Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Niet ontvankelijk verklaring (deel) vordering benadeelde partij; onevenredige belasting van het strafgeding; artikel 361 lid 3 Sv .

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/711135-10

Datum uitspraak: 24 maart 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op xx-xx- te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen, Justitieel Medisch Centrum,

raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te ’s-Gravenhage.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van den Berg heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Weliswaar is er voldoende bewijs dat de verdachte een kopstoot en vuistslagen heeft gegeven tegen het hoofd van [naam], maar niet is komen vast te staan dat de verdachte het voornemen had, om [naam] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat de kopstoot en vuistslagen met aanzienlijke kracht hebben plaatsgevonden alsmede dat [naam] gering letsel heeft opgelopen, te weten een blauw oog, een wondje aan de linker wenkbrauw en een lichte hersenschudding. Daarnaast geldt dat de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden waaruit volgt dat de verdachte willen en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Daarvoor is de enkele omstandigheid dat de verdachte [naam] vuistslagen en een kopstoot heeft gegeven onvoldoende. Immers, niet iedere kopstoot of vuistslag, noch een combinatie van beide, levert per definitie een aanmerkelijk kans op zwaar lichamelijk letsel op.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1 subsidiair.

hij op 28 november 2010 te Hellevoetsluis opzettelijk mishandelend een persoon te weten [naam],

- een zogenaamde kopstoot heeft gegeven en

- meermalen in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 28 november 2010 te Spijkenisse toen de aldaar dienstdoende politieambtenaren [naam] en [naam], beiden hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond, verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, vast hadden teneinde hem over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde ambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- voornoemde [naam] met kracht bij de keel te pakken en meermalen op/tegen het hoofd te slaan, en

- voornoemde [naam] met kracht in het gezicht te slaan,

tengevolge waarvan voornoemde [naam] een lichte hersenschudding en voornoemde [naam] een gebroken neus, bekwamen;

3.

hij op 28 november 2010 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een dienstvuurwapen, toebehorende aan [naam] en de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, met kracht aan de koppel welke om de heup van die [naam] bevestigd zat heeft getrokken en heeft getracht het gevallen vuurwapen van de grond op te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 28 november 2010 te Spijkenisse opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [naam], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankersukkel” en/of “jullie zijn kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Feiten 2 en 3

De raadsman heeft het volgende aangevoerd. Er dient terughoudend te worden omgegaan met de verklaringen van de verbalisanten [naam] en [naam], omdat zij door hun betrokkenheid niet objectief hebben kunnen relateren. Dat geldt ook ten aanzien van de verklaringen die hun collega’s hebben afgelegd en de door een collega opgemaakte processen-verbaal, waarin is gerelateerd wat op de camerabeelden is te zien. De processen-verbaal hebben aldus niet de bewijswaarde als bedoeld in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte weet zich niets te herinneren van het voorval in het café, maar doordat hij daarna buiten kwam en naar het politiebureau werd vervoerd, is hij helderder geworden en meer tot rust gekomen. Daarom kan hij zich de gebeurtenissen die zich bij het politiebureau hebben afgespeeld, beter herinneren. Uitgegaan dient te worden van het relaas van de verdachte. Zijn relaas vindt steun in de afdrukken die zijn gemaakt van de camerabeelden en die zich in het dossier bevinden. Uit deze afdrukken blijkt dat de verdachte verbalisant [naam] grijpt en wegrent en dat hij wordt achterna gezeten en vastgehouden door de verbalisanten. Het lijkt erop dat hij verbalisant [naam] heeft gegrepen om haar uit balans te brengen, zodat hij weg kon komen. De gerichte klappen of stompen die de verdachte zou hebben uitgedeeld, zijn niet te zien op de afdrukken. Het is mogelijk dat de verdachte of een verbalisant in de worsteling met een arm heeft gezwaaid en dat daarbij een verbalisant is geraakt. De rechtbank dient de beelden zelf te beoordelen en niet af te gaan op hetgeen hieromtrent is neergelegd in de processen-verbaal, omdat de politie conclusies trekt die niet op basis van de afdrukken in het dossier kunnen worden getrokken. Uit de afdrukken blijkt ook niet dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om het vuurwapen toe te eigenen. Verbalisant [naam] zegt dat zij denkt te weten dat de verdachte naar het vuurwapen heeft gegrepen. Zij is haar angst gaan projecteren op de verdachte. Gelet op het vorenstaande is partiële vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde feit en volledige vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan de verdediging, twijfelt de rechtbank niet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten [naam] en [naam]. Niet alleen ondersteunen deze verklaringen elkaar, tevens vinden zij steun in aanvullend bewijs, zoals het bij de verbalisanten geconstateerde letsel.

Met betrekking tot de afdrukken van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, wordt overwogen dat deze de verklaringen van de verbalisanten niet weerleggen.

Wat betreft feit 2 wordt op grond van de verklaringen van de verbalisanten vastgesteld dat zij in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren en dat zij de verdachte na diens aanhouding vasthadden, in die zin dat zij hem hebben overgenomen van collega’s en hem vervolgens direct hebben overgebracht naar het politiebureau. Daar aangekomen heeft de verdachte zich met geweld tegen hen verzet, waardoor zij letsel hebben opgelopen. Wat betreft het door de verdachte toegepaste geweld en het letsel dat de verbalisanten hebben opgelopen, vinden de verklaringen van de verbalisanten steun in de medische informatie in het dossier omtrent hun letsel.

Ten aanzien van feit 3 wordt op grond van de verklaringen van de verbalisanten vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd om zich met geweld het pistool van verbalisant [naam] toe te eigenen. Beide verbalisanten zijn hier heel stellig in, ook na het zien van de bewegende camerabeelden, zo blijkt uit de processen-verbaal die zij daarvan hebben opgemaakt. Verbalisant [naam] heeft daarbij verklaard dat de verdachte met kracht haar koppel van haar lichaam trok. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam] blijkt dat het koppel met klittenband en een tweedelige gesp vastzit, waarbij de gesp alleen normaal geopend kan worden door op drie punten tegelijk de vergrendeling in te drukken. Verder is gerelateerd dat het koppel op de grond is aangetroffen en de helft van de gesp niet meer aan het koppel zat. Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat er met kracht is getrokken aan het koppel.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij langs verbalisant [naam] wilde om te vluchten, haar daarbij heeft weggetrokken en – zo begrijpt de rechtbank – per ongeluk het koppel heeft losgetrokken, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Hierbij neemt de rechtbank het voorgaande in aanmerking, en ook dat de verdachte dronken was en zich bij het eerste verhoor door de politie – in tegenstelling tot ter terechtzitting – nagenoeg niets meer wist te herinneren.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

mishandeling;

2.

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd;

3.

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

4.

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de nacht van 28 november 2010 was de verdachte in café/discotheek [naam café]. Hij vierde zijn verjaardag en had veel gedronken. [naam], die in [naam café] aan het werk was, probeerde hem in de drukte passeren en raakte daarbij de verdachte aan. Deze reageerde daarop agressief. [naam] heeft hem vervolgens aangesproken op zijn gedrag, hetgeen hem duur kwam te staan, want de verdachte reageerde hierop door hem een kopstoot en meerdere stompen tegen zijn gezicht en hoofd te geven. De verdachte is de uitgaansgelegenheid uitgezet en aangehouden door de politie. Vervolgens is hij overgedragen aan de verbalisanten [naam] en [naam] die hem naar het politiebureau hebben vervoerd. Toen zij daar aankwamen en de verdachte op de binnenplaats van het politiebureau met hen stond te wachten alvorens naar binnen te worden gebracht, heeft de verdachte verbalisant [naam] vastgegrepen. Hij keek en greep naar haar vuurwapen. De verdachte hield haar koppel met daaraan de holster met het vuurwapen, vast en trok deze met kracht van haar lichaam, waardoor dit op de grond viel. De verdachte heeft vervolgens geprobeerd om het vuurwapen te pakken. Tussen hem en verbalisant [naam] ontstond een vechtpartij. Zij is door de verdachte met kracht bij haar keel gepakt en zij is door hem meerdere malen krachtig tegen het achterhoofd geslagen. Verbalisant [naam] is zijn collega te hulp geschoten en kreeg van de verdachte een vuistslag in zijn gezicht waardoor zijn neus brak. Met behulp van andere agenten, onder wie verbalisant [naam], is de verdachte overmeesterd. De verdachte heeft daarbij verbalisant [naam] uitgescholden.

Door de kopstoot en de stompen in zijn gezicht heeft [naam] pijn ondervonden en letsel opgelopen. Hij heeft een week niet kunnen werken.

De verbalisanten [naam] en [naam] hebben zich angstig gevoeld tijdens het gevecht met de verdachte. De verbalisanten hebben ook pijn ondervonden en letsel opgelopen door het geweld dat de verdachte tegen hen heeft toegepast. Zij hebben zich onder (medische) behandeling moeten stellen. De neus van [naam] is nog steeds niet volledig hersteld en zowel [naam] als [naam] kampen met psychische klachten.

Op voormelde feiten zal worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf van

geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 februari 2011 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Tevens is rekening gehouden met de gedragsdeskundige rapportage van drs. R. Zwaan, psycholoog, d.d. 23 februari 2011. Daaruit volgt onder andere het volgende. De verdachte is hoogbegaafd is, maar kampt reeds vanaf jonge leeftijd met een ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit is van invloed geweest op het plegen van de strafbare feiten, want door de stoornis heeft de verdachte geen of althans onvoldoende rem op zijn gedrag en reageert hij impulsief. Daarnaast is hij sterk gericht op eigen behoeftebevrediging. Voorts lijkt de verdachte erg gevoelig voor het effect van middelen die het psychisch functioneren beïnvloeden c.q. van psycho-actieve middelen als alcohol. Geadviseerd is om de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive is groot en de gedragsdeskundige is niet optimistisch dat het recidiverisico kan worden verminderd door behandeling, gelet op de aard van stoornis en de eerdere behandelingen die hebben plaatsgevonden. Geadviseerd is om een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact op te leggen.

Verder is acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 24 februari 2011, waarin is ingegaan op de criminele antecedenten van de verdachte, de aanwezige criminogene factoren, eerdere interventies en behandeling, en op voormelde gedragsdeskundige rapportage van

drs. R. Zwaan. Het recidiverisico is ingeschat als hoog gemiddeld. Geadviseerd is om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde, waarbij de verdachte zich zal moeten houden aan de aanwijzingen en opdrachten van de reclassering, betreffende urinecontroles, dagbesteding en eventuele begeleiding bij een instantie zoals Palier.

De raadsman heeft de oplegging van een gevangenisstraf, waarvan een groot deel voorwaardelijk, met reclasseringscontact, en een taakstraf bepleit.

Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank niet feit 1 primair, maar feit 1 subsidiair bewezen acht, en de omstandigheid dat bij de feiten 2 en 3 weliswaar geen sprake is van eendaadse samenloop, maar dat deze feiten wel met elkaar verweven zijn, zal de rechtbank een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Overeenkomstig de eis van de officier van justitie zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd teneinde het beoogde reclasseringscontact mogelijk te maken en om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. De oplegging van een taakstraf vindt de rechtbank, gelet op de feiten en de recidive, geen passende sanctie.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam] terzake van feit 1. [naam] vordert vergoeding van materiële schade, te weten gederfde inkomsten, tot een bedrag van € 392,40 en vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-, in totaal € 892,40 vermeerderd met wettelijke rente. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering redelijk is en kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het voor de rechtbank een te grote belasting is om in het strafproces uit te zoeken hoeveel inkomen de benadeelde partij heeft gederfd. Tevens is opgemerkt dat de benadeelde partij een nuluren contract had en dat onduidelijk is of hij in verband met het verlies aan inkomsten een uitkering had kunnen aanvragen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6:107a, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient de rechter, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is lichamelijk letsel oploopt, bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de gekwetste aanspraak kan maken rekening te houden met de aanspraak op loon die de gekwetste heeft krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst.

Gesteld is dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit materiële schade is toegebracht, omdat hij gelet op de brief van zijn werkgever 45 uren had kunnen werken als hij geen letsel had opgelopen. Niet is echter uitgesloten dat de benadeelde partij, ook al heeft hij een nuluren contract, jegens zijn werkgever aanspraak kan maken op loon voor de uren die hij niet heeft kunnen werken. Het voert te ver om dit in deze procedure uit te zoeken, want dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de materiële schade. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wel is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Dit bedrag zal worden verhoogd met wettelijke rente vanaf

28 november 2010.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Als benadeelde partijen hebben zich voorts in het geding gevoegd: [naam], terzake van feit 2 en [naam], terzake van de feiten 2 en 3, beiden vertegenwoordigd door mr. B.S. van der Klauw.

[naam] vordert (als voorschot) vergoeding van materiële schade, in verband met het eigen risico voor de ziektekosten, waarvoor een pro memorie post is gesteld, en vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.717,-.

[naam] vordert (als voorschot) vergoeding van materiële schade, te weten kosten voor fysiotherapie, tot een bedrag van € 189,50 en vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2059,-, in totaal € 2.248,50.

Tevens is voor beiden verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en om veroordeling van de verdachte in de proceskosten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen redelijk zijn en kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor een groot gedeelte niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Onder verwijzing naar de arresten van het gerechtshof Leeuwarden en het gerechtshof ’s-Gravenhage van 21 april 2005 respectievelijk 23 maart 2010 (LJN-nummers: AT5059 en BM3052) is gesteld dat politieambtenaren meer weerstand moeten kunnen bieden aan gevoelens die kunnen leiden tot immateriële schade, dan burgers. Dat hoort bij het vak en agenten worden hiervoor getraind. Het risico van agressie is ook verdisconteerd in het salaris van agenten. Het is voor het strafproces te belastend om de vordering in volle omvang toe te wijzen. Daarom dient niet het gehele bedrag te worden toegewezen, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vordering van [naam] tot vergoeding van materiële schade wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu de vordering onbepaald is door een pro memorie post te stellen. Dit deel van de vordering kan alsnog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering van [naam] tot vergoeding van materiële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 189,50, omdat vast is komen te staan dat aan haar als gevolg van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht in verband waarmee zij zich onder behandeling van een fysiotherapeut heeft moeten stellen, en de verdachte de hoogte van de gevorderde materiële schadevergoeding niet heeft betwist.

Wat betreft de vorderingen van [naam] en [naam] tot vergoeding van immateriële schade wordt overwogen, dat de feiten en omstandigheden die speelden in de zaken waarin de genoemde arresten zijn gewezen, wezenlijk anders zijn dan in de onderhavige zaak, waarin er niet (slechts) sprake is geweest van een bedreiging, maar van grof fysiek geweld tegen de verbalisanten, waarbij zij pijn en letsel hebben opgelopen. Zij zijn ook bang geweest dat de verdachte het vuurwapen van [naam] te pakken zou krijgen en tegen hen zou gebruiken. Onder de gegeven omstandigheden is het aannemelijk dat de verbalisanten psychische schade hebben opgelopen.

Derhalve is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De immateriële schade van [naam] zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.717,-, zodat zijn vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De immateriële schade van [naam] zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2059,-, zodat haar vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Beide vorderingen betreffen vorderingen tot betaling van een voorschot. Nu nader onderzoek naar de daadwerkelijke hoogte van de schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zullen beide vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen zich voor dit deel van hun vorderingen tot de burgerlijke rechter wenden.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door hen gemaakt, voor ieder van hen tot op heden begroot op € 300,- (2 punten van het kantonliquidatietarief, te weten 1 punt voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en 1 punt voor het bijwonen van de behandeling ter zitting, met een waarde per punt van € 150,- gelet op de hoogte van de ingediende vorderingen) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 180, 181, 266, 267, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde niet zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die

zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze

instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden: het ondergaan van urinecontroles, het vinden van dagbesteding, begeleiding bij een instantie zoals Palier;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [naam] te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [naam] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam] voornoemd te betalen € 500,-, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe tot een bedrag van € 1717,- en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan Politie Rotterdam-Rijnmond, rekeningnummer [rekeningnummer], o.v.v. [naam];

verklaart de benadeelde partij [naam] ook voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [naam] gemaakt, tot op heden begroot op € 300,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam] voornoemd te betalen € 1717,-, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe tot een bedrag van € 2248,50 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan Politie Rotterdam-Rijnmond, rekeningnummer [rekeningnummer], o.v.v. [naam];

verklaart de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [naam] gemaakt, tot op heden begroot op € 300,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam] voornoemd te betalen € 2248,50, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 32 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Koekebakker en Wijnholt, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Heijde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2011.

Bijlage bij vonnis van 24 maart 2011.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 november 2010 te Hellevoetsluis ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

-die [naam] een zogenaamde kopstoot heeft gegeven en/of

-die [naam] meermalen (met kracht) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 november 2010 te Hellevoetsluis opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam]),

-een zogenaamde kopstoot heeft gegeven en/of

-meermalen (met kracht) in het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 28 november 2010 te Spijkenisse toen de aldaar dienstdoende politieambtena(a)ren) [naam] en/of [naam], beiden hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig

-voornoemde [naam] (met kracht) bij de keel te pakken en/of meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of (met kracht) aan de koppel (welke om de heup van die [naam] bevestigd zat) te trekken, en/of

-voornoemde [naam] (met kracht) in het gezicht te slaan,

tengevolge waarvan voornoemde [naam] een bloeduitstorting bij de heup en/of een (lichte) hersenschudding en/of voornoemde [naam] een gebroken neus, in elk geval enig lichamelijk letsel bekwam(en);

(artikel 181 van het Wetboek van Strafrecht);

3.

hij op of omstreeks 28 november 2010 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een dienstvuurwapen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] en/of de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, voornoemde [naam] (met kracht) bij de keel heeft gepakt en/of meermalen op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of (met kracht) aan de koppel (welke om de heup van die [naam] bevestigd zat) heeft getrokken en/of heeft getracht het (gevallen) vuurwapen van de grond op te pakken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht);

4.

hij op of omstreeks 28 november 2010 te Spijkenisse opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [naam] en/of [naam], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankersukkel en/of jullie zijn kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(artikel 266/267 van het Wetboek van Strafrecht);


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature