Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eisers stellen hun voormalig bewindvoerder op grond van art. 1:444 BW aansprakelijk omdat deze toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder, omdat er zowel voor als na de uitspraak van het beschermingsbewind nieuwe schulden zijn ontstaan.

Rechtank oordeelt dat NIM op een aantal punten inderdaad toerekenbaar is tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder. Bewijsopdracht aan eisers m.b.t. de omvang van de schade.

Uitspraak



Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205922 / HA ZA 10-1880

Vonnis van 30 maart 2011

in de zaak van

[eisers],

eisers,

advocaat mr. M.C. van der Meij te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING NIM MAATSCHAPPELIJK WERK,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.J.M. Naus te Nijmegen.

Partijen zullen hierna de heer en mevrouw [eiser] en NIM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 november 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 11 februari 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De heer en mevrouw [eiser] zijn getrouwd.

2.2. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2007 is de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van mevrouw [eiser]. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2007 is ten aanzien van mevrouw [eiser] de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. De heer [ ]. [betrokkene] is benoemd tot haar bewindvoerder.

2.3. De heer [eiser] is niet toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.4. Op 22 april 2008 hebben de heer en mevrouw [eiser] zich gewend tot NIM. Op 23 mei 2008 is [ ] [betrokkene 2] als maatschappelijk werkster gestart met de hulpverlening.

2.5. Op 26 oktober 2008 heeft NIM het intakeformulier voor NIM meerderjarigenbewind en budgetbeheer van de heer en mevrouw [eiser] ontvangen.

2.6. Op 27 november 2008 hebben de heer en mevrouw [eiser] een verzoekschrift ingediend tot onderbewindstelling.

2.7. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen van 23 januari 2009 zijn de goederen van de heer en mevrouw [eiser] onder bewind gesteld. Daarbij is NIM benoemd tot hun (beschermings)bewindvoerder.

2.8. Op 19 mei 2009 heeft de heer [betrokkene] verslag uitgebracht aan de rechter-commissaris in de wettelijke schuldsaneringsregeling van mevrouw [eiser]. Naar aanleiding van dit verslag en op verzoek van de rechter-commissaris is mevrouw [eiser] op 3 september 2009 gehoord door de rechter-commissaris.

2.9. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 september 2009 is de wettelijke schuldsaneringsregeling van mevrouw [eiser] tussentijds beëindigd en is haar faillissement uitgesproken. Mevrouw [eiser] heeft geen schone lei gekregen. In het vonnis staat, voor zover relevant:

De rechtbank overweegt, alles overziende, dat er voldoende gronden zijn om tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling over te gaan nu de schuldenaar (mevrouw [eiser], toevoeging rechtbank) niet heeft voldaan aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De schuldenaar heeft nieuwe bovenmatige schulden laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de stelling van de schuldenaar dat het Nim aansprakelijk is voor het ontstaan van de schulden, aangezien het budgetbeheer pas op 18 april 2009 is gestart terwijl het beheer al op 18 juli 2008 was aangevraagd, de schuldenaar te allen tijde zelf verantwoordelijk blijft voor het (toezien op) betalen van alle rekeningen. Dit geldt te meer nu de schuldenaar haar gehele inkomen gedurende de periode dat het budgetbeheer nog niet was opgestart zelf ontving. (…)

2.10. NIM heeft namens mevrouw [eiser] hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2.11. Bij arrest van het Hof Arnhem van 17 december 2009 is het vonnis van de rechtbank van 17 september 2009 bekrachtigd. In dit arrest staat, voor zover relevant:

3.5 Het hof is van oordeel dat [mevrouw eiser] (mevrouw [eiser], toevoeging rechtbank) niet heeft voldaan aan haar uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen. Vast staat dat er tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden tot een bedrag van meer dan € 4.000,- zijn ontstaan, onder andere aan de ziektekostenverzekering en aan de verhuurder van de door [mevrouw eiser] bewoonde woning. Bovendien is een boedelachterstand ontstaan. De stelling van [mevrouw eiser] dat de nieuwe schulden zijn ontstaan door nalatigheid van het NIM kan haar niet baten. Uit de stukken en naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting is immers voldoende gebleken dat die schulden zijn ontstaan tijdens de schuldsaneringsregeling en wel grotendeels voordat het NIM als bewindvoerster is benoemd. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, blijft de schuldenaar te allen tijde zelf verantwoordelijk voor het (toezien op het) betalen van de rekeningen. Het betoog van [mevrouw eiser] dat de nota’s van de ziektekostenverzekeraar abusievelijk aan haar werden gezonden in plaats van aan het NIM gaat evenmin op, aangezien zij in een dergelijk geval had dienen zorg te dragen voor doorzending ervan aan het NIM, hetgeen zij blijkbaar heeft nagelaten. Dit is aan [mevrouw eiser] te verwijten en in dat verband kan zij zich naar het oordeel van het hof niet verschuilen achter het NIM. Het hof acht het voorts uiterst twijfelachtig of en – gelet op de gang van zaken in het verleden – niet bepaald realistisch dat [mevrouw eiser] bij een voortzetting en verlenging van de schulsaneringsregeling in staat zal zijn met extra aflossingen de thans nog openstaande nieuwe schulden en de boedelachterstand volledig af te betalen.

2.12. Bij brief van 23 december 2009 is NIM namens de heer en mevrouw [eiser] aansprakelijk gesteld.

2.13. Bij beschikking van 14 januari 2010 van rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, is NIM per 1 maart 2010 ontslagen als beschermingsbewindvoerder en is [X] tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

3. Het geschil

3.1. De heer en mevrouw [eiser] vorderen samengevat - een verklaring voor recht dat NIM toerekenbaar is tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder en dat de heer en mevrouw [eiser] daardoor schade hebben geleden. Daarnaast vorderen zij veroordeling van NIM tot betaling van schadevergoeding ad € 25.000,--, vermeerderd met rente en kosten vanaf 23 december 2009. Ten slotte vorderen zij een veroordeling van NIM in de kosten van deze procedure.

3.2. De heer en mevrouw [eiser] stellen dat NIM is tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder, omdat er zowel voor als na de uitspraak van het beschermingsbewind nieuwe schulden zijn ontstaan. Deze nieuwe schulden hebben er vervolgens toe geleid dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van mevrouw [eiser] tussentijds is beëindigd zonder dat zij een schone lei heeft gekregen. De heer en mevrouw [eiser] stellen dat zij hierdoor schade hebben geleden, bestaande uit het feit dat mevrouw [eiser] haar schulden ad totaal € 77.536,58 niet zijn kwijtgescholden,

€ 1.701,23 aan extra rente en kosten, € 597,68 aan niet kwijt gescholden gemeentelijke belastingen en € 1.280,-- aan bewindvoerderskosten. De heer en mevrouw [eiser] hebben hun vordering beperkt tot € 25.000,--.

3.3. NIM voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op hoogte en grondslag van de vordering acht de rechtbank zich bevoegd van de onderhavige zaak kennis te nemen. Dit ware anders geweest als het in deze zaak zou gaan over de door NIM afgelegde rekening en verantwoording. De huidige beschermingsbewindvoerder heeft toestemming gegeven aan de heer en mevrouw [eiser] voor het instellen van de vordering.

4.2. De kern van het geschil is of NIM is tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder. De heer en mevrouw [eiser] baseren de aansprakelijkheid van NIM op de artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 1:444 BW bepaalt dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. De heer en mevrouw [eiser] maken NIM diverse verwijten. Ten behoeve van de duidelijkheid zal de rechtbank de verwijten afzonderlijk bespreken.

Aanvraag beschermingsbewind

4.3. Het eerste verwijt dat NIM gemaakt wordt is dat zij te laat is begonnen met de aanvraag van het beschermingbewind. De heer en mevrouw [eiser] hebben zich op 22 april 2008 voor het eerst gemeld bij NIM. Op 27 november 2008 heeft NIM het verzoekschrift tot onderbewindstelling naar de rechtbank verstuurd. De heer en mevrouw [eiser] stellen dat dit veel eerder had gekund, omdat hun hulpvraag al veel langer duidelijk was.

4.4. NIM betwist dit. Zij voert primair aan dat haar zorgplicht jegens de heer en mevrouw [eiser] pas op 23 januari 2009 dan wel op 26 oktober 2008 is begonnen. Op de eerste datum is het beschermingsbewind uitgesproken, op de tweede datum heeft NIM het intakeformulier voor meerderjarigenbewind en budgetbeheer van de heer en mevrouw [eiser] ontvangen.

4.5. De zorgplicht op grond van artikel 1:444 BW begint op de dag dat het beschermingsbewind door de kantonrechter wordt uitgesproken, in dit geval 23 januari 2009. De norm is immers enkel en uitdrukkelijk geschreven voor de beschermingsbewindvoerder. Tot het moment van de onderbewindstelling is er geen beschermingsbewindvoerder en is de latere onderbewindgestelde zelf verantwoordelijk. Vóór 23 januari 2009 was NIM niet de beschermingsbewindvoerder van de heer en mevrouw [eiser]. De eventuele aansprakelijkheid van NIM vóór 23 januari 2009 kan daarom niet gestoeld worden op schending van de norm van artikel 1:444 BW . Waarop dit dan wel gestoeld moet worden, laten de heer en mevrouw [eiser] onbenoemd. Vóór 23 januari 2009 hadden de heer en mevrouw [eiser] in ieder geval zelf de verantwoordelijkheid over hun financiële zaken. Hieronder valt ook het verkrijgen van de benodigde hulp.

4.6. Als de aanvraag voor het beschermingsbewind, voor zover dat al mogelijk was geweest, door NIM eerder naar de rechtbank was verstuurd, had dit mogelijk bepaalde (verergering van) problemen voorkomen. Maar dit maakt nog niet dat de latere verzending van de aanvraag NIM te verwijten valt. NIM diende immers eerst op de hoogte te zijn van de wens en noodzaak van beschermingsbewind bij de heer en mevrouw [eiser]. Wanneer NIM precies duidelijk werd dat beschermingsbewind gewenst en noodzakelijk was, is niet duidelijk. Duidelijk is slechts dat de heer en mevrouw [eiser] zich op 22 april 2008 hebben gemeld bij NIM met financiële problemen. Zelf noemen de heer en mevrouw [eiser] in de dagvaarding 18 juli 2008 als datum aanvraag beschermingsbewind / budgetbeheer. NIM heeft medegedeeld het aanvraagformulier 29 augustus 2008 aan de heer en mevrouw [eiser] verstrekt te hebben, maar ook de datum 22 september 2008 wordt genoemd. De heer en mevrouw [eiser] hebben niet gesteld dat NIM al voor hun aanvraag beschermingsbewind / budgetbeheer wist van de wens en noodzaak daarvan. Dit is ook niet gebleken. Ook maken de heer en mevrouw [eiser] geen duidelijk onderscheid tussen een aanvraag budgetbeheer en een aanvraag beschermingsbewind, terwijl hier tussen een wezenlijk verschil bestaat. Er is dus niet vast komen te staan dat NIM voor 29 augustus 2008 wist van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van beschermingsbewind. Het ingevulde aanvraagformulier voor beschermingsbewind is pas op 26 oktober 2008 door NIM ontvangen. Er ontbraken toen echter diverse bijlagen, hetgeen blijkt uit de e-mailwisseling tussen mevrouw [eiser] en de heer [betrokkene 3] van NIM. Op 28 oktober 2008 heeft mevrouw [eiser] een e-mail gezonden aan de heer P. [betrokkene 3] van NIM. Hierin staat, voor zover relevant:

ik heb alles na u toe gestuurd ik hoop dat ik alles erbij heb

maar op moment ben ik er niet helemaal bij met alles

(…)

omdat het inkomen toen weg bleef

kon ik een aantal dingen niet

betalen nu heeft de verzekering me eruit gegooit

(…)

Op diezelfde heeft de heer [betrokkene 3] geantwoord, voor zover relevant:

We hebben inderdaad een aantal zaken van u ontvangen. Wat we nog missen is een kopie van uw identiteitsbewijs en alle financiële gegevens. Denk hierbij aan:

- Bankafschriften laatste drie maanden

- Gegevens over huur

- Gegevens over gas, water en licht

- Gegevens over uw ziektekostenverzekering etc etc.

Zonder het kopie identiteitsbewijs kan de aanvraag niet naar de rechtbank worden verzonden.

NIM kon de aanvraag op 26 oktober 2008 nog niet versturen aan de rechtbank, hetgeen per e-mail aan mevrouw [eiser] is gemeld. Het invullen van het formulier en het verstrekken van de benodigde bijlagen was de verantwoordelijkheid van de heer en mevrouw [eiser] zelf. Op dit punt valt NIM niets te verwijten. Ook stond het tot het ondertekenen van het formulier de heer en mevrouw [eiser] vrij om een andere hulpverlener te zoeken die hen mogelijk sneller van dienst kon zijn en wisten zij kennelijk van de wachttijden bij NIM. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat hetgeen de heer en mevrouw [eiser] gesteld hebben over de periode vóór 23 januari 2009 onvoldoende is om enige aansprakelijkheid van NIM aan te nemen.

4.7. Ter comparitie hebben de heer en mevrouw [eiser] betoogd dat de gevorderde verklaring voor recht zo moet worden gelezen dat deze tevens omvat het werk van de maatschappelijk werkster, mevrouw [betrokkene 2]. Nu de in de dagvaarding aangehaalde norm van 1:444 BW en de bewoording van het petitum spreken van de bewindvoerder en mevrouw [betrokkene 2] niet de bewindvoerder van de heer en mevrouw [eiser] was, verwerpt de rechtbank dit betoog.

Aanschrijving schuldeisers en inkomensverstrekkers

4.8. Het tweede verwijt dat de heer en mevrouw [eiser] NIM maken is dat NIM de schuldeisers en de inkomensverstrekkers te laat heeft aangeschreven. Bovendien stellen zij dat NIM te weinig heeft gedaan om betalingsregelingen af te spreken met schuldeisers en niet heeft gereageerd op aanschrijvingen van schuldeisers waardoor deze rente en kosten in rekening hebben gebracht.

4.9. NIM heeft ter comparitie, voor zover relevant, verklaard:

[betrokkene 3] is twee weken ziek geweest. Dit is de reden waarom de aanschrijvingen pas na een maand zijn gedaan. Je zou mogen verwachten dat bij ziekte deze taak wordt overgenomen. Dat is niet goed gegaan. Er werkten vijf mensen op de afdeling Beschermingsbewind/budgetbeheer. [A] als leidinggevende, [betrokkene 3] als bewindvoerder, [B] als assistent en nog twee ondersteuners. Zij moesten circa100 á 150 beschermingsbewindzaken doen en daarnaast 100 budgetbeheerzaken. Dat het geld pas laat op de beheersrekening binnenkwam is nog niet zo gek. Dit had vooral te maken met de administratieve processen bij inkomensverstrekkers. Zo zijn er vaste maandelijkse uitbetalingsdagen. Wij hebben wel aanmaningen verstuurd. Na uitspraak van beschermingsbewind leggen wij prioriteiten: bed, bad en brood. Dit moeten wij veilig stellen. Er was in het dossier [eiser] geen geld voor betalingsregelingen behalve voor Nuon en de verhuurder.

4.10. De schuldeisers en inkomensverstrekkers zijn op 23 februari 2009 aangeschreven. Dit is een maand na de uitspraak van het beschermingsbewind. De zorgtoeslag is eind maart binnengekomen op de beheersrekening, gevolgd door de kinderbijslag begin april en de uitkering en salaris vanaf eind april 2009. NIM erkent dat de aanschrijving van de schuldeisers te laat is gedaan als gevolg van ziekte van de bewindvoerder. Als gevolg van deze gang van zaken hebben de heer en mevrouw [eiser] enige tijd zelf getracht betalingen te verrichten. Zij hebben hierover ter zitting verklaard:

In de maanden januari tot en met april 2009 hebben wij geprobeerd zo goed mogelijk de vaste lasten te voldoen. Ook hebben wij een kopie van de beschikking van beschermingsbewind aan schuldeisers gegeven en gezegd: Meld u maar bij het NIM.

4.11. NIM is op dit punt is tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder. Zij had eerder de spreekwoordelijke touwtjes in handen moeten nemen. Door een maand te wachten met de aanschrijvingen heeft de periode waarin de heer en mevrouw [eiser] zelf hun boontjes bleven doppen onnodig lang geduurd. In artikel 1:431 lid 1 BW is bepaald dat de kantonrechter iemand onder bewind kan stellen als hij duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Aangenomen moet worden dat van een dergelijke situatie sprake was. Van een bewindvoerder mag verwacht worden dat zijn handelingen gericht zijn op adequaat vermogensbeheer. Dat houdt onder meer in doelgericht, doelmatig en tijdig handelen (zie ook: rechtbank Arnhem sector kanton, 25 februari 2008, LJN: BC5900). NIM diende derhalve spoedig na de uitspraak deze vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Bij uitstek valt daaronder het in contact treden met schuldeisers en inkomensverstrekkers om te voorkomen dat betrokkenen in hun vermogensrechtelijke belangen worden geschaad. Door NIM is niet betwist dat de tekortkoming NIM kan worden toegerekend. NIM is daarom aansprakelijk voor de schade als gevolg van haar tekortschieten.

4.12. De heer en mevrouw [eiser] stellen dat dit tekortschieten (mede) de oorzaak is van de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op dit punt zal de rechtbank terugkomen. Bovendien stellen zij dat als gevolg van dit tekortschieten schade is geleden bestaande uit € 1.701,23 ter zake in rekening gebrachte rente en kosten wegens het uitblijven van betalingsregelingen. Dit wordt door NIM gemotiveerd betwist. Zij wijst erop dat de door de heer en mevrouw [eiser] overgelegde stukken ter onderbouwing van de schade deels zien op schulden die al ontstaan waren voor betrokkenheid van NIM en daarom niet het gevolg zijn van tekortschieten van NIM. Ook voert NIM aan dat het waarschijnlijk onvermijdelijk was dat er rente en incassokosten in rekening werden gebracht vanwege het ontbreken van een redelijke afloscapaciteit.

4.13. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv . rust op de heer en mevrouw [eiser] de bewijslast van de omvang van de schade. De rechtbank zal de heer en mevrouw [eiser] daarom bewijs opdragen van hun stelling dat de schade aan in rekening gebrachte rente en kosten wegens het uitblijven van betalingsregelingen als gevolg van het niet tijdig aanschrijven van schuldeisers en inkomensverstrekkers door NIM € 1.701,23 bedraagt.

Betaling premies zorgverzekering

4.14. De heer en mevrouw [eiser] verwijten NIM dat zij heeft nagelaten de premies van de zorgverzekering te voldoen en dan met name gedurende de maanden maart tot en met mei 2009.

4.15. NIM heeft ter zitting erkend dat zij tijdens het beschermingsbewind niet alle premies tijdig heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee de tekortkoming van NIM vast. Immers, het voldoen van lopende verplichtingen behoort tot de kerntaken van een beschermingsbewindvoerder. NIM voert ter harer verdediging aan dat zij niet alle premies kon voldoen, omdat er slechts druppelsgewijs geld binnen kwam op de beheersrekening en zij dus prioriteiten moest stellen: bed, bad en brood. Hiermee betoogt NIM dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. Dit verweer gaat niet op. Zoals hiervoor onder 4.11. overwogen had NIM ervoor moeten zorgen dat zij eerder de vermogensrechtelijke touwtjes in handen had gekregen. Voor zover inkomensverstrekkers bleven betalen op de rekening van de heer en mevrouw [eiser] zelf, had zij afspraken dienen te maken met de heer en mevrouw [eiser] over wie wat betaalde. Dat dergelijke afspraken zijn gemaakt, is gesteld noch gebleken. NIM heeft slechts aangevoerd dat het geld dat op de beheersrekening binnenkwam onvoldoende was voor betaling van de premies. NIM heeft niet gesteld, en overigens is ook niet gebleken, dat het totale inkomen van de heer en mevrouw [eiser] onvoldoende was om de lopende premies te voldoen. NIM is daarom ook op dit punt aansprakelijk voor de schade van de heer en mevrouw [eiser].

4.16. De heer en mevrouw [eiser] stellen dat dit tekortschieten (mede) de oorzaak is van de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op dit punt zal de rechtbank terugkomen. Voor het overige hebben de heer en mevrouw [eiser] niet gesteld andere schade dan deze te hebben geleden als gevolg van dit tekortschieten.

Tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling en aanboren van reserves

4.17. De heer en mevrouw [eiser] hebben de verwijten op dit punt ter comparitie als volgt toegelicht:

Wat wij NIM verwijten is dat zij rond de TTB-zitting (TTB staat voor tussentijdse beëindiging, rechtbank) heeft nagelaten actie te ondernemen. Zij had op zoek moeten gaan naar reserves van ons: Belastingteruggaven, toeslagen en bijzondere bijstand. Dan had tegen de rechtbank gezegd kunnen worden dat er geld zou zijn of komen voor het afbetalen van de nieuwe schulden. Dan was een TTB afgewend.

Ten aanzien van de toeslagen hebben zij tevens verklaard:

Wij hebben altijd al zorgtoeslag gehad. Wij verwijten NIM dat zij niet heeft onderzocht dat wij recht hadden op meer. Of, zoals NIM zegt, wij geen recht hadden op huurtoeslag, weten wij niet. Wij horen onze advocaat zeggen dat wij bewijs aanbieden van wat wij zijn misgelopen. Of wij iets zijn misgelopen is niet duidelijk.

En over de bijzondere bijstand en belastingteruggaven:

Volgens ons had NIM alle stukken die nodig waren voor de aanvraag bijzondere bijstand. (…) Bijzondere bijstand is af te dwingen voor mensen die in de WSNP zitten. Onze advocaat zegt dat desondanks onze aanvraag bijzondere bijstand van 4 november 2009 is afgewezen en dat de bezwaartermijn is verstreken. Dit weten wij zo niet. (…) het belang van de aanvraag zag ook op het feit dat we dan bij de TTB hadden kunnen zeggen dat er een potje in het vooruitzicht was. Wij hadden recht op € 90,00 per maand plus een vergoeding voor de intakekosten. (…) ook heeft hij ([betrokkene 3], rechtbank) onze belastingsaangiften over 2008 en 2009 niet gedaan. Wij hadden over 2007 een teruggave van meer dan € 1.000,-- gekregen. Deze reserves hadden bij de TTB verschil kunnen uitmaken.

4.18. NIM doet primair een beroep op het gezag van gewijsde van het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 17 december 2009, zoals dit hiervoor onder 2.11. aangehaald. Nu het arrest niet een beslissing is tussen dezelfde partijen als de partijen in deze procedure, gaat dit beroep op artikel 236 Rv . niet op. Subsidiair heeft NIM aangevoerd dat als zij al is tekortgeschoten in haar taak als bewindvoerder, dit tekortschieten niet de oorzaak is van de tussentijdse beëindiging. Dit verweer slaagt op grond van het navolgende.

4.19. De wettelijke schuldsanering van mevrouw [eiser] is beëindigd vanwege het ontstaan van nieuwe schulden van meer dan € 4.000,--. Daarbij is geoordeeld dat deze schulden zo aanzienlijk waren, dat zij niet in staat kon worden geacht dit tijdens een verlenging van maximaal twee jaar in te lopen. Het Hof heeft daarbij overwogen dat deze nieuwe schulden grotendeels zijn ontstaan voordat het NIM als bewindvoerder werd benoemd. Nu in deze procedure niet is gesteld dat dit anders zou zijn, neemt de rechtbank dit over. Dan rest de vraag of mevrouw [eiser] met de eventuele extra inkomsten uit huurtoeslag, bijzondere bijstand en belastingteruggaven wel in staat was geweest de ontstane achterstanden binnen een maximale verlenging van twee jaar in te lopen. Het Hof heeft hierover overwogen dat zij het uiterst twijfelachtig en niet bepaald realistisch acht dat mevrouw [eiser] hiertoe in staat zou zijn geweest. De stellingen van de heer en mevrouw [eiser] zijn gelet op de gemotiveerde betwisting op dit punt onvoldoende onderbouwd. In de eerste plaats is niet vast komen te staan dat mevrouw [eiser] extra inkomsten is misgelopen. Of er recht was op huurtoeslag is niet bekend, de aanvraag bijzondere bijstand is volgens de advocaat van de heer en mevrouw [eiser] afgewezen en over de hoogte van de teruggaven van de Belastingdienst is niets bekend. In de tweede plaats hebben de heer en mevrouw [eiser] onbesproken gelaten of dit geld volledig aangewend had kunnen worden ter afbetaling van de nieuwe schulden en of dit voldoende was geweest. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan daarom niet worden aangenomen dat NIM door het aanboren van genoemde mogelijke reserves een tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling had kunnen voorkomen. De vordering op dit punt zal worden afgewezen.

4.20. Ook zal de vordering tot vergoeding van de in rekening gebrachte bewindvoerderskosten ad € 1.280,-- worden afgewezen omdat, zoals hiervoor reeds is overwogen, de aanvraag bijzondere bijstand kennelijk is afgewezen.

4.21. Zoals reeds aangekondigd zal de rechtbank thans terugkomen op de vraag of het tekortschieten van NIM bij het aanschrijven van de schuldeisers en inkomensverstrekkers en het betalen van de premies van de zorgverzekering (mede) de oorzaak is van de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit betreft de vraag naar het causaal verband tussen het tekortschieten enerzijds en de schade anderzijds. NIM heeft dit causaal verband betwist en dit verweer slaagt. Het feit dat NIM de schuldeisers en inkomensverstrekkers pas na een maand heeft aangeschreven en niet heeft zorg gedragen voor het voldoen van de lopende verplichtingen jegens de zorgverzekeraar van de heer en mevrouw [eiser] is niet de oorzaak van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Het Hof heeft in haar arrest immers overwogen:

De stelling van [mevrouw eiser] dat de nieuwe schulden zijn ontstaan door nalatigheid van het NIM kan haar niet baten. Uit de stukken en naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting is immers voldoende gebleken dat die schulden zijn ontstaan tijdens de schuldsaneringsregeling en wel grotendeels voordat het NIM als bewindvoerster is benoemd.

Dat het klopt dat de nieuwe schulden grotendeels zijn ontstaan voordat NIM als bewindvoerder is benoemd is niet betwist. Deze nieuwe schulden zijn de oorzaak van de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zonder nadere toelichting kan niet worden aangenomen dat een eerdere aanschrijving van NIM van de schuldeisers en inkomensverstrekkers deze nieuwe schulden hadden voorkomen en/of verminderd. Deze toelichting ontbreekt. Tijdige betaling tijdens het beschermingsbewind van de premies van de zorgverzekering hadden geleid tot een lager bedrag aan nieuwe schulden. Echter, naar het oordeel van de rechtbank had dit een tussentijdse beëindiging niet voorkomen, nu dit niet had uitgemaakt voor het grootste deel van de nieuwe schulden. Deze waren immers al voor het beschermingsbewind ontstaan.

4.22. De conclusie is dat het tekortschieten van NIM niet de oorzaak is van de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsanering van mevrouw [eiser]. NIM is dan ook niet aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit de tussentijdse beëindiging. De vordering op dit punt zal worden afgewezen.

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

4.23. De heer en mevrouw [eiser] stellen dat zij een bedrag ad € 597,68 aan schade hebben geleden, omdat NIM heeft nagelaten om kwijtscheldingsverzoeken in te dienen voor de gemeentelijke belastingen over de jaren 2007, 2008 en 2009.

4.24. NIM voert als verweer dat het niet tot haar taak behoort om over de jaren voor het beschermingsbewind kwijtschelding gemeentelijke belastingen aan te vragen. Ook betwist zij dat de heer en mevrouw [eiser] schade hebben geleden. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.5. heeft overwogen over het beginmoment van de zorgplicht, was NIM vanaf 23 januari 2009 verantwoordelijk voor het aanvragen van kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Zij had dus in ieder geval kwijtschelding dienen te vragen over het jaar 2009. Dit erkent NIM ook. Dit is niet gebeurd en er is dan ook sprake van een tekortschieten van NIM op dit punt. Echter, het is niet duidelijk of de heer en mevrouw [eiser] hierdoor schade hebben geleden. Bij de stukken bevindt zich slechts een schuldopgaaf van de gemeente van 28 september 2009 waaruit de hoogte van de aanslag blijkt. Daarmee is echter niet gezegd dat de heer en mevrouw [eiser] kwijtschelding hadden gekregen als dit door NIM was aangevraagd en ook is de vraag onbeantwoord gebleven of niet alsnog kwijtschelding kan worden aangevraagd. De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook afwijzen.

Conclusie

4.25. Resumerend is de gevorderde verklaring voor recht dat NIM toerekenbaar is tekortgeschoten in haar taak van goed bewindvoerder toewijsbaar. Of [eiser] daardoor schade heeft geleden moet nog blijken en dus ook of dat deel van de gevorderde verklaring van recht tevens toewijsbaar is. In ieder geval zal de toewijsbare schade niet hoger zijn dan € 1.701,23 ter zake de in rekening gebrachte rente en kosten, nu vergoeding van de schade als gevolg van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, de niet verzochte kwijtschelding gemeentelijke belastingen en bewindvoerderskosten zal worden afgewezen.

4.26. Gelet op de omvang van het bedrag dat nog in geschil is en de in het kader van de bewijslevering nog te maken kosten, geeft de rechtbank partijen in overweging om te trachten onderling tot een oplossing te komen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt de heer en mevrouw [eiser] op te bewijzen dat de schade aan in rekening gebrachte rente en kosten wegens het uitblijven van betalingsregelingen als gevolg van het niet tijdig aanschrijven van schuldeisers en inkomensverstrekkers door NIM

€ 1.701,23 bedraagt,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 april 2011 voor uitlating door de heer en mevrouw [eiser] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat de heer en mevrouw [eiser], indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.4. bepaalt dat de heer en mevrouw [eiser], indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden mei tot en met juli 2011 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. G.J. Meijer in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature