oogdrukdaling?). Daarmee zou betrokkene de kans zijn geboden de functie van het betreffende oog te behouden.

(…)

De kans op het krijgen van “macula oedeem” als gevolg van Xalatan is volgens het Farmacotherapeutisch Kompas zéér zeldzaam. De oogarts heeft getracht de oogdruk sterker te verlagen, omdat hij bloedingen zag. Hij heeft daarbij niet de bijwerkingen beschouwd. Zijn primaire intentie was oogdruk verlaging, hetgeen ik verstandig acht. Belangrijker acht ik dat op dat moment de juiste oorzaak van de bloedinkjes was achterhaald en vervolgens goed te overwegen wat te doen en in geval van de noodzaak tot verdere oogdruk verlaging goed te overwegen hoe dat zou moeten worden bewerkstelligd. Voor Xalatan was daarin dan geen plaats geweest. Overigens waren er ook nu redenen om op basis van het verleden geen Xalatan voor te schrijven. (…) Mijn punt is echter dat op 7 februari 2008 sprake was van een heel ander probleem, nl. een vasculair probleem, dat niet als zodanig werd geduid. In tweede instantie is Xalatan een rol gaan spelen.”

2.18. [eiser] heeft het Oogziekenhuis aansprakelijk gesteld vanwege onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1] tijdens de controle op 7 februari 2008. Het Oogziekenhuis heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3. Het geschil

3.1. Na herformulering van zijn verzoek verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen:

1. dat partijen de rapportages d.d. 22 maart 2009, 29 juni 2009, 16 augustus 2009 en 16 mei 2010 van [persoon 7] als uitgangspunt dienen te nemen bij de verdere onderhandelingen in het kader van de schaderegeling;

2. dat aan deze rapportages de conclusie kan worden verbonden:

- dat verweerders aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1] op 7 februari 2008, dat heeft bestaan uit het niet adequaat behandelen van het vasculair lijden en het ten onrechte voorschrijven van Xalatan;

- subsidiair: dat vastgesteld kan worden dat [gedaagde 1] op 7 februari 2008 onzorgvuldig heeft gehandeld door niet adequaat te reageren op het vasculair lijden bij [eiser] en door het voorschrijven van het medicijn Xalatan hetgeen niet voorgeschreven had mogen worden;

- meer subsidiair: dat vastgesteld kan worden dat [gedaagde 1] op 7 februari 2008 onzorgvuldig heeft gehandeld door niet adequaat te reageren op het vasculair lijden bij [eiser];

3.a dat het oordeel van [persoon 7], te weten dat door het onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1] [eiser] de kans is onthouden op behoud van de visus van dat moment (7 februari 2008), in rechte kan worden overgenomen;

3.b dat op verweerders de bewijslast rust ten aanzien van hun stelling dat indien [gedaagde 1] wel zorgvuldig zou hebben gehandeld dit geen positieve gevolgen zou hebben voor het behoud van de visus van dat moment (7 februari 2008);

3.c dat verweerders op basis van de thans voorliggende stukken dit niet (voldoende) aannemelijk hebben gemaakt;

3.d dat verweerders derhalve gehouden zijn de schade van [eiser] te vergoeden en wel volledig – overeenkomstig de kans van behoud van de visus welke kans hem is ontnomen waarbij die kans op 100% wordt vastgesteld – althans overeenkomstig een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage in verband met deze vastgestelde kans op behoud van de visus;

subsidiair: voor het geval de rechtbank oordeelt dat het rapport van [persoon 7] onvoldoende duidelijkheid biedt om in rechte te kunnen vaststellen welke gevolgen aan het onzorgvuldig handelen kunnen worden verbonden, te bepalen dat een nader deskundigenoordeel dient te worden ingewonnen en dat de daaraan verbonden kosten voorlopig dienen te worden gedragen door verweerders;

4. dat verweerders aan [eiser] vergoeden de door de rechtbank nader te begroten redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW aan de zijde van [eiser] bij de behandeling van het verzoekschrift en het aanvullend verzoekschrift, welke door hem worden begroot op het bedrag van de daadwerkelijk door de procesadvocaat aan de behandeling van het verzoek bestede tijd vermenigvuldigd met een uurtarief overeenkomstig productie 18 en zoals omschreven in punt 60 van het verzoekschrift en te vermeerderen met het door hem betaalde griffierecht en met veroordeling van verweerders in deze kosten voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis voeren gemotiveerd verweer, dat strekt tot niet ontvankelijkverklaring van [eiser] in het (aanvullend) verzoek, althans afwijzing daarvan.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft zich tot de rechtbank gewend met een (aangevuld) verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure in letsel- en overlijdensschadezaken opgenomen.

4.2. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het (aanvullend) verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.3. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen, waardoor partijen een extra instrument in handen krijgen ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen. In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen terzake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Met andere woorden: de rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

4.4. Een verzoek als het onderhavige, dat er in essentie toe strekt dat in een deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis jegens [eiser] uit hoofde van wanprestatie onder een geneeskundige behandelingsovereenkomst, althans onrechtmatige daad aansprakelijk zijn, valt op zich binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv . Dispuut over de vraag of verweerder jegens verzoeker aansprakelijk is, is immers te beschouwen als ‘een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt’.

Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat partijen nimmer met (noemenswaardige) onderhandelingen zijn gestart, zoals door [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis is aangevoerd, onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor behandeling in de deelgeschilprocedure.

Juist het feit dat partijen van mening verschillen over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Het voeren van onderhandelingen ter regeling van een letselschade en het onderzoeken van de omvang van dergelijke schades kan immers kostbaar zijn. De aangesproken partij zal daartoe in veel gevallen niet bereid zijn indien zij aansprakelijkheid betwist, terwijl het ook voor het slachtoffer niet voor de hand ligt die kosten te maken indien de aansprakelijkheid wordt betwist. Juist om die impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen. Zou het enkele feit dat de onderhandelingen nog niet op gang zijn gekomen juist door verschil van inzicht over de aansprakelijkheid, reeds tot gevolg hebben dat een verzoeker niet in zijn verzoek wordt ontvangen, dan zou de door de wetgever klaarblijkelijk beoogde mogelijkheid ook de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure aan de orde te stellen, illusoir worden.

4.5. Aan het (aanvullend) verzoek heeft [eiser] – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde 1] heeft tijdens de controle op 7 februari 2008 de diagnose vasculair lijden gemist, althans daarop niet adequaat gereageerd, en onterecht Xalatan voorgeschreven. Aldus heeft [gedaagde 1] onzorgvuldig gehandeld. Als gevolg daarvan heeft [eiser] schade geleden in de vorm van het verlies van de goede visus op dat moment. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [eiser] in het bijzonder naar de rapporten van [per[persoon 7].

4.6. [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis betwisten dat [gedaagde 1] op 7 februari 2008 onzorgvuldig zou hebben gehandeld, alsmede dat er sprake zou zijn van causaal verband tussen het eventueel onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1] en de gestelde schade. Ter onderbouwing daarvan verwijzen [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis in het bijzonder naar de brief van [per[persoon 3] van 22 mei 2008, de brief van [per[persoon 6] van 17 februari 2009 en de brief van dr. [persoon 9] Ciriano van 27 januari 2010.

4.7. Vastgesteld moet worden, dat tussen partijen uitgebreide geschillen bestaan. Niet alleen is in geschil of door [gedaagde 1] op 7 februari 2008 een fout is gemaakt, maar ook waardoor het macula-oedeem, dat volgens beide partijen de visusdaling heeft veroorzaakt, zelf veroorzaakt is; hoewel tussen het vaatlijden ((pre-)occlusie) en het macula-oedeem een causale relatie lijkt te bestaan, is niet ondenkbaar dat de Xalatan (gegeven de bij [eiser] aanwezige risicofactoren) ook een rol heeft gespeeld. Als de Xalatan het macula-oedeem (mede) veroorzaakt heeft, is de vraag in hoeverre de op dat moment bekende gegevens [gedaagde 1] hadden moeten weerhouden van het voorschrijven daarvan. Als louter de

(pre-)occlusie tot het macula-oedeem geleid heeft, is de vraag of een handelwijze van [gedaagde 1] mogelijk was geweest die de schade had kunnen beperken of voorkomen. Er zal eerst meer duidelijkheid over de oogheelkundige problematiek moeten bestaan voordat een juridisch oordeel over de (eventuele) fout en het causaal verband met de schade kan worden gegeven. Dat betekent ook, dat het op dit moment te vroeg is om over proportionele aansprakelijkheid of verlies van een kans te spreken. Voor wat betreft de door [eiser] voorgestane toepassing van de omkeringsregel geldt, dat de controle waarbij de fout gemaakt zou zijn weliswaar niet zag op het gevaar van macula-oedeem, maar wel op de algemene toestand van het oog en het zicht.

Met name ten aanzien van het wisselen van oogdrukverlagende medicatie omvat de in acht te nemen veiligheidsnorm het waken voor schadelijke bijeffecten voor de visus. Er zijn dus aanknopingspunten voor toepassing van deze regel, doch voor een oordeel op dat punt is verdere deskundige voorlichting vereist.

4.8. Partijen hebben ook onderkend dat deskundige (oogheelkundige) voorlichting wezenlijk is. Hetgeen partijen in essentie verdeeld houdt, ziet op de vraag of de rapporten van [per[persoon 7] als uitgangspunt kunnen dienen voor de onderhandelingen.

4.8.1. [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis hebben gesteld dat het onderzoek dat [per[persoon 7] heeft verricht eenzijdig door [eiser] is opgestart, waarbij zij geen inbreng hebben gehad in de keuze van de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. Ter zitting hebben [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis te kennen gegeven dat zij in het kader van een gezamenlijke rapportage nimmer zouden hebben ingestemd met [per[persoon 7] als deskundige, nu [per[persoon 7] de specifieke oogheelkundige kennis ontbeert die in een situatie als de onderhavige noodzakelijk is om te kunnen oordelen over het handelen van [gedaagde 1]. Evenmin hebben [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis hun visie op het handelen van [gedaagde 1] kunnen geven dan wel is er (tot het laatste stadium; zie 2.13.) gelegenheid geweest vragen of opmerkingen op conceptrapportages aan de deskundige voor te leggen, waardoor sprake is van schending van hoor en wederhoor, aldus [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis.

4.8.2. [eiser] heeft daartegenover aangevoerd dat [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis niet bij gelegenheid van het stellen van aanvullende vragen aan [per[persoon 7], maar ook niet bij gelegenheid van het verweerschrift en het nader verweerschrift bezwaren hebben opgeworpen tegen de keuze van [per[persoon 7] als deskundige in deze. Bij twijfel over de geschiktheid van de persoon van de deskundige is het niet ongebruikelijk om de deskundige te vragen om een zogenoemde ‘disclosure statement’. [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis hebben nimmer voorgesteld deze vraag aan [per[persoon 7] voor te leggen. Overigens is van enige ongeschiktheid van [per[persoon 7] om als deskundige in deze op te treden feitelijk niets gebleken. Anders dan te wijzen op zijn specialisme hebben [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis niet uitgelegd waarom zijn rapport(en) van onvoldoende kwaliteit zou(den) zijn als gevolg van zijn gestelde ongeschiktheid om als deskundige in deze te kunnen optreden. Voor wat betreft de inhoud van de rapporten meent [eiser] dat, hoewel aanvankelijk [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis niet betrokken zijn geweest, hun latere betrokkenheid dat voldoende compenseert. In dat stadium hebben [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis immers nadere vragen gesteld en hun opvatting voorgelegd zonder enig relevant voorbehoud te maken, zodat de rapporten van [per[persoon 7] per saldo gelijk te stellen zijn aan een gezamenlijk gevraagd deskundigenbericht.

4.9. Vast staat dat van een medische expertise die tot stand is gekomen in onderling overleg tussen partijen in eigenlijke zin geen sprake is (op de vraag of deze daarmee gelijk gesteld kan worden wordt hierna, onder 4.12., teruggekomen). Bij de waardering van een deskundigenrapport als het onderhavige heeft als uitgangspunt te gelden dat een dergelijk rapport in beginsel tot bewijs kan dienen, ook wanneer het niet op de wijze als omschreven in de artikelen 194 e.v. Rv tot stand is gekomen. De waarde die aan eenzijdige rapportages als de onderhavige kan worden gehecht is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder:

- de vraag of de andere partij invloed heeft gehad op de keuze van de deskundige en, zo niet, of de deskundigheid van de opsteller van de partijrapportage door de andere partij in twijfel is getrokken;

- de vraag of de andere partij invloed heeft gehad op de vraagstelling en, zo niet, of de andere partij met de vraagstelling kan instemmen;

- de vraag of de vraagstelling aan de deskundige adequaat was;

- de vraag of de andere partij de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze (en eventuele vragen en opmerkingen) aan de deskundige kenbaar te maken;

- de vraag of de deskundige heeft kunnen beschikken over alle relevante informatie;

- de vraag of en in hoeverre de andere partij met het rapport van de deskundige kan instemmen.

4.10. Met betrekking tot de keuze van de deskundige kan worden opgemerkt dat [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis niet hebben ingestemd met de benoeming van [per[persoon 7]. [gedaagde 1] heeft weliswaar bij brief van 29 september 2009 voldaan aan het verzoek van zijn belangenbehartiger, Medirisk, om te reageren op de rapportages van [per[persoon 7], maar dit betekent niet zonder meer dat daarmee met de benoeming van [per[persoon 7] als deskundige werd ingestemd. [gedaagde 1] reageerde in deze brief op uitsluitend oogheelkundige aspecten en aanvaardde daarmee in feitelijke zin [per[persoon 7], die nu eenmaal was ingeschakeld, maar dat kan in redelijkheid niet worden gelijkgesteld met instemming. Uit het feit dat namens [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis een nadere vraag is gesteld aan [per[persoon 7], waarna de vierde rapportage tot stand kwam, kan evenmin instemming met de benoeming van [per[persoon 7] als deskundige worden afgeleid. De rechtbank acht overigens de bezwaren van [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis niet doorslaggevend. Het gaat er bij een deskundigenbericht als dit niet om wat de beste specialist zou hebben gedaan, maar om wat een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig oogarts zou hebben moeten doen. In het algemeen is een (ervaren) algemeen oogarts, zoals [per[persoon 7], bij uitstek geschikt om daarover te rapporteren. Dat neemt echter niet weg, dat [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis met de keuze voor [per[persoon 7] niet hebben ingestemd.

4.11. Bij de formulering van de vraagstelling zijn [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis, althans hun belangenbehartiger Medirisk, blijkens de brief van 14 april 2010 van Medirisk aan DAS Rechtsbijstand in een later stadium betrokken geweest. Bovendien hebben [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis aangegeven bij faxbericht van 28 maart 2011 dat zij met de vragen die zijn gesteld als zodanig geen problemen hebben. Dit punt kan dus daargelaten worden. Een punt van aandacht is wel of de vraagstelling aan de deskundige adequaat was. Meer in het algemeen kan worden geconstateerd dat de vragen niet expliciet zijn gericht op een vergelijking tussen de situatie na het gestelde onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1] en de hypothetische situatie zonder het gestelde onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1]. Een dergelijke vergelijking is juist bedoeld om inzicht te verkrijgen in de vraag of er causaal verband aanwezig is tussen het gestelde onzorgvuldig handelen van [gedaagde 1] en de gestelde schade.

Een en ander neemt niet weg, dat [eiser] met de rapporten van [per[persoon 7] zonder twijfel heeft voldaan aan de stelplicht die op hem rust. Dat is echter niet waar het nu om gaat.

4.12. [eiser] meent immers, en dat is de voornaamste inzet van dit deelgeschil, dat aan de rapportages van [per[persoon 7] meer waarde dient toe te komen. Hij baseert zich daarbij op de in de jurisprudentie algemeen aanvaarde regel dat aan een deskundigenrapport dat weliswaar niet door de rechter is gelast maar dat wel in overleg tussen partijen na bereikte overeenstemming over deskundige en vragen en met toepassing van hoor en wederhoor tot stand is gekomen, partijen in beginsel gebonden zijn. Die gebondenheid is in de kern zelfbinding, waarbij partijen zich tevoren committeren;

daarbij past, dat zij zich (behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden) niet later van de tegenvallende resultaten kunnen distantiëren. Van die zelfbinding is in dit geval tevoren geen sprake geweest. Dat [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis op enig moment aanvullende commentaren hebben geleverd en deze hebben toegestuurd met de vragen die tot het laatste rapport hebben geleid, biedt onvoldoende compensatie voor het ontbreken van eerder overleg en eerder hoor en wederhoor om tot de hiervoor bedoelde binding te kunnen leiden. Een andere reden om toch de rapporten van [per[persoon 7] tot uitgangspunt te nemen ontbreekt, nu [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis deze rapporten inhoudelijk en gemotiveerd betwisten.

Het onder 1 verzochte is dus niet toewijsbaar en het onder 2 en 3 verzochte daarmee thans niet relevant, omdat dit uitgaat van toewijzing van het onder 1 verzochte.

4.13. Het voorgaande betekent ook dat een beslissing op het onderhavige deelgeschil bij de huidige stand van zaken instructie vereist, in de vorm van in elk geval deskundigenonderzoek, en wellicht nadere bewijsvoering (ten aanzien van bijvoorbeeld de duur dat de Xalatan is gebruikt). Het subsidiaire verzoek tot het gelasten van een nader deskundigenonderzoek zou op zichzelf wellicht toewijsbaar zijn als [eiser] daartoe meer concrete stellingen had betrokken. Daarvan is echter geen sprake: er zijn geen vragen voorgesteld en geen namen genoemd. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in het kader van dit deelgeschil geen volledig debat tussen partijen over een te gelasten deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden, zodat het overleg daarover nog vrijwel geheel moet beginnen. Daardoor weegt naar het oordeel van de rechtbank de investering in tijd, geld en moeite die met de beslissing op dit deelgeschil gepaard zou gaan, niet op tegen het (thans bekende) belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. Van betekenis daarbij is dat door de benodigde instructie van een snelle beslissing geen sprake zal kunnen zijn. De rechtbank geeft partijen echter in overweging zelf te komen tot een deskundigenbericht dat aan voornoemde eisen voldoet.

4.14. Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Het (aanvullend) verzoek zal dan ook op grond van artikel 1019z Rv geheel worden afgewezen.

4.15. [eiser] heeft verzocht zijn kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa lid 1 Rv . De rechtbank dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vraag of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is.

4.16. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van deze laatste situatie is in dit geval echter geen sprake. Redengevend daarvoor is dat de Wet deelgeschillen geen concrete aanknopingspunten bevat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een deelgeschil en de parlementaire geschiedenis het begrip deelgeschil zeer ruim uitlegt, maar de concrete invulling van dat begrip aan de rechtspraak is overgelaten. Gezien de betrekkelijk korte tijd dat de Wet deelgeschillen in werking is, is van een vaste lijn in de rechtspraak over het begrip deelgeschil geen sprake.

Tegen deze achtergrond kan, anders dan [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis kennelijk betogen, het door [eiser] ingediende (aanvullend) verzoekschrift niet bij voorbaat als volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd.

4.17. Bij het verzoekschrift heeft mr. Boxce een onderbouwde specificatie gevoegd van de tot het moment van het opstellen van het verzoekschrift gemaakte kosten, die

EUR 2.328,00 bedragen. Die kosten komen de rechtbank redelijk voor. De met de verdere behandeling van de zaak gemoeide kosten, waaronder het opstellen van het aanvullend verzoekschrift en de tijd besteed aan het bijwonen van de zitting, zullen door de rechtbank worden begroot op EUR 550,00, te vermeerderen met het door [eiser] betaalde griffierecht van EUR 258,00, in totaal dus EUR 3.136,00.

4.18. Nu de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis (nog) niet vast staat, is de verzochte veroordeling van [gedaagde 1] en het Oogziekenhuis tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het (aanvullend) verzoek van [eiser] af;

5.2. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op EUR 3.136,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature