Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kap vijftal knotwilgen. Aanvrager zakelijk gerechtigd? Noch de strekking van artikel 4.3.3. van de APV, noch artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht gaat zover dat, indien op grond van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden aannemelijk is dat de aanvrager zakelijk gerechtigd is, van verweerder wordt verlangd zelfstandig, diepgaand onderzoek te verrichten naar de eigendomsverhoudingen. Verweerder is niet in staat omtrent de eigendomsverhoudingen een bindend oordeel te doen vellen. Slechts de burgerlijke rechter is daartoe bevoegd. Verzoek om schorsing van het bestreden besluit afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/762

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april 2011

inzake

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

tegen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel,

verweerder,

gemachtigde B.A.P. van de Staak.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], te [woonplaats], vergunninghouder, gemachtigde mr. A.A.M. van der Aa.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft verweerder aan vergunninghouder onder voorwaarden een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het vellen van een vijftal knotwilgen in de zijtuin op het perceel, plaatselijk bekend [perceel].

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 3 februari 2011 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 3 februari 2011 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek is geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/455. Bij brief van 1 maart 2011 heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Bij brief van 3 maart 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek bij de rechtbank bekend is onder procedurenummer AWB 11/762.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 maart 2011, waar verzoeker is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is verschenen de gemachtigde van vergunninghouder.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3. Aan de orde is de vraag of naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestreden besluit in stand zal kunnen blijven en of in verband hiermee al dan niet een voorlopige voorziening als verzocht dient te worden getroffen.

4. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij op juiste gronden een omgevingsvergunning voor het vellen van de vijf knotwilgen heeft verleend. Volgens verweerder is in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2006” geen aanlegvergunningenstelsel opgenomen. Voorts is niet gebleken dat sprake is van een weigeringsgrond in de zin van de ter plaatse geldende Algemene Plaatselijke Verordening van 27 mei 2008 (APV). Overigens is verweerder van mening dat voor de beoordeling van de waarde van de bomen niet relevant is aan wie de bewuste bomen toebehoren. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan de hand van foto’s en kadastrale tekeningen is vast komen te staan dat vergunninghouder de eigenaar van de bomen is.

6. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder heeft miskend dat niet vergunninghouder, maar verzoeker de eigenaar is van de te vellen vijf knotwilgen. Volgens verzoeker heeft in 2004 een kadastrale erfgrensreconstructie plaatsgevonden, die vervolgens is opgenomen in de kadastrale kaarten en waaruit het eigendomsrecht van verzoeker blijkt.

Daarnaast is verzoeker van mening dat de vijf knotwilgen landschappelijke waarden hebben, omdat zij deel uitmaken van een rij van zeven knotwilgen en een landschappelijk struweel van beplanting, die samen de open landschapsstructuur onderstrepen. Na het vellen van de bomen zal niets meer van die landschappelijke waarde overblijven. Voorts heeft verweerder miskend dat de knotwilgen waterhuishoudkundige waarde hebben en voorkomen dat overtollig water van het hoger gelegen perceel van vergunninghouder op het lager gelegen perceel van verzoeker stroomt. Tot slot heeft verweerder weliswaar aan de bouwvergunning de voorwaarde verbonden dat vier knotwilgen met een stamdikte van 12 tot 14 cm op de perceelsgrens ten noorden van de rooilocatie moeten worden geplant, maar daarbij heeft verweerder er geen rekening mee gehouden dat de bomen minstens op 2 meter uit de erfgrens moeten worden geplaatst.

7. Vergunninghouder heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat hij eigenaar is van de te vellen vijf knotwilgen.

8. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo , luidt: voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

9. Artikel 2.18 van de Wabo , luidt: voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

10. Ingevolge artikel 4.3.2, eerste lid van de APV, is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

11. Ingevolge artikel 4.3.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV, voor zover relevant, wordt in deze afdeling verstaan onder houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen.

12. Ingevolge artikel 4.3.3, eerste lid, van de APV moet de vergunning worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

13. Ingevolge artikel 4.3.4, eerste lid van de APV, kan het bevoegd gezag de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

14. Ingevolge artikel 4.3.4, tweede lid, van de APV, voor zo ver relevan t, kan het bevoegd gezag bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren. De motivering verwijst zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

15. Ingevolge artikel 4.3.7, eerste lid, van de APV, kan tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen, moet worden herplant, alsmede financiële voorwaarden zoals jaarlijks vastgelegd in de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Bomentaxateurs.

16. Artikel 4.3.7, tweede lid, van de APV, voor zo ver relevan t, luidt: wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

17. Ingevolge artikel 4.3.10 van de APV wordt de afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld op 2 meter voor bomen en nihil voor hagen en heesters.

18. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

19. Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder had mogen aannemen dat de eigendom van de te vellen vijf bomen bij vergunninghouder ligt. Verzoeker heeft betwist dat de erfgrens correct wordt weergegeven, stellende dat vergunninghouder de plaats van de kadastrale paaltjes heeft gemanipuleerd door ze zelfstandig te hebben verplaatst.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder op grond van foto’s, kadastrale tekeningen en onderzoek ter plaatse waarin hem niet is gebleken van een verplaatsing van de kadastrale paaltjes, de eigendom van vergunninghouder aannemelijk heeft geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strekt noch artikel 4.3.3. van de APV, noch artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht zover dat, indien op grond van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden aannemelijk is dat de aanvrager zakelijk gerechtigd is, van verweerder wordt verlangd zelfstandig, diepgaand onderzoek te verrichten naar de eigendomsverhoudingen. Ook indien de eigendom van de betrokken grond door een omwonende wordt betwist, kan van verweerder niet meer worden verlangd, dan dat hij beoordeelt of de eigendom door de aanvrager van de vergunning tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt. In dit verband is van belang dat verweerder ook niet in staat is omtrent de eigendomsverhoudingen een bindend oordeel te doen vellen. Slechts de burgerlijke rechter is daartoe bevoegd. In de onderhavige zaak acht de voorzieningenrechter van belang dat ter zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat vergunninghouder de gewraakte knotwilgen altijd heeft onderhouden - zonder dat verzoeker hem er op heeft gewezen dat verzoeker eigenaar van de bomen zou zijn - en dat vergunninghouder eerst recentelijk, vanwege zijn leeftijd, aan verzoeker heeft gevraagd de bomen voor hem te onderhouden. Verweerder mocht er derhalve redelijkerwijs van uit gaan dat vergunninghouder zakelijk gerechtigd is om over de houtopstand te beschikken. Ook de ter zitting door verzoeker getoonde foto’s hebben de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat de vergunninghouder de kadastrale paaltjes heeft verplaatst.

20. Ten aanzien van de herplantplicht, die als voorwaarde aan de omgevingsvergunning is verbonden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vast staat dat in de voorwaarde is opgenomen dat de knotwilgen op de perceelsgrens moeten worden herplant. Tussen partijen is niet in geschil dat dit in strijd is met de in artikel 4.3.10 van de APV genoemde afstand van 2 meter. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker op dit punt met juistheid gesteld dat het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is. Ter zitting is evenwel gebleken dat de vijf knotwilgen ook elders, met inachtneming van artikel 4.3.10 van de APV en de ter zake geldende regels uit het Burgerlijk Wetboek, op voor alle partijen acceptabele wijze op het perceel van vergunninghouder kunnen worden herplant. De voorzieningenrechter hecht daarbij tevens belang aan de omstandigheid dat het bestreden besluit in de bezwaarfase volledig wordt heroverwogen zodat de voorzieningenrechter er van uit gaat dat dit gebrek dan door verweerder zal worden hersteld. Hierin is derhalve geen reden gelegen tot het treffen van een voorlopige voorziening.

21. Hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd - dat verweerder heeft miskend dat de te vellen knotwilgen deel uitmaken van een struweel en landschappelijke waarden bezitten zodat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd - leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat verweerder ingevolge artikel 4.3.4 van de APV, beoordelingsvrijheid toekomt ter zake het weigeren van de gevraagde vergunning. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke waarde van de knotwilgen gering is, aangezien het een vrij besloten gebied betreft en er tevens een haag/singel tegen deze bomen staat en dat dit wordt gecompenseerd door het opleggen van een herplantplicht.

22. Voor zover verzoeker nog heeft betoogd dat de knotwilgen waterhuishoudkundige waarde hebben, kan dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin tot een andere conclusie leiden, nu dit geen weigeringsgrond op grond van de APV is en bovendien niet aannemelijk is geworden dat het vellen van de knotwilgen tot wateroverlast op het perceel van verzoeker leidt.

23. Al het vorenstaande in ogenschouw nemend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit naar alle waarschijnlijkheid, zij het met enige aanpassing, in bezwaar stand zal kunnen houden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals door verzoeker is verzocht. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afwijzen.

24. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten, dan wel verweerder op te dragen het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

25. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. G.J. Krens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschriften verzonden:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature