Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Toekenning WW-uitkering, berekend naar een dagloon van € 67,41. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden en de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. De dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden is bepalend voor de te hanteren referteperiode. De omstandigheid dat, naar appellant heeft gesteld, hem geen verwijt kan worden gemaakt van het gegeven dat hij vanaf 3 juni 2008 geen werkzaamheden meer heeft verricht bij zijn laatste werkgever, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft met juistheid onder verwijzing naar de door haar genoemde uitspraken van de Raad overwogen dat de feitelijke situatie beslissend is. Dat het Uwv aanvankelijk is uitgegaan van de door appellant bepleite referteperiode maakt het vorenstaande evenmin anders.

Uitspraak



10/245 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 december 2009, 08/6239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.M.F. Snelder, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Voor appellant was aanwezig mr. Snelder. Voor het Uwv was aanwezig mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het Uwv appellant van 12 augustus 2008 tot en met 11 november 2008 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend, welke uitkering werd berekend naar een dagloon van € 67,41.

1.2. Bij besluit van 24 november 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het dagloon waarnaar zijn WW-uitkering werd berekend, ongegrond verklaard.

1.3. Tegen het besluit van 24 november 2008 heeft appellant beroep ingesteld. Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd dat het Uwv ten onrechte bij de berekening van het dagloon als referteperiode heeft genomen de periode van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. Hij had tot en met 11 augustus 2008 een dienstverband, hetgeen in zijn visie betekent dat de referteperiode liep van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2008. Het Uwv heeft dan ook ten onrechte het loon dat hij in de maanden juni en juli van 2008 ontving van zijn laatste werkgever, niet meegenomen bij de vaststelling van het dagloon.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 november 2008 ongegrond verklaard.

2.2. Bij haar uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar de daarop betrekking hebbende bepalingen in de WW en het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen overwogen dat het refertejaar eindigde op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het tijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden. Appellant was door zijn werkgever vanaf 3 juni 2008 vrijgesteld van de verplichting werkzaamheden te verrichten. Ook feitelijk heeft hij vanaf die datum geen werkzaamheden meer verricht. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in het geval van appellant het arbeidsurenverlies is ingetreden op 3 juni 2008. Daarbij heeft de rechtbank ook gewezen op de uitspraken van de Raad van 26 januari 2005 en 4 december 2008, LJN AS8542, onderscheidenlijk LJN BG8432. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, nu er loondoorbetaling heeft plaatsgevonden tot en met 11 augustus 2008, appellant eerst op 12 augustus 2008 voldeed aan de voorwaarden, gesteld in artikel 16, eerste lid, van de WW , voor het recht op uitkering.

3.1. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden en de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. De dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden is bepalend voor de te hanteren referteperiode. De omstandigheid dat, naar appellant heeft gesteld, hem geen verwijt kan worden gemaakt van het gegeven dat hij vanaf 3 juni 2008 geen werkzaamheden meer heeft verricht bij zijn laatste werkgever, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft met juistheid onder verwijzing naar de door haar genoemde uitspraken van de Raad overwogen dat de feitelijke situatie beslissend is. Dat het Uwv aanvankelijk is uitgegaan van de door appellant bepleite referteperiode maakt het vorenstaande evenmin anders.

3.2. Nu de Raad zich geheel kan vinden in de door de rechtbank gebezigde overwegingen en in het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

KR


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature