Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De omvang van de heroverweging in de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder informatie van de hoorzitting in de bezwaarfase betrekken bij de heroverweging.

Uitspraak



RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 10/1132 WWB

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te Groningen, eiser,

gemachtigde: mr. S.T. Dieters, advocaat te Hoogezand,,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: H.J. Roerig, juridisch medewerker bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft op 22 november 2010 beroep ingesteld tegen het besluit van 18 november 2010.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten van 6 augustus 2010 en 9 augustus 2010 ongegrond verklaard en laatstgenoemde besluiten gehandhaafd, inhoudende dat:

a. eiser ingevolge artikel 54, vierde lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 23 juni 2010 geen bijstandsuitkering meer krijgt; en,

b. eisers recht op bijstand ingevolge artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB per 1 maart 2010 wordt ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht en dat de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering ten bedrage van € 2727,99 netto over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 van hem wordt teruggevorderd.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 3 maart 2011.

Eiser werd aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en omstandigheden

Eiser ontvangt van de gemeente sinds 1 juli 1996 een bijstandsuitkering ingevolge de WWB, naar de norm van een alleenstaande.

In de maandverklaring van de maand april 2010 heeft eiser aangegeven dat hij gaat verhuizen naar Blekerstraat 14 te Groningen. Vervolgens heeft verweerder hem verzocht relevante stukken te overleggen.

Ten tijde van het verhuisonderzoek is gebleken dat eiser geselecteerd is voor onderzoek in het kader van een zogenoemde ‘Themacontrole’. Dit onderzoek heeft betrekking op het gegeven dat eiser per 19 mei 2010 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) staat ingeschreven met een eenmanszaak (Bakkerij Bleker) zonder dat de sociale dienst van de gemeente Groningen door eiser op de hoogte is gebracht van (de reden van) die inschrijving. Per 1 juni 2010 is eiser vervolgens weer uitgeschreven bij de KvK. Tevens blijkt uit een bericht van 3 mei 2010 van de politie aan de sociale dienst dat op het adres waar eiser tot 19 mei 2010 als enige stond ingeschreven een hennepkwekerij is opgerold.

Verweerder heeft eiser bij brief van 15 juni 2010 laten weten dat voor hem een afspraak is gemaakt op woensdag 23 juni 2010 om 09.00 uur met de medewerkers [de vrouw] en [de man] van de sociale dienst.

Voorts heeft verweerder in deze brief aangegeven dat eiser de volgende formulieren en/of originele bewijsstukken mee dient te nemen naar de afspraak:

- het bijgevoegde inlichtingenformulier, volledig ingevuld en ondertekend;

- een geldig legitimatiebewijs;

- alle afschriften van al zijn bank-, giro- en spaarrekeningen van de afgelopen 6 maanden;

- afschriften van zijn schulden;

- huurcontract van de kamer die eiser bewoont;

- een betaalbewijs van zijn huur (via bank- of girorekening);

- een betaalbewijs van het voldoen van de borg (via bank- of girorekening);

- bewijs van inschrijving bij de KvK.

Eiser heeft tijdens het gesprek op 23 juni 2010 niet alle benodigde en van hem gevraagde bewijsstukken en/of informatie ingeleverd.

Verweerder heeft bij besluit van 23 juni 2010 het recht op bijstand van eiser ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB opgeschort met ingang van 1 juni 2010 in verband met schending van de inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 van de WWB .

Voorts heeft verweerder eiser met dit besluit in de gelegenheid gesteld om uiterlijk woensdag 30 juni 2010 het verzuim te herstellen. In dit verband heeft verweerder aangegeven dat eiser de navolgende formulieren en/of originele bewijsstukken mee dient te nemen naar de afspraak op 30 juni 2010:

- het aan hem verzonden inlichtingenformulier, volledig ingevuld en ondertekend;

- een geldig legitimatiebewijs;

- alle afschriften van al zijn bank-, giro- en spaarrekeningen van de afgelopen 6 maanden;

- afschriften van zijn schulden;

- huurcontract van de kamer die eiser bewoont;

- een betaalbewijs van zijn huur (via bank- of girorekening);

- een bewijs waaruit blijkt dat eiser niet langer de huurder is van het winkelpand aan de Blekerstraat 14.

Eiser heeft zich afgemeld voor de afspraak van 30 juni 2010 bij de sociale dienst.

Vanwege het onderzoek in het kader van de themacontrole is het verhuisonderzoek overgedragen aan de afdeling Fraudecontrole. Op 30 juni 2010 heeft een huisbezoek plaatsgevonden, waaruit naar voren is gekomen dat eiser een kamer huurt op het adres Blekerstraat 14a (boven de voornoemde bakkerij). Tijdens dit huisbezoek verklaart eiser dat hij als een vriendendienst de bakkerij op nummer 14 op zijn naam heeft laten stellen alsmede het daarbij behorende huurcontract. Tevens verklaart eiser dat hij van zijn bijstandsuitkering weinig overhoudt en om die reden met doen van klusjes als loodgieter € 100,00 tot € 150,00 per klus verdient. Omtrent de hennepkwekerij verklaart eiser dat hij daarmee geld heeft gegenereerd zodat zijn kinderen straks kunnen studeren.

Verweerder heeft eiser bij besluit van 1 juli 2010 nogmaals in de gelegenheid gesteld het voornoemde verzuim te herstellen. Voorts heeft verweerder in dit besluit aan eiser medegedeeld dat voor hem een afspraak is gepland bij de sociale dienst op woensdag 7 juli 2010 om 09.00 uur.

Tijdens het gesprek bij de sociale dienst op 7 juli 2010 heeft eiser een paspoort en het huurcontract van zijn kamer bij zich.

Bij primair besluit van 6 augustus 2010 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 23 juni 2010 geen bijstandsuitkering meer krijgt. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet de gevraagde gegevens bij zich had op het gesprek van 23 juni 2010 en dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan de geboden herstelmogelijkheid om alsnog de gevraagde stukken in te leveren.

Bij primair besluit van 9 augustus 2010 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser ingevolge artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB per 1 maart 2010 ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht en de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering ten bedrage van € 2727,99 netto over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 van hem teruggevorderd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand over de voornoemde periode niet kan worden vastgesteld, aangezien eiser geen dan wel onvolledige informatie aan de sociale dienst heeft gegeven over zijn bedrijfsmatige activiteiten.

Namens eiser is bij brief van 8 september 2010 een bezwaarschrift tegen de primaire besluiten van 6 augustus 2010 en 9 augustus 2010 bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 15 oktober 2010 ingediend.

Eiser is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de commissie voor bezwaarschriften sociale zaken en werk (hierna: de commissie) tijdens een hoorzitting van 9 november 2010, van welke gelegenheid namens hem gebruik is gemaakt. Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De commissie heeft verweerder bij brief van 9 november 2010 geadviseerd het bezwaarschrift van eiser onder het aanpassen van de motivering ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het voornoemde advies, het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en de bestreden besluiten onder een aangepaste motivering gehandhaafd.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Artikel 17, eerste lid, WWB bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 17, tweede lid, WWB is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit kan herzien of intrekken:

- indien het niet of behoorlijk nakomen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, intrekken.

Ingevolge artikel 58, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Met betrekking tot de bevoegdheid om terug te vorderen heeft verweerder beleidsregels vastgesteld.

Artikel 2 van de beleidsregels terugvordering WWB luidt als volgt:

‘Het college besluit bij beëindiging van het recht op bijstandsuitkering om redenen van doelmatigheid af te zien van (verdere) terugvordering indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 250,- en het onverschuldigd betaalde bedrag niet is veroorzaakt door een schending van de inlichtingenplicht (artikel 17 WWB). Daarnaast kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien hiertoe dringende redenen aanwezig zijn.’

3.3 Overwegingen

In formeel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Eiser betoogt dat in de primaire besluitvorming en de bezwaarprocedure centraal staat de rol van eiser in de Turkse bakkerij op het adres Blekerstraat 14 te Groningen. Eerst ter zitting van de commissie is aan de orde gekomen de vraag of eiser al dan niet werkte als loodgieter. Hetgeen door eiser ter zitting van de commissie is verklaard, is naar zijn mening volstrekt onvoldoende om ten grondslag te kunnen leggen aan het thans door verweerder ingenomen standpunt. Bovendien wordt in de visie van eiser de beoordelingsruimte van de commissie en van verweerder in het kader van de heroverweging op bezwaar overschreden. In dit verband wijst eiser erop dat uit het verslag van de hoorzitting valt op te maken dat door de commissie niet is ingegaan op de rol van eiser in de bakkerij. Naar de mening van eiser miskent de commissie dat zij aldus opererend de rol van verweerder al te zeer op zich neemt.

De rechtbank overweegt dat de heroverweging in beginsel moet geschieden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Daarbij heeft wel te gelden dat het besluit op bezwaar als een resultante van de heroverweging beschouwd kan worden. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer kenbaar uit AB 2003/395, vallen binnen dit criterium wel verbeteringen van de motivering en het in dat kader betrekken van andere feiten die aan de beslissing ten grondslag worden gelegd. Indien echter de beëindiging van een uitkering met ingang van een latere datum op een geheel andere feitelijke en juridische grondslag wordt gebaseerd, waarbij bovendien wordt uitgegaan van een feit dat is opgekomen na de datum van de eerdere beëindiging, kan het besluit niet worden aangemerkt als het resultaat van de artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bedoelde heroverweging (vgl. CRvB, 28 maart 2006, AB 2006/312).

Ter beantwoording van de rechtbank ligt vervolgens de rechtsvraag voor of verweerder met het thans bestreden besluit de grenzen van een volledige heroverweging in de bezwaarfase op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb heeft overschreden.

De rechtbank beantwoordt voornoemde rechtsvraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vastgesteld dient te worden dat tijdens de hoorzitting van de commissie aan de orde is geweest dat eiser met enkele werkzaamheden soms € 100,-- of € 150,-- verdiende en dat hij geen opgave deed van deze werkzaamheden bij de sociale dienst (verweerder). In het rapport ‘fraudecontrole’ van 14 juli 2010 is aangegeven dat eiser tijdens het gesprek met voornoemde medewerkers van de sociale dienst zelf verklaard heeft dat hij weinig geld overhoudt per maand en klusjes aan leidingwerk bij mensen thuis doet. Voorts heeft eiser in dit gesprek aangegeven met deze klusjes ongeveer € 100,-- tot € 150,-- te verdienen en deze inkomsten nooit op de maandverklaring te hebben weergegeven. Voorts dient te worden vastgesteld dat het primaire besluit van 9 augustus 2010 tot intrekking van het recht op bijstand gebaseerd is op het gegeven dat verweerder het recht op bijstand niet (langer) kan vaststellen, aangezien eiser de op hem rustende inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Daarbij heeft verweerder gewezen op het feit dat eiser geen informatie heeft verschaft omtrent zijn bedrijfsmatige activiteiten. De commissie heeft blijkens het verslag van de hoorzitting en het advies toegelicht dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, aangezien eiser van zijn bedrijfsmatige activiteiten geen boekhouding of anderszins een administratie heeft bijgehouden. Anders dan eiser stelt, is er naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval dan ook geen sprake van een overschrijding van de beoordelingsruimte door de commissie. Gelet op de uitspraak van 25 juni 2003 van de CRvB, kenbaar uit AB 2003/395, is verweerder met het thans bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank evenmin buiten de grenzen van een volledige heroverweging in de bezwaarfase ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb getreden. De grond van eiser kan dan ook niet slagen.

Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat de gronden van beroep uitsluitend betrekking hebben op het na bezwaar gehandhaafde besluit tot intrekking van het recht op bijstand per 1 maart 2010 en terugvordering van de onverschuldigd betaalde bijstandsuitkering ten bedrage van € 2727,99 netto over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 mei 2010. Gelet hierop zal de rechtbank zich bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep daartoe beperken.

Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de CRvB – zie onder meer zijn uitspraak van 26 juni 2007, LJN: BA8367 – stelt de rechtbank vast dat het bij de besluiten inzake intrekking van bijstand gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast met betrekking tot het standpunt van verweerder dat eiser onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verschaft omtrent zijn inkomsten uit bedrijfsmatige activiteiten en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld in beginsel niet op eiser maar op verweerder rust.

De rechtbank stelt voorop dat tegenover het ontvangen van een uitkering op grond van de WWB ook bepaalde plichten staan, waaronder de inlichtingenplicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting in het onderhavige geval niet behoorlijk is nagekomen. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat eiser in de voornoemde periode inkomsten heeft verkregen uit verrichte loodgieterswerkzaamheden dan wel andere werkzaamheden bij mensen thuis zonder dat hij daarvan een deugdelijke administratie (boekhouding) heeft bijgehouden en verweerder daarvan in kennis heeft gesteld door middel van de rechtmatigheidsformulieren. Voorts dient uit de gedingstukken te worden afgeleid dat eiser per 19 mei 2010 ingeschreven stond met een eenmanszaak (Bakkerij Bleker) zonder dat verweerder door eiser op de hoogte is gebracht van (de reden van) die inschrijving.

Aangezien controleerbare gegevens over de met de loodgieterswerkzaamheden en uit de bakkerij Bleker verkregen inkomsten ontbreken, en de door eiser gegeven verklaring dat het op naam zetten van bakkerij Bleker als een vriendendienst dient te worden aangemerkt niet door objectieve gegevens wordt onderbouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, eiser verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB . Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser stelselmatig weigert om verweerder inzage te verstrekken in financiële gegevens, zoals bankafschriften. Hieruit volgt dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB dan ook bevoegd was om de aan eiser verleend bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 in te trekken. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Met betrekking tot het besluit tot terugvordering overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat tevens was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB , zodat verweerder bevoegd was de kosten van bijstand van eiser over de voornoemde periode terug te vorderen.

Met betrekking tot de bevoegdheid om terug te vorderen heeft verweerder beleidsregels vastgesteld.

Artikel 2 van de beleidsregels terugvordering WWB luidt als volgt:

‘Het college besluit bij beëindiging van het recht op bijstandsuitkering om redenen van doelmatigheid af te zien van (verdere) terugvordering indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 250,- en het onverschuldigd betaalde bedrag niet is veroorzaakt door een schending van de inlichtingenplicht (artikel 17 WWB). Daarnaast kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien hiertoe dringende redenen aanwezig zijn.’

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het voornoemde beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Gesteld noch gebleken is van een dringende reden op grond waarvan verweerder genoopt zou zijn om ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het voornoemde beleid af te wijken in het onderhavige geval.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiser ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb , uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 10 maart 2011 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: hvk


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature