Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beroep tegen de weigering tot aanpassing van een zorgmelding op grond van artikel 28 van de Wet Politiegegevens (Wpg) gegrond.

De rechtbank is van oordeel dat, ongeacht welke van beide lezingen nu precies de juiste is, de door verweerder in de mutatie opgenomen zinsnede suggereert dat bij eiser een persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. Er wordt immers gesproken over constateren. Dat heeft een meer beladen betekenis dan de mededeling dat (een willekeurig) iemand heeft gezegd dat eiser een persoonlijkheidsstoornis heeft.

De manier waarop verweerder de uitspraak van eiser heeft opgenomen in de zorgmelding, in combinatie met de eenzijdige weergave van de gebeurtenissen, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de zorgmelding zoals deze nu voorligt niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dus niet gehandhaafd kan blijven.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1652

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [woonplaats], eiser,

tegen

de Korpsbeheerder van de politie Limburg-Noord, verweerder.

1. Procesverloop

Op 17 november 2010 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek een passage in een zorgmelding te corrigeren. Bij besluit van 25 november 2010 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 maart 2011, waar eiser is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. A.F. Quaedvlieg

2. Overwegingen

2.1. Eiser is gescheiden en heeft een omgangsregeling met zijn ex-partner, [naam], inzake hun drie kinderen. De afspraak is dat de kinderen in het weekend bij eiser verblijven en uiterlijk maandagavond om 19:00 uur weer terug zijn bij de moeder. Op maandag 14 juni 2010 omstreeks 21:50 uur kreeg de politie Regio Limburg-Noord (hierna: de politie) een melding binnen dat één kind nog niet terug was van het verblijf bij eiser. De politie is vervolgens poolshoogte gaan nemen bij de woning van eiser. De oudste zoon bleek nog bij eiser te verblijven en is na een gesprek met de politie meegegaan naar de woning van de moeder. Van het verhandelde is door de desbetreffende verbalisanten een mutatie opgemaakt. Aan de hand van deze mutatie is vervolgens door een andere verbalisant een zorgmelding opgemaakt, welke zorgmelding is doorgestuurd naar Bureau Jeugdzorg. In de mutatie hebben de verbalisanten de volgende passage opgenomen:

“[eiser] zei hier dat men geconstateerd had dat hij persoonlijkheidsstoornis had en dat [naam ex-partner] de kinderen wel eens op deed sluiten.”

In de zorgmelding is de volgende passage opgenomen:

“[eiser] deelde de collega’s ook mede dat men geconstateerd had dat hij een persoonlijkheidsstoornis had.”

Eiser heeft bezwaar tegen deze laatste passage in de zorgmelding en heeft dit aan verweerder kenbaar gemaakt. Verweerder heeft overwogen dat hij geen aanleiding ziet om de passage in de zorgmelding aan te passen.

2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisanten en de hierop gebaseerde zorgmelding. Alles overwegende ziet verweerder geen aanleiding om te veronderstellen dat de zorgmelding onjuist dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder blijft dan ook bij zijn standpunt dat de gegevens niet aangepast hoeven te worden.

2.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet gezegd heeft wat er in de zorgmelding staat, maar dat hij heeft gezegd dat de moeder van zijn kinderen in verweerschriften zegt dat eiser een persoonlijkheidsstoornis heeft. Deze onjuiste weergave dient dan ook te worden gecorrigeerd of te worden aangevuld.

2.4. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) kan degene aan wie overeenkomstig artikel 25 kennis is gegeven van hem betreffende politiegegevens, de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet terzake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Het tweede lid bepaalt dat de verantwoordelijke de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk bericht of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. Artikel 37, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing. Een weigering is met redenen omkleed.

Artikel 29, eerste lid, van de Wpg bepaalt dat een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 28 geldt als een besluit in de zin van de Awb. Afdeling 7.1 van de Awb is niet van toepassing.

2.5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.6. Aan de orde is de vraag of verweerders weigering van 24 september 2010 tot aanpassing van de passage in de zorgmelding de rechterlijke toets kan doorstaan. In dat verband stelt de rechtbank vast dat op grond van het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Wpg de weigering om aan het verzoek tot verwijdering van gegevens te voldoen met redenen moet zijn omkleed.

2.7. Verweerder heeft de weigering om aan het verzoek van eiser te voldoen gemotiveerd door aan te geven dat hij uitgaat van de juistheid van de door de verbalisanten opgemaakte mutatie van het verhandelde bij de woning van eiser op 14 juni 2010. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee de weigering van het verzoek onvoldoende met redenen heeft omkleed en dat hij bij het opmaken van de zorgmelding niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. De passage in de zorgmelding luidt: “[eiser] deelde de collega’s ook mede dat men geconstateerd had dat hij een persoonlijkheidsstoornis had.” Eiser zelf zegt dat hij het volgende gezegd heeft: “De moeder van mijn kinderen heeft in verweerschriften gezegd dat ik een persoonlijkheidsstoornis heb.” De rechtbank is van oordeel dat, ongeacht welke van beide lezingen nu precies de juiste is, de door verweerder in de mutatie opgenomen zinsnede suggereert dat bij eiser een persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. Er wordt immers gesproken over constateren. Dat heeft een meer beladen betekenis dan de mededeling dat (een willekeurig) iemand heeft gezegd dat eiser een persoonlijkheidsstoornis heeft. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de verbalisanten die de mutatie van 14 juni 2010 hebben opgemaakt niet meer precies konden zeggen wie eiser met ‘men’ bedoeld heeft. Niet uitgesloten is dus dat eiser waar de verbalisanten ‘men’ hebben genoteerd, heeft gesproken over de moeder van zijn kinderen, zoals hij zelf stelt. In ieder geval is uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting gebleken dat de verbalisanten uit hetgeen eiser op 14 juni 2010 heeft gezegd, hebben opgemaakt dat een deskundige heeft vastgesteld dat eiser een persoonlijkheidsstoornis heeft. Door het gebruik van het woord ‘men’ in combinatie met ‘geconstateerd’ hebben de verbalisanten naar het oordeel van de rechtbank echter de mogelijkheid open gelaten dat de passage in de zorgmelding als zodanig zal worden geïnterpreteerd. Dit terwijl het vanwege de bij een zorgmelding betrokken belangen juist van essentieel belang is dat deze zo zorgvuldig mogelijk tot stand komt en hetgeen in dit kader door partijen gezegd is ook zo zorgvuldig mogelijk wordt weergegeven. Gezien het gegeven dat een dergelijke zorgmelding door zowel Bureau Jeugdzorg als door de Raad voor de Kinderbescherming wordt bewaard, heeft eiser er belang bij om de melding zoals die er nu ligt aangepast te krijgen of te laten nuanceren. Dit geldt te meer nu niet is uitgesloten dat de zorgmelding in eventuele toekomstige procedures over de situatie van de kinderen van eiser en zijn ex-partner door één van bovengenoemde instanties nog eens zal worden aangehaald. De rechtbank wijst er bovendien op dat de (voor eiser belastende) inhoud van de passage nog eens wordt versterkt doordat verweerder heeft nagelaten soortgelijke belastende uitspraken of gedragingen van de ex-partner van eiser - bijvoorbeeld over het opsluiten van de kinderen of het feit dat zij erg gestrest overkwam, zoals ook terug is te lezen in de mutatie van het verhandelde op 14 juni 2010 - op te nemen in de zorgmelding. Hierdoor zou bij lezing van de zorgmelding door Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming een vertekend beeld kunnen ontstaan ten nadele van eiser. Dit laatste ondersteunt de rechtbank in haar standpunt dat verweerder bij het opmaken van de zorgmelding niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen.

2.8. De manier waarop verweerder de uitspraak van eiser heeft opgenomen in de zorgmelding, in combinatie met de eenzijdige weergave van de gebeurtenissen, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de zorgmelding zoals deze nu voorligt niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dus niet gehandhaafd kan blijven. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen.

2.9. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Nu eiser zich niet heeft laten voorzien van professionele rechtsbijstand, komen slechts de aangevoerde verletkosten van EUR 16,72 voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 16,72 (wegens verletkosten), te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van M.B.G. Cox-Vorage als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.

w.g. M.B.G. Cox-Vorage,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 28 maart 2011.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature