Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Op 23 februari 2005 heeft het college het Herinrichtingsplan Nieuwendijk vastgesteld.

Uitspraak



201009338/1/H3.

Datum uitspraak: 13 april 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 augustus 2010 in zaak nr. 09/817 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

1. Procesverloop

Op 23 februari 2005 heeft het college het Herinrichtingsplan Nieuwendijk vastgesteld.

Bij besluit van 4 augustus 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen prematuur gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2009 in zaak nr. 08/861 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 4 augustus 2008 vernietigd.

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. van den Berg, advocaat te Middelburg, bijgestaan door F.E.C. Slager en H.J. van Pelt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer, krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

2.2. Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen van 21 juli 2008, het bezwaar van [appellant] bij zowel het besluit van 4 augustus 2008 als het besluit van 23 oktober 2009 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vaststelling van het Herinrichtingsplan geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb . Volgens het college is deze vaststelling niet gebaseerd op een wettelijke grondslag en evenmin gericht op enig rechtsgevolg. Het Herinrichtingsplan betreft alleen het feitelijk handelen van het college bij de gefaseerde herinrichting van de Nieuwendijk, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn bezwaar bij het besluit van 23 oktober 2009 opnieuw niet-ontvankelijk mocht verklaren. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat uit haar uitspraak van 5 februari 2009, waarbij het besluit van 4 augustus 2008 is vernietigd, volgt dat het bezwaar ontvankelijk is. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat het college niet een aan het besluit van 4 augustus 2008 identiek nieuw besluit op bezwaar mocht nemen, aldus [appellant].

2.3.1. In de uitspraak van 5 februari 2009 heeft de rechtbank overwogen dat het college de op de procedure betrekking hebbende stukken niet had overgelegd. Gelet hierop was de rechtbank van oordeel dat niet had kunnen blijken of het besluit van 4 augustus 2008 op een duidelijke grondslag was gebaseerd. Hierin heeft zij aanleiding gezien dat besluit te vernietigen. De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over de inhoudelijke overwegingen die aan dat besluit ten grondslag hebben gelegen. Zo heeft zij zich niet uitgelaten over het besluitkarakter van de vaststelling van het Herinrichtingsplan. Hoewel de uitspraak van 5 februari 2009 onherroepelijk is geworden, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 19 augustus 2010 terecht overwogen dat eerstgenoemde uitspraak er niet aan in de weg stond dat het college bij het nieuwe besluit op bezwaar, dat het naar aanleiding van de vernietiging van het besluit van 4 augustus 2008 diende te nemen, het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk kon verklaren op basis van dezelfde gronden die aan het vernietigde besluit ten grondslag lagen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vaststelling van het Herinrichtingsplan geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb . Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het bezwaar niet was gericht tegen de vaststelling van het Herinrichtingsplan als zodanig, maar alleen voor zover de concrete uitvoering daarvan rechtstreeks en uitsluitend de belangen van [appellant] schaadt. Daartegen is volgens hem wel bezwaar mogelijk. Voor zover de vaststelling van het Herinrichtingsplan niet tevens de uitvoering daarvan omvat, stelt [appellant] zich op het standpunt dat alle in het kader van de herinrichting van de Nieuwendijk uitgevoerde ingrepen en werkzaamheden reeds daarom wederrechtelijk zijn geweest.

2.4.1. De vaststelling van het Herinrichtingsplan ziet op de gefaseerde herinrichting van de Nieuwendijk te Vlissingen, waarbij parkeerplaatsen verdwijnen en voetgangersroutes worden verbreed. Het doel van het Herinrichtingsplan is van de Nieuwendijk een aantrekkelijk autoluw verblijfsgebied te maken voor inwoners en toeristen. Het college heeft bij de vaststelling van het Herinrichtingsplan de Directeur Grondgebied gemachtigd tot de uitvoering van dat plan, die in drie fasen zal gebeuren.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vaststelling van het Herinrichtingsplan niet is gericht op enig (extern) rechtsgevolg, zodat deze niet is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb . Met die vaststelling zijn geen wijzigingen in de rechten en plichten van [appellant] ontstaan. Er is niet meer beoogd dan het vaststellen van het plan dat het college als uitgangspunt dient te nemen voor de feitelijke herinrichting van de Nieuwendijk. Dat de uitvoering van het Herinrichtingsplan gepaard zal gaan met het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg, maakt voorts niet dat reeds de vaststelling van dat plan mede een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wvw 1994 of een daarmee op een lijn te stellen beslissing behelst dan wel dient te behelzen. Eerst bij de uitvoering van dat plan dienen zo nodig ter zake verkeersbesluiten en andere van belang zijnde uitvoeringsbeslissingen te worden genomen, daargelaten dat indien het verdwijnen van parkeerplaatsen niet leidt tot een beperking van het aantal categorieën weggebruikers dat van de Nieuwendijk gebruik kan maken daarvoor geen verkeersbesluit is vereist (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2002 in zaak nr. 200203539/1). Dat [appellant], naar hij stelt, onevenredig in zijn belangen is of wordt geschaad door het Herinrichtingsplan dan wel de feitelijke uitvoering daarvan, betreft een kwestie waarover de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

176-611.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature