Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. Geen recht op WAO-uitkering ontstaan. Gebrek aan zorgvuldigheid bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, wordt het Uwv opgedragen binnen 6 weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak



09/5025 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2009, 08/935 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Tracey - onder overlegging van nadere (medische) stukken - heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Naar aanleiding van deze zitting heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts H.H. Häuser van 9 juni 2010 ingezonden. Hierop heeft mr. Tracey op 19 juli 2010 gereageerd.

Desgevraagd heeft het Uwv ontbrekende stukken ingezonden.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 11 februari 2011. Appellant is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als constructiebankwerker toen hij zich met ingang van 1 oktober 1999 ziek meldde als gevolg van whiplashklachten en klachten aan de schouder rechts. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 15 augustus 2000 met het oog op een beoordeling bij het einde van de wachttijd werd appellant geschikt geacht voor de maatgevende functie. Aan appellant werd dan ook bij besluit van 18 september 2000 met ingang van 29 september 2000 geen WAO-uitkering toegekend.

1.2. Appellant is naar aanleiding van zijn ziekmelding op 1 februari 2001 door de arts Q. Zamani onderzocht. In een rapport van 5 december 2001 heeft Zamani als diagnose vermeld een whiplash-trauma en een spanningsklacht. In verband hiermee stelde Zamani vast dat appellant psychische beperkingen en beperkingen aan de nek en de rechterarm had. Deze beperkingen legde Zamani vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens 5 december 2001. Bij het arbeidskundig onderzoek werd appellant niet langer geschikt geacht voor zijn maatmanfunctie en werd na functieduiding berekend dat het verlies van verdienvermogen 12,37% bedroeg. In lijn hiermee weigerde het Uwv bij besluit van 30 januari 2002 aan appellant met ingang van 31 januari 2002 een WAO-uitkering. In een afzonderlijk besluit van dezelfde datum merkte het Uwv appellant voorts met ingang van 31 januari 2002 als arbeidsgehandicapte aan in de zin van de toen geldende Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten voor de duur van 5 jaren.

1.3. In verband met werkhervatting met ingang van 1 juni 2002 bij de in [vestigingsplaats] gevestigde vennootschap [vennootschap] heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2003 aan appellant een loonsuppletie toegekend.

2. Appellant is op 4 juni 2007 in het kader van de éénmalige herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit (aSB) onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Hoffman. Deze vermeldde in een rapport van dezelfde datum dat uit overleg met de administratie bleek dat appellant in het systeem was ingedeeld in de klasse 15 tot 25% en dat de WAO-uitkering werd betaald alsof appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij het psychiatrisch onderzoek nam Hoffman - onder verwijzing naar een door appellant ter beschikking gesteld rapport van de psychiater prof. dr. M. Kuilman van 6 december 2004, die aangaf dat bij appellant sprake was van een inmiddels goeddeels verbleekte aanpassingsstoornis bij een man met een neiging tot somatisering van spanningsklachten - geen ernstige psychopathologie waar en concludeerde hij ook niet tot het opleggen van een urenbeperking. De beperkingen van appellant legde Hoffman vast in een FML van 5 juni 2007. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat bij functieduiding het verlies aan verdienvermogen 50,23% bedroeg en dat de verdiensten in het aangepaste werk leidden tot een verlies als evenbedoeld van 22,23%. De conclusie van dit onderzoek was dat appellant onveranderd in de klasse 15 tot 25% moest worden ingedeeld, hetgeen werd neergelegd in een besluit van 1 augustus 2007.

3. Bij besluit op bezwaar van 4 februari 2008 werd het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2007 gegrond verklaard, de beslissing van 1 augustus 2007 ingetrokken en vastgesteld dat het besluit op bezwaar in de plaats trad van het besluit van 1 augustus 2007. Onder verwijzing naar de hiervoor in 1.1 en 1.2 vermelde besluiten van 18 september 2000 en 30 januari 2002 overwoog het Uwv dat nimmer voor appellant een recht op een WAO-uitkering was ontstaan en dat er daarom geen aanleiding was voor een éénmalige herbeoordeling op basis van het aSB. De beslissing van 1 augustus 2007 is dan ook abusievelijk genomen en berustte volgens het Uwv op een misslag, zodat die beslissing diende te worden ingetrokken.

4. In de beroepsprocedure van appellant tegen het besluit van 4 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv in zijn verweerschrift vermeld dat de aan appellant toegekende, in overweging 1.3 vermelde loonsuppletie systeemtechnisch alleen verwerkt kon worden als een betrokkene ook daadwerkelijk een WAO-uitkering had. Ter registratie van de loonsuppletie is appellant derhalve, aldus het Uwv, systeemtechnisch in de laagste arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% ingedeeld.

5.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten en heeft zij het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ter motivering van haar beslissingen het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat in geval als het onderhavige - waarin het primaire besluit van 1 augustus 2007 zeer duidelijk als een misslag moet worden aangemerkt - het niet aanvaardbaar is dat in bezwaar is volstaan met het intrekken van dat besluit zonder daarbij te onderzoeken of er wellicht op enige grond voor eiser toch recht zou bestaan op een WAO-uitkering. Nu verweerder voorafgaande aan het besluit op bezwaar niet een dergelijk onderzoek heeft ingesteld komt dat besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal de rechtsgevolgen van dat besluit evenwel geheel in stand laten, nu niet valt in te zien op welke grond eiser in of omstreeks 2007 recht zou hebben kunnen doen gelden op een WAO-uitkering. Met name deed zich hier niet de situatie voor als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO , te weten het binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd (in het onderhavige geval: voor 30 januari 2007) opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid.”

6.1. Namens appellant heeft mr. Tracey - min of meer in lijn met het aangevoerde in beroep - in hoger beroep gesteld dat door Hoffman in 2007 ten opzichte van de beoordeling in 2002 wel degelijk beperkingen zijn aangenomen op grond waarvan hem

- anders dan in 2002 - een WAO-uitkering had moeten worden toegekend.

6.2. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de Raad op 29 maart 2010 heeft de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Häuser appellant op 9 juni 2010 op een hoorzitting gesproken, het dossier bestudeerd en - onder verwijzing naar alle beschikbare medische informatie - vastgesteld dat de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de relatie- en gezinstherapeut W.W.J.J.G. Wuijts van 21 september 2009 en van de osteopaat J.C. Sanders van 6 april 2010 geen nieuwe feiten of argumenten opleverde voor aanname van een toename van beperkingen bij appellant. Wat betreft de informatie van Wuijts wees Häuser op de in overweging 2 vermelde informatie van Kuilman, terwijl volgens Häuser de informatie van Sanders van 4 april 2008 overeenkwam met die in het verslag van het revalidatiecentrum Blixembosch van 10 juli 2001.

7.1. De Raad stemt in met het oordeel van de rechtbank, als aangehaald in overweging 5.2, ten aanzien van de aanmerking van het besluit van 1 augustus 2007 als een kennelijke misslag en ten aanzien van het gebrek aan zorgvuldigheid bij de voorbereiding van het bestreden besluit.

7.2.1. De Raad acht echter de in overweging 5.2 tevens weergegeven onderbouwing door de rechtbank van de door haar uitgesproken instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit onjuist.

7.2.2. De Raad wijst erop dat de door het Uwv in hoger beroep met het rapport van Häuser gegeven nadere motivering van het bestreden besluit niet draagkrachtig is zodat het bestreden besluit moet worden geoordeeld te zijn genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht . De Raad tekent daarbij aan dat naar zijn oordeel het rapport van Häuser met name ziet op een nadere motivering van het bestreden besluit en niet zozeer, zoals van de zijde van het Uwv desgevraagd ter zitting van 11 februari 2011 is verklaard, op het bij het bestreden besluit ingetrokken besluit van

1 augustus 2007.

7.2.3. In het licht van zijn oordeel in overweging 7.2.2 kan er immers niet aan worden voorbijgezien dat Häuser in zijn rapport van 9 juni 2010 ten onrechte alleen het resultaat van het in overweging 2 vermelde rapport van Hoffman heeft genoemd, terwijl uit het rapport van Häuser niet valt af te leiden waarom de conclusies van Hoffman en de gewijzigde FML van 5 juni 2007 onjuist zouden zijn. In dit verband wijst de Raad erop dat Hoffman, onder verwijzing naar het rapport van Kuilman, weliswaar in de rubrieken 1 en 2 minder beperkingen heeft aangegeven dan in de FML van 5 december 2001 maar daarentegen op basis van de beschikbare medische gegevens in de rubrieken 4 en 5 meer beperkingen dan voorheen heeft vastgesteld. Voorts acht de Raad van belang dat Kuilman op de bladzijden 27 en 28 van zijn rapport aangaf dat de reserves van appellant aan het eind van de werkweek uitgeput zijn, hetgeen in lijn lijkt te liggen met de claim van appellant bij het onderzoek van Hoffman inhoudende dat appellant zich niet in staat achtte voltijds te werken. Het rapport van Häuser gaat dan ook mank aan een inzichtelijke weging en motivering ten aanzien van de vraag of, gezien de beschikbare medische gegevens en het onderzoek van Hoffman, mogelijk al voor 31 januari 2007 toegenomen beperkingen zouden kunnen zijn ingetreden en bij bevestigende beantwoording of en zo ja in hoeverre, mede in het licht van het in overweging 2 vermelde arbeidskundig onderzoek, de toepassing van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO in beeld had kunnen en moeten komen. Voorts zou bij een ontkennende beantwoording van deze vraag nader moeten worden ingegaan op de vraag of in het licht van het onderzoek van Hoffman en het daarop volgend arbeidskundig onderzoek een nieuwe wachttijd, bijvoorbeeld beginnende op of omstreeks de datum van het onderzoek van Hoffman, is gaan lopen.

7.2.4. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan de overwegingen 7.2.2 en 7.2.3 wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

7.2.5. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv dient hiertoe een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

GdJ


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature