Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Sluiting café X teVestigingsplaats en intrekking van de drank- en horecavergunning en exploitatievergunning voor dit café. Ook intrekking drank-en horecavergunning en exploitatievergunning voor restaurantY. Besluiten inzake restaurant Y geschorst. Restaurant mag voorlopig weer open, café blijft gesloten.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 11/905, 11/973, 11/974, 11/1016 en 11/1017

uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorziening van

[verzoeker][verzoekster], vennoten van de vennootschap onder firma [Y] VOF, gevestigd te [vestigingsplaats], verzoekers,

over de besluiten van

de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [vestigingsplaats], verweerders,

Inleiding

1.1 Op 18 maart 2011 hebben verweerders een vijftal besluiten genomen betreffende de door verzoekers geëxploiteerde horecabedrijven aan de [adres] (verder: café [X]) en [adres 2] (verder: restaurant [Y]) te [vestigingsplaats].

Bij het eerste besluit heeft de burgemeester met onmiddellijke ingang het café [X] voor de duur van zes maanden gesloten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet . Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/905.

Bij het tweede besluit heeft de burgemeester de aan verzoekers verleende exploitatievergunning voor café [X] per direct ingetrokken en bepaald dat gedurende een periode van zes maanden geen nieuwe vergunning zal worden verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/974.

Bij het derde besluit heeft het college de aan verzoekers verleende drank- en horecavergunning voor Café [X] per direct ingetrokken en bepaald dat gedurende een periode van zes maanden geen nieuwe vergunning zal worden verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/1017.

Bij het vierde besluit heeft de burgemeester de aan verzoekers verleende exploitatievergunning voor restaurant [Y] per direct ingetrokken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/973.

Bij het vijfde besluit heeft het college de aan verzoekers verleende drank- en horecavergunning voor restaurant [Y] per direct ingetrokken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/1016.

1.2 De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 28 maart 2011, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. J. van Andel, advocaat te Driebergen. De burgemeester en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Royakkers en mr. E.M. Scholten, beiden werkzaam bij de gemeente [vestigingsplaats].

Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 augustus 2007, respectievelijk 25 juni 2009 is een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning aan verzoekers verleend voor de exploitatie van restaurant [Y], respectievelijk café [X]. Verzoekers staan beiden als leidinggevende op deze vergunningen vermeld. Aan beide exploitatievergunningen is het voorschrift verbonden dat het verboden is om in het horecabedrijf middelen die voorkomen op de lijst I en II van de Opiumwet te verhandelen, aanwezig of in voorraad te hebben.

Naar aanleiding van een anonieme melding heeft de politie op 11 maart 2011 café [X] betreden en doorzocht. Bij deze inval zijn in een meterkast in het gedeelte van het café waar de toiletten zijn gevestigd, twee plastic zakken met daarin 31 wikkels, zogenaamde ponypacks, aangetroffen. Deze ponypacks bevatten elk 0,35 gram stof, welke (later) positief is getest op cocaïne. Eén van de zakken was geopend en bevatte 14 ponypacks, de andere zak was nog geseald en bevatte 17 ponypacks.

2.4 Op grond van deze feiten heeft de burgemeester op 11 maart 2011 besloten tot onmiddellijke sluiting van café [X] tot en met vrijdag 18 maart 2011. Op 15 maart 2011 zijn verzoekers in kennis gesteld van het voornemen café [X] voor langere duur te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de drank- en horecavergunningen en exploitatievergunningen voor caf é [X] en restaurant [Y] in te trekken. Op 17 maart zijn verzoekers in de gelegenheid gesteld zienswijzen tegen de voorgenomen besluiten kenbaar te maken. Vervolgens zijn de vijf, in de Inleiding omschreven, besluiten genomen.

Ten aanzien van het besluit tot sluiting van café [X], met onmiddellijke ingang, gedurende zes maanden (SBR 11/905)

2.5 Aan het besluit tot sluiting met onmiddellijke ingang voor de duur van zes maanden van café [X] heeft de burgemeester artikel 13b van de Opiumwet ten grondslag gelegd.

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst ? of ?? wordt verkocht, afgeleverd, of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Met de middelen genoemd in lijst I van de Opiumwet worden harddrugs bedoeld, terwijl de in lijst II van die wet genoemde middelen softdrugs betreffen. In lijst I is cocaïne, zijnde een harddrug, vermeld.

2.6 Voor de uitvoering van zijn bevoegdheid krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester voor bepaling van de sluitingsduur van zes maanden aansluiting gezocht bij zijn Beleid handhaving en vergunningen horeca (hierna: het handhavingsbeleid) dat op 27 december 2007 is gepubliceerd en op 2 januari 2008 in werking is getreden.

In paragraaf 14 van het handhavingsbeleid is - voor zover hier van belang - bepaald dat er in ieder geval sprake is van een ernstig vermoeden van handel in hard en softdrugs indien:

- meer dan één gebruikershoeveelheid van één of meer middelen worden aangetroffen;

- verpakkingsmateriaal waarin dergelijke materialen verpakt plegen te worden wordt

aangetroffen;

- (…).

Bij handel in middelen waarvan aannemelijk is dat het gaat om middelen als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet wordt het volgende stappenplan gehanteerd:

1. bevel tot sluiting voor enkele dagen tot maximaal één week;

2a. (…);

2b. intrekking vergunning(en), waarbij bepaald wordt dat aanvragen om vergunningen zullen worden afgewezen gedurende een periode die gelijk loopt aan de sluitingstermijn, en sluiting voor zes maanden (als het gaat om middelen als bedoeld in lijst I) respectievelijk drie maanden (voor handel in middelen als bedoeld in lijst II). Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van handel in deze middelen dan dient de loop naar het horecabedrijf verbroken te worden middels een langduriger sluiting. De sluiting wordt verdubbeld indien sprake is van verwijtbaarheid van de ondernemer. Tevens worden de vergunningen ingetrokken (…). Daarnaast wordt het pand gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet (…). Gelet op de ernstige openbare orde verstoring die gepaard gaat met de handel in drugs is een begunstigingstermijn niet aan de orde als het gaat om een pandsluiting in de zin van artikel 13b van de Opiumwet .

2.6 Blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dient de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op terughoudende wijze te toetsen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2010, LJN BL8721).

2.7 Uit de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal volgt dat op 10 maart 2011 in café [X] de hiervoor omschreven hoeveelheden harddrugs zijn aangetroffen. Verzoekers hebben dit ook niet betwist. Gezien de hoeveelheden aangetroffen verdovende middelen (handelsvoorraad) en de wijze waarop deze middelen handelsklaar waren verpakt, is door de burgemeester voldoende aangetoond dat in café [X] harddrugs zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren. Uit het woord ‘daartoe’ in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat de enkele aanwezigheid van bedoelde handelshoeveelheid ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting. Reeds hierom was de burgemeester bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet handhavend op te treden. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de burgemeester niet van de juistheid van de door de politie verstrekte informatie mocht uitgaan. Dat sprake is van een wraakactie, dan wel dat de anonieme tipgever verzoekers een loer heeft willen draaien, hebben verzoekers niet kunnen onderbouwen, terwijl daarentegen wel door de burgemeester aan de hand van de vondst van een handelshoeveelheid cocaïne aannemelijk is gemaakt dat deze drugs in elk geval ten behoeve van de handel daarin in café [X] aanwezig waren.

2.8 Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt de burgemeester over beleidsvrijheid. Het door de burgemeester gevoerde beleid, als neergelegd in het handhavingsbeleid, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat, gelet op het risico dat het horecabedrijf bij kopers en handelaren in verdovende middelen bekend is als een verkooppunt waar verdovende middelen kunnen worden gekocht of verkocht, een sluiting van zes maanden noodzakelijk is voor het herstel van het woon- en leefklimaat. Deze periode is ook in overeenstemming met het handhavingsbeleid.

2.9 Ingevolge artikel 4:84 van de Awb kan de burgemeester afwijken van het handhavingsbeleid indien handelen overeenkomstig dit beleid gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De omstandigheid dat, zoals ook ter zitting namens de burgemeester bevestigd, verzoekers geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in het café, levert geen omstandigheid op die noopt tot afwijking van het handhavingsbeleid. In een geval als het onderhavige speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitanten geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van een horecabedrijf noodzaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 4 juli 2001, LJN AN6835). De exploitanten zijn verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichting en zij dienen afdoende maatregelen te treffen teneinde feiten als hier aan de orde te voorkomen. Ook de omstandigheid dat verzoekers door de sluiting (groot) financieel nadeel zullen lijden, is geen aanleiding om te oordelen dat de burgemeester niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het café voor de duur van zes maanden te sluiten. Dit financiële nadeel is het directe gevolg van de sluiting en moet daarom worden geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn meegewogen. Reeds daarom kan het niet als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb worden aangemerkt.

Ten aanzien van de besluiten tot intrekking van de drank- en horecavergunning (DHW-vergunning) en de exploitatievergunning van café [X] en de weigeringen nieuwe vergunning te verlenen gedurende zes maanden (SBR 11/974 en SBR 11/1017)

2.10 Ingevolge het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) wordt een vergunning krachtens deze wet ingetrokken indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

Op grond van artikel 11, eerste lid, en onder c, van de Horecaverordening (hierna: de Verordening) trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de DHW is vereist en deze is ingetrokken.

Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef, onder e en f, van de Verordening trekt de burgemeester de exploitatievergunning in, indien zich in het betrokken horecabedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid dan wel de openbare orde, veiligheid of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze wordt verstoord door de aanwezigheid van dat bedrijf.

2.11 Op basis van de bevindingen van de politie bij doorzoeking van het horecapand en de verklaringen van aanwezige personen in café [X], zoals neergelegd in de processen-verbaal van verhoor en bevindingen, heeft het college zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat deze feiten de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de DHW-vergunning gevaar zal opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Daarbij telt zwaar dat sprake is van een handelshoeveelheid harddrugs die ook handelsklaar was verpakt, dus kennelijk bedoeld was voor de handel al dan niet vanuit café [X], al zijn er voor het laatste geen aanwijzingen. Het moet er voor worden gehouden dat verzoekers onvoldoende in staat zijn geweest dit feit te voorkomen. De omstandigheden waaronder de drugs daar terecht zijn gekomen zijn onduidelijk gebleven. Daarom kon het college niet anders dan aan deze vondst de conclusie verbinden dat de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid in geding is. Gelet op de imperatieve formulering van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, van de DHW was het college gehouden de DHW-vergunning in te trekken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verzoekers te volgen in hun betoog dat het in het handhavingsbeleid neergelegde stappenplan niet (goed) is gevolgd omdat onvoldoende onderzoek zou zijn gedaan. Uit de gedingstukken blijkt, en ook ter zitting is namens het college bevestigd, dat nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Zo is bijvoorbeeld de inhoud van de in de meterkast aangetroffen ponypacks onderzocht en zijn leidinggevende(n) en bezoekers van het café verhoord.

2.12 Ten aanzien van de intrekking van de exploitatievergunning, volstaat de voorzieningenrechter met een verwijzing naar hetgeen hierboven met betrekking tot de intrekking van de DHW-vergunning is overwogen. Voor de intrekkingsgrond van artikel 11, eerste lid, onder e en f, van de Verordening geldt immers een zelfde toetsingskader als voor de grond waarop de DHW-vergunning is ingetrokken. Bovendien is het feit dat de DHW-vergunning is ingetrokken al voldoende reden om de exploitatievergunning in te trekken (artikel 11, eerste lid, onder c van de Verordening ).

2.13 De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun betoog dat verweerders een begunstigingstermijn hadden moeten stellen. In de Awb is dwingend voorgeschreven dat in de beschikking tot het toepassen van bestuursdwang een begunstigingstermijn wordt gegund, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet (artikel 5:24, vierde en vijfde lid, Awb). Besluiten tot intrekking van de DHW-vergunning en de exploitatievergunning zijn evenwel geen beschikkingen tot het toepassen van bestuursdwang. De exploitanten dienen in geval van intrekking zelf zorg te dragen voor het staken van de exploitatie. Eerst op het moment dat, indien die exploitatie wordt voortgezet, door middel van bestuursdwang de exploitatie zal worden beëindigd is het stellen van een begunstigingstermijn aan de orde.

2.14 De besluiten dat voor dit horecabedrijf gedurende een periode van zes maanden geen nieuwe DHW-vergunning en exploitatievergunning zullen worden verleend, hebben de burgemeester en het college gebaseerd op artikel 27, tweede lid, van de DHW respectievelijk artikel 10, derde lid, van de Verordening. Zij hebben daarbij het stappenplan van het handhavingsbeleid gehanteerd.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de DHW kan een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, is ingetrokken, gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.

Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Verordening kan voor horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning op grond van artikel 11, eerste lid, onder e, is ingetrokken, worden bepaald dat een exploitatievergunning voor dat horecabedrijf gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar wordt geweigerd.

2.15 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerders op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen bevoegd zijn de vergunningen voor een termijn van maximaal vijf jaar te weigeren. Verweerders hebben in het handhavingsbeleid de sluitingstermijn beperkt tot zes maanden, en bij verwijtbaarheid van de ondernemer, tot twaalf maanden. Van deze nadere invulling van de bij wet gegeven bevoegdheid kan niet worden staande gehouden dat die de grenzen van een redelijke beleidstoepassing te buiten gaat. Verweerders hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt teneinde de bekendheid van café [X] als een locatie waar mogelijk harddrugs kunnen worden verkregen teniet te doen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die verweerders ertoe noopten om in afwijking van hun beleid te beslissen. Dat de weigeringsbesluiten grote financiële gevolgen kunnen hebben voor verzoekers (en hun gezin), wordt door verweerders niet ontkend, doch verweerders hebben het algemene belang van het voorkomen van schending van de openbare orde en veiligheid zwaarder laten wegen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerders niet in redelijkheid tot deze conclusie hebben kunnen komen. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat persoonlijke verwijtbaarheid geen rol heeft gespeeld bij de besluitvorming. In dit verband kan ook worden gewezen op paragraaf 14, onder 2b, van het handhavingsbeleid, waarin is bepaald dat de termijn van sluiting wordt verdubbeld wanneer sprake is van verwijtbaarheid van de ondernemer. Daar is in dit geval geen sprake van, nu café [X] voor de duur van zes maanden is gesloten.

2.16 Gelet op het voorgaande zijn voor de voorzieningenrechter gelet op hetgeen is aangevoerd in dit stadium geen zodanige gebreken aan de besluiten van 18 maart 2011 betreffende café [X] naar voren gekomen, dat aangenomen zou moeten worden dat deze besluiten bij de heroverweging in bezwaar geen stand zullen kunnen houden en dat dit oordeel de rechtmatigheidstoets van een eventueel beroep niet zou kunnen doorstaan. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Onder deze omstandigheden wordt evenmin aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten te veroordelen

Ten aanzien van de besluiten tot intrekking van de drank- en horecavergunning en de exploitatievergunning van restaurant [Y] (SBR 11/973 en SBR 11/1016)

2.17 Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW wordt een vergunning ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 en 10 geldende eisen.

Ingevolge artikel 8, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van de DHW mogen leidinggevenden voor het verkrijgen van een vergunning niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven. De in dit lid bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit).

Artikel 5, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat een leidinggevende binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende is geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, van de Drank- en Horecawet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening moeten leidinggevenden voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

2.18 Het besluit tot intrekking van de drank- en horecavergunning heeft het college gebaseerd op de grondslag dat verzoekers niet langer voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. De volgende feiten en omstandigheden hebben bij het college tot die conclusie geleid:

- op 20 maart 2009 is tijdens een inspectie geconstateerd dat er geen leidinggevende aanwezig was in café [X];

- in café [X] vinden illegale gokactiviteiten plaats, waarbij [verzoeker], als ondernemer, een actieve rol speelt;

- het hiervoor vermelde incident op 10 maart 2011 dat heeft geleid tot het bevel tot sluiting van café [X] en de intrekkingen van de vergunningen voor café [X].

2.19 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de eis van het niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn in de wet is opgenomen, omdat aan leidinggevende personen in horecabedrijven met betrekking tot hun levensgedrag bijzondere, meer dan gemiddelde eisen dienen te worden gesteld. Niet elk laakbaar handelen of nalaten is daarbij overigens relevant. De relevante feiten en gedragingen dienen verder van een zodanig gewicht te zijn dat het college op basis hiervan zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekers niet langer niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

2.20 Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd verklaard dat het feit dat eenmaal is geconstateerd dat geen leidinggevende aanwezig was in café [X] niet dragend is ten aanzien van het besluit. Het besluit tot intrekking berust op de vaststelling van illegale gokpraktijken en het hiervoor omschreven incident op 10 maart 2011 met de daaraan gekoppelde consequenties voor café [X].

2.21 De voorzieningenrechter acht de conclusie van het college dat vaststaat dat in café [X] illegale gokactiviteiten plaatsvinden in dit stadium voorbarig. In de gedingstukken noch in het verhandelde ter zitting zijn voldoende aanknopingspunten te vinden voor deze conclusie. In de eerste plaats acht de voorzieningenrechter de status van de overgelegde stukken inzake het gokken onduidelijk. Het betreft kennelijk uittreksels uit een omvangrijk politiedossier in een grootscheeps onderzoek van de Afdeling Zware Criminaliteit van de Politie naar gokpraktijken in de stad [vestigingsplaats]. De naam van café [X] wordt daarin weliswaar genoemd als een locatie waarvandaan deelnemerslijsten van de illegale lotto worden gefaxt, maar de achterliggende stukken zijn niet overgelegd. Het betreft derhalve een – serieus te nemen – verdenking, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd, zoals verweerder doet, dat reeds vaststaat dat er in café [X] wordt gegokt. Hetzelfde geldt in sterkere mate voor verweerders conclusie dat de heer [verzoeker], die in voornoemd onderzoek als verdachte is aangemerkt, persoonlijk bij gokactiviteiten betrokken is. Een concrete onderbouwing van de stelling dat hij een actieve rol had bij illegale gokactiviteiten ontbreekt. Ten aanzien van het proces-verbaal van het verhoor van de heer [verzoeker] door de politie op 23 maart 2010 heeft hij ter zitting verklaard dat hij niet heeft bedoeld te zeggen dat er in het café zelf werd gegokt. Hij heeft wel gezien dat bezoekers van het café de inleg bespraken en daartoe geld op tafel legden; het daadwerkelijke gokken vond echter volgens hem bij de sigarenboer aan de overkant plaats. Vanwege het gebrekkige Nederlands dat de heer [verzoeker] blijkt te spreken en het feit dat zijn verhoor niet in aanwezigheid van een tolk heeft plaatsgehad, kan aan zijn verklaring in dit stadium niet die vergaande conclusie worden verbonden die verweerder daaraan gehecht wil zien.

Derhalve resteert het feit dat de heer [verzoeker] verdacht wordt van betrokkenheid bij illegale gokactiviteiten vanuit café [X] maar zijn door verweerder onvoldoende concrete aanknopingspunten aangereikt op grond waarvan in dit stadium conclusies kunnen worden getrokken over zijn levensgedrag. Dit geldt temeer voor mevrouw [verzoekster], die in het strafrechtelijke onderzoek in het geheel niet is betrokken. In dit stadium kan dan ook niet worden volgehouden dat verzoekers om deze reden daarom in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

2.22 Hiervoor is reeds weergegeven dat artikel 5, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat een leidinggevende binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende is geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken of die voor ten minste een maand is gesloten, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Ten aanzien van het incident op 10 maart 2011 heeft, als gezegd, te gelden dat uitgangspunt is dat verzoekers als exploitanten verantwoordelijk zijn voor hetgeen in hun inrichting plaatsvindt, zodat het op hun weg lag ervoor te zorgen dat er voldoende maatregelen waren genomen om de veiligheid in de horeca-inrichting te waarborgen. Verzoekers hebben dus een zakelijke verantwoordelijkheid voor het gebeurde. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit in het onderhavige geval niet volstaat voor de conclusie dat verzoekers van de sluiting van café [X] en van de intrekking van de vergunningen een relevant verwijt kan worden gemaakt. Daartoe is het navolgende redengevend. Niet in geschil is, hetgeen ter zitting namens het college ook is bevestigd, dat verzoekers geen enkel persoonlijk verwijt wordt gemaakt van de vondst van harddrugs in café [X]. Vast staat voorts dat de herkomst van de drugs onduidelijk is en dat ze niet met een aanwezige van het café in verband konden worden gebracht. Anders dan de vondst van een handelshoeveelheid harddrugs zijn er geen aanwijzingen dat verzoekers attent hadden moeten zijn op mogelijke handel in of vanuit café [X] en daarin nalatig zijn geweest. Het college werpt verzoekers tegen dat zij bezoekers hebben toegelaten bij wie zij kennelijk - vide de ter zitting besproken melding aan de politie - bedenkingen hadden. Wat daarvan ook zij, op geen enkele wijze staat vast dat bedoelde bezoekers in verband kunnen worden gebracht met criminele activiteiten, zoals het college suggereert. Daar komt bij de langdurige - door het college niet weersproken - nagenoeg onberispelijke staat van dienst van café [X]. In het dossier noch het verhandelde ter zitting is enige aanwijzing te vinden dat café [X] de afgelopen jaren gevaar, hinder of overlast voor de (woon)omgeving heeft opgeleverd. Dat, zoals het college stelt, de bedrijfsvoering van het café niet zou deugen omdat in het café wordt gegokt, kan niet meewegen vanwege hetgeen daarover hiervoor is overwogen. Gelet op al deze omstandigheden is in dit concrete geval voorshands voldoende aannemelijk dat verzoekers van de sluiting en de intrekking van de vergunningen van café [X] geen verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit. De voorzieningenrechter hecht bovendien belang aan het gegeven dat restaurant [Y], op welk horecabedrijf de hier besproken intrekkingen van toepassing zijn, op geen enkele wijze, ook niet door het college, in verband wordt gebracht met verstoringen van de openbare orde, woon- en leefklimaat of anderszins in negatieve zin de aandacht heeft getrokken.

2.23 Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het standpunt van het college dat verzoekers niet langer voldoen aan de aan hen te stellen eis als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de DHW op grond van de thans beschikbare gegevens niet staande gehouden kan worden. De door het college gehanteerde intrekkingsgrond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW is dan ook niet aan de orde.

2.24 De intrekking van de exploitatievergunning heeft de burgemeester gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onder c, van de Verordening, waarin is bepaald dat de burgemeester de exploitatievergunning intrekt, indien voor het horecabedrijf een vergunning op grond van de DHW is vereist en deze is ingetrokken. Uit rechtsoverweging 2.23 vloeit echter voort dat de burgemeester geen gebruik had kunnen maken van deze intrekkingsgrond.

2.25 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aangenomen moet worden dat de besluiten van 18 maart 2011 inzake restaurant [Y] na heroverweging in bezwaar geen stand zullen kunnen houden. Mede gelet op de verstrekkende gevolgen die de intrekking van de vergunningen voor verzoekers hebben, ziet de voorzieningenrechter aanleiding deze besluiten te schorsen tot zes weken nadat verweerders hebben beslist op de bezwaren van verzoekers tegen deze besluiten.

2.26 De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om verweerders in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Daarnaast zullen verweerders het griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening ten aanzien van de drie besluiten inzake café [X] af (procedurenummers SBR 11/905, SBR 11/974 en SBR 11/1017);

3.2 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening ten aanzien van de twee besluiten inzake restaurant [Y] toe (procedurenummers SBR 11/973 en SBR 11/1016);

3.3 schorst de twee besluiten van 18 maart 2011 waarbij de drank- en horacavergunning respectievelijk de exploitatievergunning van restaurant [Y] zijn ingetrokken (procedurenummers SBR 11/973 en SBR 11/1016) tot zes weken nadat verweerders hebben beslist op het bezwaar van verzoekers;

3.4 bepaalt dat verweerders aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,- te betalen aan verzoekers.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Willems, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011 en, in overleg met partijen vanwege de spoedeisendheid van de zaak, een week nadien verzonden.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. M.H.L. Debets mr. J.W. Willems

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature