Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

verzet dwangbevel; hoogte gevorderde kosten

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 314026 / HA ZA 08-2118

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in het verzet,

advocaat mr. M.I. Agema,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. R.W. van Harmelen.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

Op 14 december 2007 is door medewerkers van de Gemeente in het pand gelegen aan de [adres] (hierna: het pand) een hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij is diezelfde dag op basis van bestuursdwang (krachtens artikel 125 van de Gemeentewet) door de Roteb ontmanteld, waarna op 1 februari 2008 - met toepassing van artikel 5:24 lid 6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - het besluit tot toepassing van bestuursdwang door de Gemeente op schrift is gesteld en aan [eiser] is bekendgemaakt.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit. Het bezwaar is bij beslissing van 4 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard, waarna [eiser] beroep heeft ingesteld. Bij uitspraak van 30 januari 2009 van de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht, is het beroep ongegrond verklaard. [eiser] heeft geen hoger beroep ingesteld.

Per brief van 13 februari 2008 is aan [eiser] een factuur gestuurd voor de kosten in verband met de toegepaste bestuursdwang ad € 3.772,10. Blijkens deze factuur is dit bedrag opgebouwd als volgt:

- ontmanteling hennepkwekerij € 2.815,-

- beheerskosten 15% € 422,25

- BTW € 534,85

[eiser] heeft deze factuur niet voldaan, waarna op 27 mei 2008 een dwangbevel is uitgevaardigd tot invordering van de kosten van bestuursdwang, vermeerderd met de verschuldigde rente vanaf 14 maart 2008. Het dwangbevel is op 10 juli 2008 aan [eiser] betekend.

De vordering

De vordering luidt bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

"a. te verklaren voor recht dat het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel dat op 10 juli 2008 aan hem is betekend gegrond is;

b. het de gemeente te verbieden om tegen [eiser] op grond van het bedoelde dwangbevel verdere executiemaatregelen te treffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere maal dat de gemeente in strijd met de bedoelde verbod handelt;

c. de gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding."

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten legt [eiser] aan zijn vordering de volgende stellingen ten grondslag.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift.

[eiser] kan niet worden aangemerkt als de overtreder. Hij heeft wel gewoond in het pand, maar hij is op 15 oktober 2007 verhuisd en heeft het pand toen nog voor enige tijd aangehouden en aan een oude vriend verhuurd. [eiser] was niet op de hoogte van de illegale hennepkwekerij.

[eiser] betwist de hoogte van de gevorderde kosten. Er is voor de vermeende werkzaamheden een te hoog bedrag opgevoerd, terwijl de invorderingskosten en de gevorderde rente moeten worden afgewezen althans op een lager bedrag moeten worden vastgesteld.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de kosten van het geding. Voor zover van belang zal in het hierna volgende op het verweer van de Gemeente worden ingegaan.

De beoordeling

Vooropgesteld zij dat met ingang van 1 juli 2009 de Vierde tranche van de Awb in werking is getreden. In artikel IV lid 1 van de Wet van 25 juni 2009, Stb. 2009, 264 (Vierde tranche van de Awb) is bepaald:

"Indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing."

De onderhavige overtreding vond plaats vóór 1 juli 2009, zodat de onderhavige zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de voor 1 juli 2009 geldende tekst van de Awb. Hieruit volgt dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, zodat [eiser] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

Tussen partijen is inmiddels, met de uitspraak van de bestuursrechter van 30 januari 2009, niet meer in geschil dat het besluit van 1 februari 2008 formele rechtskracht heeft. Naar vaste rechtspraak kan de rechtmatigheid van het aan een dwangbevel ten grondslag liggende besluit tot toepassing van bestuursdwang in een verzetprocedure als de onderhavige niet ter discussie worden gesteld. De formele rechtskracht van het besluit tot toepassing van bestuursdwang staat daaraan in de weg. Indien de tegen dat besluit openstaande rechtsgang, zoals hier, niet-tijdig is gebruikt, dient de verzetrechter ervan uit te gaan dat het besluit zowel wat haar inhoud als haar wijze van tot stand komen betreft rechtmatig is. Dat geldt ook voor de door [eiser] opgeworpen vraag of hij door de Gemeente terecht is aangemerkt als overtreder. Voor zover [eiser] ten onrechte is aangemerkt als overtreder, is dat een argument dat hij in de bestuursrechtelijke procedure had kunnen aanvoeren en is in de verzetprocedure sprake van een omstandigheid die door de formele rechtskracht van het besluit wordt gedekt. Een uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit alsnog zou moeten beoordelen, is gesteld noch gebleken. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een toetsing van de vraag of [eiser] al dan niet als overtreder moet worden aangemerkt.

Uitgaande van de rechtmatigheid van het besluit, is [eiser] op grond van artikel 5:25 Awb (oud) de door de gemeente gemaakte kosten van bestuursdwang verschuldigd. De gemeente kan deze kosten op grond van artikel 5:2 6 (oud) Awb bij dwangbevel invorderen.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten die door de Gemeente bij het dwangbevel aan hem in rekening zijn gebracht onredelijk hoog zijn. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

Volgens [eiser] zijn de door de Roteb gemaakte kosten in relatie tot de verrichte werkzaamheden buitensporig hoog, waarbij hij erop wijst dat hij zelf veel werkzaamheden in de woning heeft verricht nadat de hennepkwekerij is ontdekt, bestaande uit (onder meer) het schoonmaken en opruimen van de woning. Blijkens de factuur van de Gemeente van 13 februari 2008 bedragen de (door de Roteb gemaakte) kosten voor de ontmanteling van de hennepkwekerij € 2.815,00. Inmiddels, na ontvangen specificatie, blijken deze kosten € 1.921,- te bedragen, aldus de Gemeente in de conclusie van antwoord. Uit de algemene stellingen van [eiser] kan niet worden afgeleid dat de aldus in rekening gebrachte kosten te hoog zijn. Gelet op de onderbouwing van dit bedrag door de Gemeente had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling dat de in rekening gebrachte kosten niet in verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden nader te onderbouwen, hetgeen [eiser] heeft nagelaten. De stelling van [eiser] dat hij de woning heeft schoongemaakt en opgeruimd vormt niet een dergelijke onderbouwing, nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat het werkzaamheden zijn die zien op de ontmanteling van de hennepkwekerij als zodanig. De conclusie ten aanzien van de kosten van de Roteb is dat - na de verlaging van deze kosten in verband met het door de Gemeente bij conclusie van antwoord gestelde - niet is gebleken dat sprake is van het in rekening brengen van teveel of onredelijke kosten.

Wat de beheerskosten van 15% heeft [eiser] betoogd dat deze dienen te worden afgewezen dan wel op een lager bedrag moeten worden vastgesteld. [eiser] heeft in dat verband betoogd dat deze te hoog zijn, nu [eiser] niet de overtreder is. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen wordt dit betoog verworpen. Overigens is de rechtbank van oordeel dat geoorloofd is dat de Gemeente beheerskosten in rekening brengt. Het standaardpercentage van 15% is in dit geval redelijk. Nu het voor de ontmanteling verschuldigde bedrag lager blijkt te zijn, heeft dat, zoals de Gemeente ook onderkent, gevolgen voor de hoogte van de beheerskosten. Datzelfde geldt voor de over de kosten van de Roteb berekende BTW. De hoofdsom moet daarmee als volgt worden berekend:

Kosten Roteb € 1.921,00

BTW € 364,99

Beheerskosten € 288,15

€ 2.574,14

De Gemeente heeft bij het dwangbevel voorts invorderingskosten in rekening gebracht ter hoogte van 15% van de hoofdsom, te vermeerderen met BTW. Dit percentage is, gelet op de aard van de dwangbevelprocedure, redelijk en overigens ook in overeenstemming met de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II. Nu de hoofdsom is verlaagd, dienen ook de invorderingskosten naar beneden te worden bijgesteld.

Wat de rente betreft heeft de Gemeente gesteld dat deze verschuldigd is vanaf 14 maart 2008, zijnde de vervaldatum van de factuur. De Gemeente heeft [eiser] op 13 februari 2008 een factuur doen toekomen, en daarbij als vervaldatum opgenomen 14 maart 2008. Er is derhalve sprake van een voor de voldoening gestelde bepaalde termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW, terwijl de vordering reeds op dat moment opeisbaar was. De kosten zijn immers gemaakt op 14 december 2007, en [eiser] is deze op grond van de wet verschuldigd aan de Gemeente (artikel 5:2 5 (oud) Awb). [eiser] heeft in het licht van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd betwist dat rente is verschuldigd. De Gemeente kan derhalve voorts aanspraak maken op de wettelijke rente over de hoofdsom, te rekenen vanaf 14 maart 2008.

Resumerend heeft de Gemeente [eiser] ter zake de toegepaste bestuursdwang de volgende kosten in rekening kunnen brengen:

Hoofdsom € 2.574,14

Invorderingskosten (15%) € 386,12

BTW over de invorderingskosten € 73,36

Explootkosten (inclusief BTW) € 82,24

€ 3.115,86,

te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.574,14 met ingang van 14 maart 2008

Het dwangbevel zal buiten effect worden gesteld voor zover daarbij meer wordt ingevorderd dan € 3.115,86, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.574,14 met ingang van 14 maart 2008. In zoverre zal de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Nu de Gemeente op basis van het dwangbevel kan overgaan tot invordering van een bedrag van € 3.115,86, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.574,14 met ingang van 14 maart 2008, moet de vordering van [eiser] reeds om die reden voor het overige worden afgewezen.

In de omstandigheid dat hetgeen [eiser] op grond van de toegepaste bestuursdwang aan de Gemeente is verschuldigd met één derde dient te worden verlaagd ten opzichte van het bedrag dat is genoemd in het op 10 juli 2008 aan [eiser] betekende dwangbevel, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel gegrond is voor zover bij dit dwangbevel méér wordt ingevorderd dan € 3.115,86, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 2.574,14 met ingang van 14 maart 2008,

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature