Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bijdrage jongmeerderjarige.

Overeengekomen in echtscheidingsconvenant.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 30 maart 2011

Zaaknummer: HV 200.075.235/01

Zaaknummer eerste aanleg: 145556/FA RK 09-1532

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.K. Louws,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de dochter,

advocaat: mr. A.M.B.J. Derks-Höppener.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 13 juli 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2010, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair te bepalen dat de vader geen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige dient te voldoen met ingang van september 2008, subsidiair met ingang van 1 november 2009. Meer subsidiair verzoekt de vader om de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige welke door de vader betaald dient te worden met ingang van 1 november 2009 op nihil te bepalen en nog meer subsidiair verzoekt de vader om de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter welke door de vader betaald dient te worden met ingang van 1 november 2009 te bepalen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en te bepalen dat deze onderhoudsplicht eindigt met ingang van 1 juli 2011, danwel met ingang van een datum welke het hof juist acht. Voorts wenst de vader dat het hof zal bepalen dat de dochter hetgeen onverschuldigd aan haar betaald is aan de vader dient te worden terugbetaald.

2.2. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 17 november 2010, heeft de dochter verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het door de vader ingestelde hoger beroep af te wijzen als ongegrond.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 februari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Louws;

- de dochter, bijgestaan door mr. Derks-Höppener.

3. De beoordeling

3.1. De vader is gehuwd geweest met mevrouw [Z.] (hierna: de moeder).

Uit dit huwelijk is, voor zover hier van belang, geboren:

- [Y.], op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats].

3.2. Bij beschikking van 5 december 2007 heeft de rechtbank Maastricht onder meer tussen de vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 13 februari 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, opgenomen hetgeen de vader en de moeder ten aanzien van hun onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen hebben geregeld zoals blijkt uit het door hen overeengekomen echtscheidingsconvenant. Uit het convenant blijkt dat de vader aan [Y.] ten behoeve van haar verzorging en opvoeding zou voldoen een bedrag van € 385,-- per maand, voor zoveel bij haar behoefte bestaat aan die bijdrage. Voornoemde bijdrage is onderhevig aan indexatie overeenkomstig de wettelijke alimentatienormen.

3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de vader de uit het convenant van 14 november 2007 jegens de dochter voortvloeiende verplichting om aan haar een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie te voldoen als volgt dient na te komen:

- indien de dochter zich beperkt tot haar huidige Hbo-opleiding tot uiterlijk 1 juli 2011, dan wel bij uitloop tot uiterlijk 1 januari 2012;

- indien de dochter de masterstudie wenst te volgen na de huidige Hbo-opleiding, uiterlijk tot 1 juli 2013, eventueel bij uitloop tot 1 januari 2014, de nog niet verstreken termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

3.4. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De vader voert – samengevat en aangevuld ter zitting - aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het de bedoeling van de ouders is geweest om een zodanig derdenbeding op te nemen als bedoeld in artikel 6:253 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens de vader ligt het, gelet op artikel 1:395 a BW, voor de hand dat in het convenant een bepaling wordt opgenomen ten aanzien van de onderhoudsplicht voor een jongmeerderjarige. Naar mening van de vader is het zijn bedoeling geweest om de wettelijke onderhoudsverplichting in het convenant conform de wet vast te leggen.

De vader stelt dat de rechtbank het ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat, zoals de dochter heeft verklaard, de ouders bedoeld hebben dat zij zouden bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter en dat zij haar in de gelegenheid hebben willen stellen om haar studie, net als haar oudere broer en zus, af te ronden zonder studieschuld en zonder dat zij zou moeten werken. Volgens de vader is door de dochter geen begin van bewijs geleverd omtrent deze stelling. De vader stelt dat de oudere broer en zus van de dochter in een niet vergelijkbare situatie gestudeerd hebben, namelijk ten tijde van het huwelijk van de ouders. Bovendien hadden laatstgenoemden volgens de vader in tegenstelling tot de dochter geen spaarrekening ten behoeve van hun studie. De rechtbank gaat er ten aanzien van deze spaarrekening ten onrechte vanuit dat aannemelijk is geworden dat het niet de bedoeling van de ouders is geweest dat de dochter dit geld moest aanwenden voor haar studie, waarbij de vader verwijst naar correspondentie tussen hem en de vrouw waaruit zou blijken dat het desbetreffende geld expliciet wel voor dat doeleinde bedoeld was. Dat er in het convenant niets over voornoemde studiespaarpot is opgenomen is naar de mening van de vader in het geheel niet vreemd, temeer omdat het geld op deze rekening niet aan de ouders toekwam maar aan de destijds reeds meerderjarige dochter.

Volgens de vader heeft hij de maandelijkse bijdrage aan de dochter ook na haar eenentwintigste verjaardag nog enige tijd doorbetaald, nu hij er niet direct bij stil heeft gestaan dat zijn betalingsverplichting hiertoe reeds geëindigd was. Dat de vader geen einddatum in het convenant heeft laten opnemen wijt de man aan het feit dat hij als niet-jurist niet had kunnen bedenken dat dit zinvol zou zijn. De vader is het niet met de rechtbank eens dat de dochter thans onverkort behoefte heeft aan de uit het convenant voortvloeiende en door de vader te betalen onderhoudsbijdrage. Volgens de vader is in de jurisprudentie bepaald dat een student geen behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage c.q dat een student geacht moet worden zelf in het onderhoud te kunnen voorzien. De vader is van mening dat indien het hof vindt dat hij toch een bijdrage dient te leveren in de kosten van levensonderhoud en studie, dat deze verplichting dient te eindigen zodra de huidige Hbo-opleiding van de dochter zal eindigen c.q. op 1 juli 2011. Ter zitting heeft de vader desgevraagd verklaard dat indien na uitspraak in hoger beroep blijkt dat hij teveel aan de dochter zou hebben betaald, hij dan wenst om dit onverschuldigd betaalde bedrag van haar terug te vorderen.

3.6. De dochter voert – samengevat en aangevuld ter zitting - aan dat zij nadrukkelijk wenst te wijzen op de inhoud van het echtscheidingsconvenant dat haar ouders op 14 november 2007 na uitgebreide besprekingen met hun mediator hebben ondertekend en waarin zij volgens haar uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de vader aan haar dient te voldoen een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van € 385,-- per maand zolang de behoefte van de dochter hieraan bestaat. De dochter stelt dat onder de zinsnede “de kosten van verzorging en opvoeding”ook dient te worden verstaan “bijdrage in het levensonderhoud en studie”nu de dochter op het moment van totstandkoming van het convenant reeds meer dan twee jaar meerderjarig was en al begonnen was met haar huidige Hbo-opleiding.

Volgens de dochter hebben de ouders uitdrukkelijk geen eindtermijn in het convenant opgenomen ten aanzien van de door de vader aan haar te betalen bijdrage nu de zinsnede “voor zoveel bij haar behoefte bestaat aan die bijdrage” expliciet is opgenomen omdat op dat moment nog niet bekend was wanneer de dochter haar studie zou afronden. Volgens de dochter bestaat haar behoefte aan voornoemde bijdrage thans nog steeds nu de situatie, los van het feit dat zij niet meer thuis woont, nog dezelfde is als bij de totstandkoming van het convenant. Volgens de dochter is de vader tot 1 maart 2009 zonder commentaar zijn betalingsverplichtingen aan haar nagekomen, nu hij zich bewust moet zijn geweest van de door de ouders gemaakte afspraken daaromtrent. Hieruit blijkt volgens de dochter dan ook dat het niet de bedoeling van de ouders is geweest om de alimentatieverplichting van de vader jegens haar reeds na een jaar na ondertekening van het convenant te laten eindigen.

Ten aanzien van de studiespaarpot stelt de dochter dat dit een aparte spaarrekening betrof voor haar, evenals dat haar oudere broer en zus een dergelijke spaarrekening hadden. Het bedrag op de betreffende rekening diende volgens de dochter om de drie kinderen van de ouders een gelijke financiële positie te verlenen. Ter zitting heeft de dochter aangegeven dat zij een jaar studietijd heeft verloren wegens een verkeerde studiekeuze en ziekte.

De dochter heeft ter zitting voorts verklaard dat zij na het huidige en laatste studiejaar van de bacheloropleiding niet door zal gaan met een masteropleiding en derhalve zal studeren tot juli 2011.

3.7. Het hof overweegt het volgende. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de bedoeling van partijen bij het afsluiten van het echtscheidingsconvenant en de daarin opgenomen bepaling aangaande de door de vader aan [Y.] te betalen bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding helder is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat zowel uit de bewoordingen van het desbetreffende artikel uit het convenant, als uit de feiten en omstandigheden ten tijde van het sluiten van het convenant genoegzaam volgt dat de vader zich verplicht heeft om rechtstreeks aan de dochter een onderhoudsbijdrage te betalen en de dochter derhalve aanspraak kan maken op deze onderhoudsbijdrage.

3.8. Vast staat dat de dochter 20 jaar was op het moment van het opstellen van het convenant en dat zij destijds reeds aan een studie was begonnen. De vader heeft niet weersproken dat de oudere broer en zus van de dochter hebben kunnen studeren zonder dat zij daarvoor een studieschuld zijn moeten aangaan en ook zonder dat zij naast hun studie hebben moeten werken. Wel is gebleken dat er ten aanzien van laatstgenoemden een termijn gesteld werd aan de studieduur, te weten de gemiddelde studieduur die staat voor de studie met de mogelijkheid tot maximaal een jaar uitloop.

De ouders hebben in het convenant vastgelegd dat zij beiden de helft van de desbetreffende kosten aan [Y.] zouden voldoen, hetgeen de moeder volgens [Y.] ook nog steeds doet. De vader is ook nadat [Y.] eenentwintig werd conform convenant blijven betalen, waarna hij in maart 2009 de betaling plotseling stop heeft gezet. Naar het oordeel van het hof getuigt het vorenstaande van de door de ouders overeengekomen afspraak om ieder bij helfte maandelijks bij te dragen in de kosten van [Y.] voor zolang zij de behoefte hiertoe heeft. Gelet op de voorgeschiedenis van het studieverloop van de overige kinderen en de bekostiging daarvan acht het hof het aannemelijk dat de ouders de bedoeling hadden voor al hun kinderen een bepaalde periode in het levensonderhoud en studiekosten te voorzien.

Ondanks dat de ouders een mailwisseling hebben gehad waarin gesproken wordt over een rekening van [Y.] onder de noemer “studiepot” en waarnaar door de vader wordt verwezen, blijkt naar het oordeel van het hof hiermee niet voldoende van een afwijkende intentie van de ouders.

Het feit dat [Y.] een studiejaar heeft verloren vanwege een verkeerde studiekeuze en ziekte, kan naar het oordeel van het hof gezien worden als een calamiteit en [Y.] dient ten aanzien van dit jaar dan ook niet financieel gekort te worden. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de dochter thans onverkort aanspraak kan maken op de uit het convenant voortvloeiende en door de vader te betalen onderhoudsbijdrage tot het einde van haar huidige studie, derhalve tot 1 juli 2011 met maximale uitloop tot 1 januari 2012.

3.9. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk vernietigen doch uitsluitend voor zover daarin bepaald is dat de vader wordt veroordeeld tot nakoming van de uit het convenant van 14 november 2007 jegens de dochter voortvloeiende verplichting om aan haar een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie te voldoen indien de dochter de masterstudie wenst te volgen na de huidige hbo-opleiding, uiterlijk tot 1 juli 2013, eventueel bij uitloop tot 1 januari 2014. Het hof zal de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 13 juli 2010, doch uitsluitend voor zover daarin bepaald is dat de vader wordt veroordeeld tot nakoming van de uit het convenant van 14 november 2007 jegens de dochter voortvloeiende verplichting om aan haar een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie te voldoen indien de dochter de masterstudie wenst te volgen na de huidige hbo-opleiding, uiterlijk tot 1 juli 2013, eventueel bij uitloop tot 1 januari 2014;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Koens en Van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature